De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

ALEXANDER COMRIE EN NICOLAAS HOLTIUS 3

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

ALEXANDER COMRIE EN NICOLAAS HOLTIUS 3

10 minuten leestijd

We besluiten met het geven van enig overzicht van het , , Examen". Wie het in z'n geheel zou willen lezen, zal het ter leen moeten zien te krijgen, wat niet zó meevalt, daar het boek in z'n forse 2 delen niet zo vaak voorkomt.

In 1835 is er een klein uittreksel van verschenen, dat uiteraard niet meer geeft dan een uittreksel met mogelijkheid kan geven. De aroma van het oorspronkelijke is in een uittreksel vrijwel verdwenen. Deze verkorte uitgave is niet lang geleden herdrukt en bevindt zich dus nu in de handel. Wie het ziet aangeboden en de prijs nogal redelijk vindt, moet zich dus niet vergissen in het gehalte van het aangebodene en liever pogen hogerop te gaan, naar het origineel.

Naar z'n direkte bedoeling is dit boek een tijdschrift, dus een pamflet. Maar in deze vluchtige klasse literatuur vertegenwoordigt het een zeer degelijk en duurzaam soort. Het haalt n.l. heel breed uit en nam zich eigenijk voor, de hele dogmatiek der Toleranten (der , , midden­ orthodoxie") ter toetse te brengen. Ziedaar polemiek met diepe wortels, aan welks takken men vrucht zal mogen verwachten. Zoals we bericht hebben, heeft de overheid het verschijnen van de rest verboden ; hetgeen echter is verschenen heeft een eervolle plaats in de niet zó oververvulde rij gereformeerde dogmatieken uit de 18e eeuw.

Naar de leterkundige vorm is 't boek stellig begaafd en uitnodigend geschreven. We kunnen zo vatten, dat de abonné's met spanning de verschijning van 'n volgende aflevering hebben tegemoet gezien. De lezing moet hen nogal eens binnenpret hebben veroorzaakt, maar gul gelachen hebben ze niet licht, want daar was de hele zaak veel te triest voor.

De eerste samenspraak is inleiding op het hele werk. Daar gaat een wandelaar door de landen, Orthodoxus. Hij peinst over het verval van de Kerk Gods in Nederland. Dan ontmoet hij Pantanechomenos, die toch wel een humaan man kan heten, daar hij hem aan­ stonds vraagt, wat er toch aan scheelt  en waarom zijn gelaat toch zo donker staat ?

U merkt, dit tussen haken gezegd, wel op, hoe sterk dit begin aan Bunyan doet denken. Als Orthodoxus dan uitspreekt, dat de Kerk in Nederland er zo droevig voorstaat, tekent het gelaat van z'n metgezel ietwat geamuseerde verwondering. Hij is n.l. van mening, dat het met de Kerk beter en beter gaat. Wat zijn de mensen immers tegenwoordig humaan en verlicht, alsmede tolerant ! Ruwer voortijd (Dordt!) kende zoiets niet. Zo vindt deze tegenspreker het eerder een lust, nu te mogen leven.

Het gesprek is zo op gang gekomen en de stukken staan meteen zeer overzichtelijk op. Dan komen Philaletes en Adiaphorus zich in het gesprek mengen en zo worden de geesten nog klaarder openbaar. Nu staan ze daar nog in de openlucht, zo op de wijze, als waarop Van Lodenstein in de Beschouwing van Sion dat laat gebeuren, maar dat voldoet de Heer Euruodius niet. Hij maakt er geen geheim van, dat hij zo gaarne remonstrants en gereformeerd zou verenigen tot één enkele brede weg. Mogelijk hoopt hij, onze beide vrienden ook in zijn spoor te krijgen ; in alle geval biedt hij zijn bibliotheek aan als vergadergelegenheid, om daar de zaken eens grondig te bespreken.

Weldra zijn partijen (, , modaliteiten" ? ) geïnstalleerd. Wat malicieus en voor de ingewijde om fijntjes te lachen, deelt het boek mee, dat aan de kant, waar de Leidse heren zitten, de remonstrantse auteurs bij de hand staan met de theologen uit de school van Saumur. Over die laatste moet later eens wat meer gezegd worden: het zij voor thans genoeg, mee te delen, dat het hier betreft franse theologen, uit de academie van Saumur (Nd. Frankrijk), ónder wie de namen Amyrant, Cameron en Pajon, de meeste klank gekregen hebben. De eerstgenoemden hebben opgesteld de vermaarde leer van het , , hypothetisch universalisme", waarmee ze proberen, de harde kanten aan de verkiezingsleer van Calvijn en van Dordt te verzachten, zonder er de kern en de ernst uit weg te nemen. Dat is op zichzelf stellig een geoorloofd en sympathiek pogen, maar dat o.a. door de toejuiching, die het onder de Remonstranten vond, bij de Gereformeerden, dus ook bij Comrie—Holtius, zeer verdacht werd gevonden. Het is al veelzeggend, dat Comrie—Holtius de werken van deze mannen naast die der Remonstranten zetten, al moet er bij gezegd worden, dat ze dat zelf niet hebben gewild. Het tekent de ruimhartigheid van de Heer Breedweg, dat ook de Gereformeerde auteurs bij de hand staan en aan de kant, waar onze beide polemisten zitten, en zo heeft niemand er zich over te beklagen, dat hem bepaald is tekort gedaan.

De tweede samenspraak is uiterst instructief. Ze geeft een overzicht over heel de dogmatiek van Gereformeerden en Toleranten, met aanwijzing van de quaestieuze punten, die later gedurig aan de orde komen.

In de derde samenspraak komt de aard van de godsdienst ter sprake. We merken dat Comrie, althans in de ordening van zijn gedachten, wel gemak moet hebben gehad van zijn wijsgerige scholing. De Toleranten stellen nu, dat voor de godsdienst, dus ook voor het geloof, wezenlijk moet geacht worden het gehoorzamen aan Gods bevelen, waarbij op Hem vertrouwd wordt en op Zijn goedheid wordt gesteund. Dit is heel wat anders dan het leven der dankbaarheid, zoals het voortvloeit uit de rechtvaardiging van de goddeloze en zoals hij zich inderdaad met lust en liefde, maar ook in blijvende zwakheid, op de betrachting van Gods geboden richt. In het hier voorgedragene rieken Comrie—Holtius uiteraard een onbezorgde en ongebroken natuurlijkheid, die hen meer sociniaans dan gereformeerd voorkomt. Het is duidelijk dat beide partijen, wanneer ze zo van godsdienst en geloof spreken, ook van het volgen van Gods bevelen, wel dezelfde klanken laten horen, maar niet dezelfde dingen bedoelen. Deze , , babylonische" spraakverwarring duurt voort tot op deze dag.

De vierde samenspraak komt tot de kennis van God, de natuurlijke, de bovennatuurlijke, de zedelijke. Begrijpelijk, dat Comrie—Holtius de grens tussen natuurlijk en bovennatuurlijk anders leggen en zo ook moeten betuigen, dat het woord , , zedelijk" licht een afgod wordt, op wiens altaar vreemd vuur wordt gebracht.

Het gaat al dieper, want met de vijfde samenspraak komt het gesprek op de straffende gerechtigheid Gods. De Toleranten kunnen er wel niet aan denken, deze te ontkennen, en dat doen ze dan ook niet. Maar ze pogen haar toch wat te temperen, als ze betuigen, dat die niet uit Gods Wezen voortkomt, maar uit Gods wilsbesluit. Datzelfde zal van gereformeerde zijde zonder bezwaar kunnen worden overgenomen, daar men er immers oog voor heeft, dat onze zonde de openbaring van Gods gerechtigheid zo geheel heeft doen veranderen. Maar anderzijds kan het weinig gereformeerd heten, zozeer een wig te pogen te slaan tussen Gods Wezen en Zijn wil.

De 6e en 7e samenspraak handelen over het besluit Gods in het algemeen en daarmee samenhangend over Gods praedestinatie. Er is geen denken aan, deze lijvige hoofdstukken, hoe beknopt ook, weer te geven. Na het gezegde kan ieder zich wel denken, hoe de tweespalt juist op deze terreinen doorgaat. Deze discussie loopt uit op een bespreking van het gezag van de Formulieren van Enigheid, waarbij precies en rekkelijk weer tegenover elkaar komen te staan. Zover ging het dispuut nogal dogmatisch, met de kans, hier en daar een stukje filosofie aan te haken. Maar ook Comrie—Holtius hebben er niets tegen de strijd over te brengen op het Schriftuurlijk terrein. Gereformeerde dogmatiek wil en moet bijbelse dogmatiek zijn en anders is ze ongenietelijk. De Toleranten noemen zich ook echt bijbels. Met de dogmatiek hebben ze niet zoveel op, maar ze houden zich verzekerd dat ze de eenvoudige bijbelwaarheid stellig wel aan hun kant hebben. Zo komen partijen dan overeen, de dogmatiek en haar principiën te toetsen aan de Schrift. Dat zal een lange weg worden en het ingrijpen van de overheid heeft helaas verhinderd, dat ze dit veelbelovende pad ten einde toe hebben kunnen aflopen.

Slechts twee samenspraken hebben ze er aan kunnen wijden. Eerst een, handelend over het Paradijs, de Levensboom, de Boom van de kennis van goed en kwaad, alsmede over de mens als beelddrager Gods. We merken bij deze discussies op, dat men evengoed als bij de discussie met Rome, het over de meer , , objectieve" waarheden vrij gemakkelijk eens kan zijn, maar bij de meer subjectieve vragen, zeg: het werk van de Heilige Geest, en dus ook de beschouwing van de gelovige mens, de tweespalt meteen weer openbaar wordt. De laatste samenspraak loopt uit op het Verbond der Werken, dat in de geschiedenis onzer theologie al zoveel stof heeft doen opwarrelen. Het zal ons mogelijk bekend zijn, dat zeer velen ontkend hebben, dat de Schrift bepaald een Verbond der Werken zou leren. Achtergrond is daarbij, dat het Verbond der Genade zozeer alleen tot onze bekende wereld en tot ons levenselement behoort, dat wij geen reden en grond hebben, dat zo geheel tegengestelde Verbond der Werken te denken als ons eerdere levenselement. Merkwaardig, dat deze gedachte zogoed weer van rechts dan van links is te horen. De zeer bekende Coccejaanse hoogleraar Campegius Vitringa, die misschien de scherpste kritiek heeft geleverd op de Coccejaanse Verbondsbeschouwing, heeft daartegen ingebracht, dat hij het te rechtlijnig en te menselijk gedacht vond. Als men van Verbond spreekt, zo zegt hij, dan maakt men daar licht een menselijk contract van en dat kan en mag Gods Verbond immers nooit zijn. Om die oorzaak wilde hij onderscheiden tussen Gods testament, als vrijmachtig goddelijk welbehagen, en door die poort heen dan op een Verbond Gods uitkomen, maar met evenveel eerbied en godvruchtigheid. Het verwondert ons niet. dat deze man het Werkverbond ten sterkste ontkende, omdat hij het oneerbiedig vond zelfs de ongevallen mens zoveel zelfstandigheid tegenover God te geven. Onder ons heeft wijlen dr. Woelderink met zeer verwante argumentatie datzelfde verdedigd ; op meerdere wijzen doet hij ons aan de oude Vitringa denken.

Deze getekende gedachtengang heeft onder Gereformeerden vanzelf alle instemming. Men zou verwachten, dat zij op deze wijze ook het Werkverbond met waakzame ogen zouden beschouwen. We geloven, dat dit niet altijd het geval is geweest. Mede uit reactie tegen Remonstranten en Coccejanen, die het Werkverbond niet erkennen, is er bij de Gereformeerden een neiging ontstaan om het dus juist te handhaven.

De geschiedschrijver Ypey, die soms heel ondeugende, maar ware opmerkingen kan ten beste geven, verwonderde zich zeer over deze stand van zaken. Vreemd, zo oppert hij, dat de Voetianen in het algemeen weinig (te weinig) voor het Verbond voelden. Maar dat ze doorgaans zo zeer gehecht zijn aan het Werkverbond !

Vermoedelijk begreep Ypey niet zo goed, wat daar achter zit. O.i. ligt daarachter de vrees, om afbreuk te doen aan de orde: van Gods vastheden. Men kan het Werkverbond vrij gemakkelijk becritiseren. Maar er positief iets tegenover stellen, zó, dat de betrekkelijke tegenstelling tegen het Genadeverbond blijft, is lang niet eenvoudig.

Is uw conclusie nu, dat de hoge vlucht der dogmatiek u wat ontgaat ? Dan zult u héél wijs dóen door ter schole te gaan in het: Examen van Tolerantie, en dan nader in die laatste samenspraak, waar het Verbond der Werken de inzet uitmaakt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 september 1957

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

ALEXANDER COMRIE EN NICOLAAS HOLTIUS 3

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 september 1957

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's