ALEXANDER COMRIE EN NICOLAAS HOLTIUS 4
We hebben wel niet zo héél veel kunnen zeggen over de inhoud van het Examen, maar hopen er toch juist zóveel van te hebben meegedeeld, dat niemand van ons zeggen kan, er nooit iets van te hebben gehoord of begrepen.
Hebben we, door dit voortreffelijke boek wat naar voren te halen, nu geheel en al recht gedaan, zogoed aan Comrie als aan Holtius ?
In het nu komende haken we Holtius af, daar we van hem geen preken bezitten, zoals dat bij Comrie het geval is en dan preken, die ons alle aanleiding geven, daarover nog iets op te merken.
Moge het Examen vrij schaars zijn, dat zal niet kunnen gezegd worden van de prek«n van Comrie. We komen ze tegen in klein zowel als in groot formaat, maar in beide gevallen gaat het om de zelfde inhoud, die als volgt wordt aangekondigd : Verzameling van leerredenen, waarin vertoont wordt uit verschillende teksten de afgezakte, kranke en kwijnende staat der gelovige(n), voornamentlijk in deze tijdt, tot overtuiginge en beschaminge over hunne ongestalte ; vervolgens de gelovige(n), daarover met smerten aangedaan en begerig na her^tellinge in welke hunne innige begeertens voorgestelt en de zwarigheden, die zij ontmoeten en hen dikwerf onvrijmoedig maken, geoppert en opgelost worden - , eindelijk hunne herstellinge en de werkzaamheit hunner ziele als herstelde en in hun vorige element gebragte, verklaart en toegepast door dr. Alexander Comrie, Scoto-Brittannicus.
Als we deze titel lezen, kunnen we een glimlach niet weerhouden. Wat een uitvoerige en precieze aankondiging! We proeven er iets van de formele orde van de filosofie, maar zó, dat ze dienstig is gemaakt aan , , de waarheid, die naar de godzaligheid" is. Uit Calvijn's leven weten we, dat soms geslepen boekhandelaars een wat argeloos auteur er toe brachten, het opstellen van de titel aan hem over te laten, wat dan tot heel onprettige ervaringen heeft geleid. Wat ons betreft, vinden we de grondtrekken van deze boektitel meesterlijk en aantrekkelijk, maar we hebben wel lust, die zeer brede uitwerking ervan voor niet dwingend uit Comrie's pen gevloeid te verklaren. Wie de preken leest, zal mogelijk onze indruk delen, dat deze brede titel eerder bij Smytegelt past dan bij Comrie. Comrie's preken zijn soberder en meer ingehouden en ook niet zo , , bevindelijk" als deze zeer brede aankondiging zou doen vermoeden.
U merkt meteen de bekende driedeling, die u bij hem opmerkt : ellende, verlossing en dankbaarheid. Echter Comrie spreekt niet maar van de mens, maar van de christen. Hij bedoelt daarmee kennelijk, dat wij die drie stukken niet onder de voet en achter de rug krijgen, maar ze als een levend heden leren kennen. Maar daar bedoelt hij ze dan ook alle drie mee : ellende, verlossing en ook de dankbaarheid. Juist die laatste komt bij hem op een wijze tot haar recht, die wel onze bijzondere aandacht en behartiging mag hebben. Bij Comrie heeft de ellende een diepe en zware klank. Dat heeft ze bij velen, mogelijk zeggen we: bij allen. Maar ze heeft tenslotte niet iets enkel negatiefs en dofs en wanhopigs, en helaas kunnen we daarvan niet zeggen, dat dit ook door allen zo wordt verstaan. De dankbaarheid is bij Comrie een realiteit, o.i. meer dan bij verschillende van zijn tijdgenoten.
Over die drie stukken, maar die samen één behoren te zijn, geeft Comrie tien preken, die samen in de 4° uitgave 402 bladzijden beslaan. Dus Comrie preekte vrij lang, terwijl we opmerken, dat enkele preken het dubbele van een gewone lengte bezitten, nl. tot 80 bladz. toe. De bepreekte teksten, zijn deze : 1. Een dodige en benauwde ziel bidt om levendmaking. Tekst Ps. 143 : 21. Maak mij levend om Uws naams wil. 2. Het verlaten van God de bron der dodigheid, tot beschaming voorgesteld. Tekst : Jer. 2:13: de twee boosheden, die Israël begaan heeft: de levende bron verlaten en zich lekke bakken gezocht. 3. De gelovige door ellende getroffen wederkerend tot zijn Verbondsgod. Tekst: Hozea 2:6: Ik zal wederkeren tot mijn eerste Man, want toen was het mij beter dan nu. 4. De gelovige tot de eerste Man naderend met geween. Tekst: Jer. 31:9. Zij zullen komen met geween. 5. Hartversterking voor een wederkerende gelovige. Tekst: Jesaja 41 : 17. De ellendigen zoeken water. Ik de Heere zal ze niet verlaten. 6. Een wederkerende gelovige worstelend om de nabijheid van Jezus. Tekst: Hooglied 1:3: Uw oliën zijn goed tot reukwerk 7. De dodige hersteld door Gods genaderijke toenadering. Tekst Psalm 102 : 8, 9 : God wendt zich tot het gebed van degeen, die gans ontbloot is. 8. Een herstelde gelovige zijn verdenkers onderrichtend. Tekst: Hooglied 1:3: Ik ben zwart, doch liefelijk. 9. Een herstelde, zijn waarschuwing aan een ongeoefende gevend. Tekst: Hooglied 1 : 6 : Ik ben zwartachtig; de kinderen van mijn moeder waren tegen mij ontstoken. 10. De Verbondsgod zich in Zijn algenoegzaamheid aan een herstelde voorstellend en hem vermanend tot een wandel voor Zijn aangezicht. Tekst: Genesis 18 : 1 : Ik ben God de Almachtige, wandel voor Mijn aangezicht en wees oprecht.
We hebben met opzet alle 10 preken opgesomd om te doen bemerken, met hoeveel overleg Comrie ze heeft samengesteld. Wat met name de aandacht vraagt en wat Comrie vrij sterk apart zet is, dat zijn prediking niet alleen voor de beginneling is, zeg: zendings- en evangelisatieprediking, maar ook voor de groeiende en geoefende christen, dus echt pastoraal. Zeggen we te veel, als we stellen, dat dit dan ook wel betekenen moet het werkelijk bevindelijk preken ? Dit woord wordt ons naar ons besef zeer verward gebruikt en vaak verbonden met aparte niet altijd centrale kanten van het geloofsleven. Dat kan niet juist zijn. Bij Paulus, in Rom. 5, is de bevinding werkelijk centraal en betekent daar het beproefde, gerijpte geloof, zoals het door donkerheid en dood tot de volle dag komt. Maar dit zelfde zien we immers bij Comrie ? We zouden dan ook wel wensen, dat wij in ons onderling spreken van bevinding dat deden zoals hij. Dan zou het vitaal en klassiek kunnen gebeuren, zó, dat het theologische, de Heere God zelf, voorop en bovenaan ; het kerkelijke, met het genadeverbond b.v. middenin en het zeer persoonlijke aan het einde. Desnoods moogt u de volgorde van deze twee laatste ook wel omkeren : het zeer persoonlijke getoetst en verankerd door het theologische en het gemeentelijke. We vinden het geen kleine lof voor Comrie, dat bij hem deze dingen zo gezond en levend staan en verzwijgen niet, dat hij hierin een heel eindweegs uitsteekt boven zijn voorganger Smytegelt en zijn navolger Van der Groe. Daarover zullen we nog wel eens een nader woord hebben te wisselen. Wanneer het toch wel tot de heilzame en nodige zelfkennis van onze Geref. Bond behoort, te erkennen, dat ze in het stuk van het Verbond nog zeer achterop is, dan zou het ons allen, dunkt ons, goed doen, b.v. tot Comrie in te keren en daar een levende verbinding van het persoonlijke en het gemeenschappelijke, van Verbond en persoonlijk geloofsleven (verkiezing!) aan te treffen, die ons wat te zeggen hebben. Waarbij we dan nóg wel een stap kunnen verder gaan en opmerken, dat de Erskines, die we als Comrie's geestverwanten aanwezen, datzelfde hebben in een o.i. nog levendiger en sprekender gedaante. Dat hebben de Schotten in het algemeen wat op ons voor: wij zijn taaier dan zij - , bij hen zit meer , , sap" en ook meer , , pit".
We behoeven dan, samenvattend, wel niet meer te betuigen, hoe belangrijk en wegwijzend we juist Alexander Comrie vinden.
Dr. A. Kuyper heeft een zekere afkeer van Brakel en Smytegelt niet verborgen, maar evenzeer niet verheeld, hoeveel meer hij zich tot Comrie aangetrokken voelde. Dat is wat eenkennig ; ook Smytegelt en Brakel dienen Gods Raad en willen naar vermogen gewaardeerd zijn. Maar als theoloog (met een streep juist onder het begin ervan) steekt Comrie werkelijk uit en het kan alleen maar wijs en..-- gereformeerd zijn, niet bij een van beide te bezweren, ook niet bij die twee samen, maar van beider levenswerk te pogen te profiteren.
Naar de vorm is onze bewondering voor de preken van Comrie wel wat getemperd. Wat kan hij een ingewikkelde verdelingen maken ! Hij lijkt toch helemaal geen naief man : zou hij dan toch gedacht hebben, dat enig lezer of hoorder ze onthouden kon ? Wat zijn kanseltaal betreft, die is wel heel wat deftiger dan de taal uit het Examen, maar gelukkig weet hij toch op geschikte wijze daar een populaire noot aan toe te voegen.
Laten we toch, hoe kort dan ook, die 10e en laatste preek weergeven, die ons ook wel haast de beste lijkt. Een sprekend aanloopje leidt tot de preek in. Wie bouwen wil, heeft een fundament nodig. Wel, de gelovigen hebben een enig fundament, n.l. hun Verbondsgod. Betreffende God de Almachtige legt Comrie er nadruk op, dat deze almacht Gods voor het geloof niet schrikwekkend is, maar uitermate troostend. God kan alles. Hij zal in het, Verbond de Algenoegzame zijn. In niet minder dan 13 punten wordt dat uiteengezet. En op grond daarvan vindt de eis haar vervulling : Wandel voor Mijn aangezicht en wees oprecht. Op allerlei wijze wordt dat wandelen populair verklaard. Comrie legt grote klem op het geloof, maar nog grotere op Christus. Het geloof is het leven der ziel, maar Christus is de ziel en het leven des geloofs. Zo zeggen de Erskines het ook. Bij het uiteenzetten van die wandel voor Gods aangezicht, komen we een oud vertrouwd motief tegen, n.l. dat puriteinse opkomen voor een ingetogen, geheiligd leven, zonder weelde en zich uitleven. Comrie gaat hier recht door zee : met temen en woorden van ellen lengte en door het hoofd te laten hangen komen we er niet. Het moet ons wezenlijk om Gods Eer te doen zijn.
Twee derde van de preek omvat de uitleg, die we nu weergaven ; een laatste derde is aan de toepassing gewijd. Currieus, dat hij z'n gemeente voor nadere informatie naar een preek van David Flud van Giffen, een , , ernstige" Coccejaar verwijst. Was hij vergeten, dat „Vader Brakel" het met deze broeder nog al oneens was ? Hij wist mogelijk, ! dat het om een bijzaak en niet om de hoofdzaak ging.
De toepassing is , , onderscheidenlijk"' Eerst gaat er een woord uit tot de onbekeerden, aan wie hij de Wet scherp zoekt te prediken, opdat ze bij de Middelaar zullen uitkomen. Tot de oprechten spreekt hij breed en hartelijk. Hij weet, hoe men hen soms uitscheldt voor femelaars en schijnheiligen ; deze smaadheid van Christus moeten ze maar welgemoed opnemen. De algenoegzame God is een honiggraat van vertroostingen, zegt Comrie, een beeld gebruikend, dat in de preken van zijn geestverwanten geregeld voorkomt. Als de overblijfsels der zonde blijven, dan staat daar tegenover, dat de Verbondsgod menigvuldig vergeeft. En al mag de genade ook zwak zijn : God vergeet en verwerpt de bondelingen niet.
Hij besluit: „De God, die Abraham geloof gaf, Mozes zachtmoedigheid, Job lijdzaamheid, David oprechtheid, Daniël wijsheid, Johannes liefde en Paulus verloochening en licht, kan alle noden vervullen. Houdt aan ! Het dragen van verzoeking maakt gelijk aan de Heere Jezus, want uw Jezus werd ook verzocht. Dus moogt gij, door Hem, besluiten : Ik ben verzekerd, dat noch dood noch leven, noch engelen noch overheden noch machten, noch tegenwoordige noch toekomende dingen, nog hoogte noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus, onze Heere".
Wij kunnen het ons zeker ook in onze kring niet veroorloven, aan een, theoloog-prediker van zoveel gloed, diepte en breedte voorbij te gaan.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 september 1957
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 september 1957
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's