DOOR HET GELOOF ALLEEN
Het voornaamste stuk van de heilsorde is het reformatorische devies : door het geloof alleen. Het is temeer nodig dit goed voor ogen te houden, omdat de geschiedenis kan aantonen, dat de dogmatische behandeling van de weg des heils op dit punt nogal eens afwijkt, om van de wijsgerige gedachtengangen over de weg des heils maar te zwijgen.
Een en ander komt nog wel ter sprake in deze reeks.
Hoewel schier overbodig om er op te wijzen, hoezeer het reformatorische standpunt Schriftuurlijk is, willen wij daarbij toch even stilstaan. Het kan zijn nut reeds bewijzen in verband met het feit, dat het in de huidige crisis der zekerheden, zoals Berkouwer opmerkt, gaat om de , , weg des heils". , , De zuiverheid van onze bezinning", zo merkt hij op, , , zal afhankelijk zijn van het gewicht dat het Evangelie bij ons heeft in de soms verwarrende hoeveelheid van stemmen". Dogmatische Studiën : Geloof en rechtvaardiging, blz. 21.
Wij zijn het daarmede eens. Hier beslist de erkenning van het goddelijk gezag der Heilige Schrift, aangezien zij heel duidelijk is, als zij van het geloof spreekt. Om een enkel voorbeeld te noemen!:
, , Wij dan, gerechtvaardigd door het geloof". (Rom. 5:1).
, , Ik ben met Christus gekruist: en ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij'; en hetgeen ik nu in het vlees leef, dat leef ik door het geloof des Zoons van God, die mij liefgehad heeft en Zicbzelven voor mij overgegeven heeft". (Galaten 2 : 20).
, , Zo dan, die uit het geloof zijn, worden gezegend met de gelovige Abraham". (Galaten 3 - .9).
, , Want gij zijt allen kinderen Gods door het geloot in Christus Jezus". (Galaten 3 : 26).
, , Opdat Christus door het geloof in uw harten wone". (Efeze 3 : 17).
Men ziet, hoe de Schrift het geloof onderscheidt als de weg Gods, waarin wij de gerechtigheid van Christus, het kindschap Gods en het leven met Christus deelachtig worden.
Daarom roept de Schrift telkens op tot bekering en geloof. (Markus 1:15: , , Bekeert u en gelooft het Evangelie").
, , Bekeert u en gelooft".
Dat schijnt nu toch weer een aantasting van dat , , döor het geloof alleen". De bekering moet er bij komen en wordt zelfs eerst genoemd. Zo is het dan toch weer niet het geloof alleen.
En gij zegt: het geloof is een gave Gods, maar die gave eist, naar het schijnt, eerst bekering. Volgens de aangehaalde voorbeelden uit de Schrift, deelt het geloof in de genadè-gaven Gods, maar als bekering voorwaarde is voor het geloof, dan is eigenlijk niet het geloof, maar de bekering de weg.
Dan verder: Hoe is dat met de bekering ? Is dat een daad van de mens ? Dan zou toch de weg des heils niet worden bepaald door het geloof alleen, maar God doet wat en de mens doet wat. Zo zou dus overblijven, dat de bekering de weg des heils zou zijn en niet het geloof.
Nu verstaan alle mensen niet hetzelfde onder bekering. Dat maakt het alweer niet gemakkelijker.
Feit is echter, dat de Heilige Schrift telkens en telkens weer tot bekering roept. Het Oude Testament veelvuldig en het Nieuwe niet minder. Het begint er zelfs mede. Denk maar aan de prediking van Johannes de Doper., , Bekeert u want het Koninkrijk Gods is nabij gekomen." (Matth 3 : 27, Markus 1 : 15, Lukas 1 : 16 en 17).
Men zou kunnen zeggen, dat bekering de weg bereidt tot ontvangst van het Evangelie. Ook schijnt het vaak, dat de Schrift de eis der bekering zo stelt, alsof het een werk van de mens gold. Datzelfde kan men ook zeggen van de berisping bij weigering van bekering, : , , Zij hebben geweigerd zich te bekeren". (Jeremia 5:3).
Op zichzelf bezien, zou men uit zulke plaatsen de conclusie kunnen trekken, dat de bekering in onze macht staat en afhankelijk is van onze wil. En denk dan eens aan de bekende woorden van de Heere Jezus Christus: "Jeruzalem, Jeruzalem, gij, die de profeten doodt en stenigt, die tot u gezonden zijn, hoe menigmaal heb Ik uw kinderen willen bijeenvergaderen gelijk een hen haar kiekens, maar gij hebt niet gewild". (Matth. 23 : 37).
Het is heus niet zo'n wonder, dat dergelijke woorden door pelagiaanse geesten worden aangegrepen om daarmede te bewijzen, dat de mens ook nog iets zou hebben bij te dragen tot zijn zaligheid. Want, hoewel het heel dom is, wil de mens toch ook gaarne in deze dingen een stem in het kapittel hebben.
Waarom dom?
Omdat het met de zaligheid van het Adamskind droevig gesteld zou zijn, als zij mede van onze zorg en bestiering zou afhangen. Wij zouden ten enenmale in gebreke blijven van te volharden in gerechtigheid — stel al, dat wij deze door ons willen en werken konden verwerven.
Evenwel kan bet gebeuren, dat mensen, geleerd door de ervaring van grote schade in dit leven, zich bekeren van slechte gewoonten en ongerechtigheden. De mens is ook na zijn val mens gebleven, terwijl de Heere God hem als een zedelijk wezen behandelt. Vandaar de verbondmatige omgang van God met de mens. Immers van Godswege is het verbond: „doet dat en gij zult leven", nooit verbroken of opgeheven. Het is de mens, die het verbond Gods van zijn kant gebroken heeft en de toorn G'ods op zich geladen heeft. Maar God is getrouw.
Wij staan echter van Gods kant nog altijd onder de eis des verbonds, en om te voorkomen, dat wij daarvan onwetend zouden zijn, heeft God de Heere zich niet onbetuigd gelaten, doch Hij openbaart zich op een wijze, die doordringt tot alle mensen, zodat zij nog enig besef der Godheid hebben en van Zijn alomtegenwoordige kracht en Goddelijkheid, gelijk de apostel Paulus leert (Rom. 1 : 18). Ook hebben de mensen nog enige kennis van goed en kwaad. Dit alles, opdat zij niet te verontschuldigen zouden zijn. (Rom. 2 : 14 en 15). Tengevolge van deze feiten, die ook door de dagelijkse ervaring worden bevestigd, kan de mens zich voor God niet beroepen op onwetendheid.
Aan de andere kant is er ook een gunst Gods in, dat Hij zulk een algemeen geestelijk en zedelijk besef door het indruppelen van deze algemene openbaring in stand houdt. Deze gaven der algemene openbaring vormen met de onderhouding van de ordeningen des hemels, zoals Hij in het verbond met Noach beloofd heeft, een genade, welke zijn grond heeft in het voornemen Gods van de verzoening in Christus Jezus, de Zoon Zijner liefde.
Terwille van dat werk en van de heerlijkheid der kinderen Gods, door Christus verworven, houdt God de wereld in stand, ondanks de vloek der zonde.
Dank zij al deze gaven van algemene openbaring en voorzienigheid Gods is nog een leven op aarde mogelijk en kan nog een maatschappelijke orde worden onderhouden, die voor een samenleving onontbeerlijk is.
Het komt ons voor, dat in dit alles genoegzame grond kan worden gevonden voor het feit, dat onder de mensen ook nog een zekere zedelijke orde wordt bewaard. Voeg daarbij nog, dat God ook aan goddelozen gaven geeft van wetenschap en kunst, van verstand én hart, dan is het toch zeer begrijpelijk, dat mensen, de schadelijke gevolgen van hun gedrag inziende, zich beteren van de dwaling huns weegs.
Niemand kan echter beweren, dat al zulke bekeringen geboren worden uit een droefheid naar God, die een onberouwelijke bekering tot zaligheid werkt.
Niet zonder oorzaak wijst de profetie, die tot bekering roept, op de zonde des mensen en op de toorn Gods. Hoe scherp en hard pakt Johannes de Doper de menigte aan, als hij zelfs het woord adderengebroedsel in de mond neemt. Dit betekent zoveel als duivelskinderen. Ook de Heere Jezus doet dit en zegt tot de Joden : , , Gij zijt uit uw vader de duivel" (Matth. 3 : 7 j Joh. 8 : 44).
De roep tot bekering in de Heilige Schrift bedoelt bekering voor het aangezicht Gods. De Heere is trouwens voorgegaan met de openbaring van de eis der gerechtigheid, als Hij de Wet gaf op de Sinaï. Bekering onderstelt kennis der zonde, en verslagenheid van hart onder de eis der Wet.
Wij mogen de Schriftuurlijke prediking wel zeer ernstig nemen, omdat in onze dagen door sommige aanhangers van de z.g. nieuwe theologie de weg eigendunkelijk wordt omgedraaid: nl. niet door de Wet naar het Evangelie, maar eerst Evangelie en dan de Wet.
Het gevaar is niet denkbeeldig, dat heel de betekenis en strekking van de Wet daarbij verloren gaat en dat zulk een omgekeerde prediking ook aanleiding geeft tot verwaarlozing van het gebod in het persoonlijke, kerkelijke en maatschappelijke leven.
„Bekeert u en gelooft", zo luidt het woord, dat wij tot uitgangspunt kozen. Geloof en bekering hangen samen in het werk van Woord en Geest, waarover wij de vorige keer hebben gehandeld.
Wat zou men dus moeten verwachten van een geloof zonder bekering? d.w.z. zonder inwendige verandering in zijn denken, gevoelen en willen? Men heeft waarlijk wel grond om. aan de waarachtigheid van zulk een geloof te twijfelen.
Het geloof is, zoals wij eerder hebben uiteengezet een werk van Woord en Geest. Hoe kan nu iemand geloven, die door het Woord niet wenst onderwezen te worden en zich aan het gezag des Woords niet onderwerpt? En hoe zal iemand door de Heilige Geest geleerd zijn, die van het Woord niet gediend wil zijn ?
En toch, dat is een onderscheid tussen geloof en ongeloof, dat het geloof uit .het Woord Gods leeft en daarin een regel heeft gevonden, terwijl het ongeloof de schouders ophaalt tegenover de Schrift, haar links laat liggen of critisch tegenover baar staat, en geen lust heeft in de dienst des Heere.
Voorts zijn er velen, die onder geloof wat anders verstaan dan de Schrift. „Immers een goed deel der wereld heeft" — zo merkt Calvijn op — , , wanneer ze de naam geloof horen, daarvan geen hogere opvatting dan een gewone aanvaarding van de evangelische historie. Ja, wanneer men in de scholen handelt over het geloof, eenvoudigweg God daarvan het voorwerp noemend, rukt men door ijdele bespiegeling de ongelukkige zielen meer terzijde weg dan dat men ze naar het rechte doel leidt. Want, daar God een ontoegankelijk licht bewoont, is het nodig, dat Christus tussenbeide komt. Daarom noemt Hij zich ook het licht der wereld (Joh. 8 : 12), en elders de weg, de waarheid en het leven (Joh. 14:6) ; omdat tot dé Vader, die de bron des levens is, niemand komt dan door Hem want Hij alleen kent de Vader, en daarna de gelovigen, aan wie Hij Hem heeft willen openbaren (Luc. 10 : 22)." (Inst. III, 2, 1. Vert. Sizoo, I, blz. 12).
Men ziet, dat Calvijn op de duidelijke wijze, die hem eigen is, het onderscheid tussen een historisch aannemen en het waarachtig geloof tekent. Zo heeft het geloof zijn standvastigheid in Christus. (1 Petr. 1 : 21).
En alvorens Calvijn alzo over het geloof gaat spreken en van de aard, de werking in de inhoud des geloofs nader gaat handelen, heeft hij in het eerste hoofdstuk van het derde boek nog eens repetitie gehouden over de dingen, welke hij in het voorafgaande heeft uiteengezet.
Ie. dat het vreselijke oordeel van de eeuwige dood op ons rust, indien wij in enig deel der Wet gevallen zijn.
2e. dat het buiten ons ganse vermogen ligt om de Wet te vervullen, zoals God eist.
3e. dat er slechts één middel is om ons uit dit onheil te redden, n.l. als Christus, de Verlosser verschijnt om ons te hulp te komen.
Aangezien wij van al deze dingen afkerig zijn in onze verdorven natuur, gaat de waarachtige bekering buiten de wedergeboorte door het Woord niet om, welke ook met geloof gepaard gaat.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 september 1957
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 september 1957
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's