De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Kohlbrugge en Kuyper in hun wederzijds contact II

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Kohlbrugge en Kuyper in hun wederzijds contact II

6 minuten leestijd

De preekbeurt, welke Kohlbrugge op 12 november van datzelfde jaar voor Kuyper en op diens verzoek, in de Zuiderkerk vervuld heeft, kan voor het hiervóór opgemerkte als bewijs dienen. Dat het juist de Zuiderkerk was, waar hij preekte, trof hem temeer: , , vlak tegenover de kerk, waar men mij 41 jaar geleden uitgestoten had" (blz. 116).

, , En zo stond ik dan voor het eerst in mijn leven op de Amsterdamse gereformeerde kansel", schreef hij een week later aan zijn kinderen in Weenen". Hij preekte over Psalm 68:20 en 21. , , En toen ik in de Zuiderkerk van de preekstoel ging, zei ik : , , Heere, mag ik hetgeen Gij heden aan mij voor Uw arm volk gedaan hebt, aannemen als een onderpand, dat ik zo ook eens uitkomsten bij U zal vinden tegen de dood" (blz. 116). Deze preekbeurt, waarover Kuyper wel een en andermaal met Kohlbrugge en diens vrienden in briefwisseling is. geweest, laat wel zien, dat Kuyper, ondanks dat Kohlbrugge in politiek opzicht een andere zienswijze had dan hij, , , bij zijn gevoelen moet zijn gebleven, dat hij het zijn oudere collega zeker kon toevertrouwen vanaf de kansel waar hij; zelf voor zijn gereformeerde kerkvolk het Woord had te bedienen, het troostvolle evangelie te verkondigen. Hij heeft zich naast de vroeger zo gesmade, naast de uitgestotene gesteld en daarmee gedemonstreerd, dat de manier waarop de kerk Kohlbrugge had behandeld, groot onrecht was" (blz. 115 /116).

Was het alleen behoefte een zeker eerherstel van Kohlbrugge, gepaard gaande met bijzondere broederlijke hoogachting jegens de grijze prediker uit Elberfeld, dat Kuyper heeft gedrongen tot dit kanselaanbod ? Of waren er nog bij hem bijbedoelingen in verband met zijn aspiraties, die drongen tot zijn reis in Juni '71 naar Elberfeld ?

We laten de vraag voor wat ze is, en vermelden alleen nog, dat Kohlbrugge bij' gelegenheid van zijn preken in Amsterdam een paar dagen bij de familie Kuyper heeft doorgebracht. Ook daarover sohreef hij aan zijn kinderen en wel als volgt: „Bij ds. Kuyper heb ik mij in zekere zin thuis gevonden. De vrouw was mij zeer gedevouëerd : man en vrouw hebben elkaar innig lief,  twee mooie jongetjes van 8 en 7 jaar waren gedurig en vertrouwelijk om mij en een lief meisje met twee mooie ogen kroop mij onder de voeten door.... Kuyper is schrikkelijk levendig, rusteloos. In dat huis is het klap in klap uit van allerlei bezoeken. Dinsdagmorgen hield ik morgenhuisgodsdienst; voorlezing uit een foliant-bijbel. Het gezin binnen, mevrouw speelde, allen zongen een paar psalmverzen, toen lezing en gebed", (blz. 47).

Voor zover bekend hebben na Kohlbrugge's bezoek aan Kuyper beide mannen elkander niet meer ontmoet. Wel hebben ze nog meermalen met elkander gecorrespondeerd. En Kuyper heeft niet nagelaten telkens, wanneer het pas gaf, van zijn waardering voor Kohlbrugge blijk te geven. 'Bijzonder in het , In memoriam" 'bij gelegenheid van Kohlbrugge's sterven, 5 maart 1875, verschenen in het Zondagsblad van de Standaard, 14 maart daarop.

Van , ', wederzijds contact" tussen Kohlbrugge en Kuyper handelt het boek van dr. A. Groot, 't Is geëncadreerd in fragmenten uit de levensloop der beide grote mannen, en episoden uit het kerkelijk gebeuren hunner tijden. Zo is het te zien als een kleine kerkgeschiedenis geconcentreerd rondom en belicht uit de levensgang dier grootmeesters op theologisch gebied, welke uitermate boeiend is.

Op dat alles hier in te gaan, gaat buiten het bestek van deze bijdrage. Ik vestig alleen de aandacht op de blz. 75- 80, waarin ons verhaald wordt, hoe „Kohlbrugge. meer dan 25 jaar predikant van een zelfstandige gemeente naast de Landskerk geweest is" (blz. 75).

De motieven, welke hem daartoe dreven waren verschillend, o.m. dat hij zijn , , mensen", die om de Agendedwang, d.w.z. dat in de Landskerk de aanvaarding van een van hoger hand vastgestelde liturgie verplicht werd gesteld, zich van de kerk hadden gedistanciëerd, alias afgescheiden, niet in de steek kon laten" (71). Bij de 25-jarige ambtsvervulling, zegt Kohlbrugge wel, dat hij , , zich waarlijk niet wilde afzonderen .... maar de Heere heeft het anders geleid en ik ben er mede tevreden. De Heere heeft gezegd: gij zult mijn prediker zijn, laat hen tot u wederkeren, giji zult tot hen niet wederkeren" (blz. 77), Ik denk, dat de , , vaders der afscheiding", en te goeder trouw in doleantie gegaan zijnde hervormden, wel iets dergelijks op de een of andere wijze hebben ervaren. Of Kohlbrugge, beoordeeld naar wat ik hierover van hem overnam, gemeten aan hoog-kerkelijke normen, vol bevonden zou worden, waag ik te betwijfelen. En hoever hij in deze uitingen verschilt van Kuyper in zijn streven en strijd, tracht ik hier niet te beoordelen.

Kol, Kohlbrugge's vriend, had zeker wel gaarne een synthese tussen beide theologen gezien. Heeft Kuyper er misschien ook naar verlangd ? Duidt daarop zijn ook na Kohlbrugge's dood meermalen uitgesproken sympathie voor hem?

, , Ik dank er God voor, dat ik bij de theologie gebleven ben".... Ja. Kohlbrugge is bij de theologie gebleven. Door alles heen. Het is het middel geweest, dat hij meer en meer op Calvijn aantrok. Het heeft hem als een held doen strijden voor Christus, de Bruidegom Zijner Kerk, gelijk hij Hem in PSL 45 getekend zag. Het deed hem tijdens zijn promotie over die psalm, toen een der hoogleraren hem toevoegde: „Mijnheer, schrijf een andere dissertatie, want 't zou schande zijn voor de Utrechtsche Academie, indien iemand op zulk een stuk in de 19e eeuw het doctoraat had gehaald, antwoorden: . „Professor, ik schrijf geen andere; men moet mij dan maar laten vallen". Hij promoveerde cum laude. Zo zou er meer zijn te noemen. Een eenzaam strijder, hunkerend naar een gemeente, en daarin het ambt, zo is zijn leven geweest.

Kuyper was ook een theoloog, meer met kerkrechterlijke interesse en aandrift. Een veldheer, die een leger rondom zich moest hebben en kreeg ; met in zich een drang, een passie, , , om wat hij als zijn levenswerk zag, te voltooien". Verhinderde hem , , zijn drang tot geestdriftig activisme" „in Kohlbrugge's lijdzaamheid een hogere trap van werkzaam geloof te onderkennen" ? (blz. 114). Zo kunnen we doorgaan met vragen.

Waartoe ?

Kohlbrugge en Kuyper, ze waren beide theologen in de echte zin van het woord. Ze hadden contacten. Hebben ze elkander waarlijk gekend ?

In zijn , , In memoriam", gewijd aan Kohlbrugge, zegt Kuyper: , , In ons oog is Kohlbrugge een slachtoffer van de onverdraagzaamheid der verdraagzamen, een man door wiens uitbanning onze, kerk zich van een ware levenskracht heeft beroofd" (124). Misschien zou iemand dit met de nodige wijziging, ook, wat 't laatste betreft, van Kuyper willen zeggen. Het zij zo. Dr. A. Groot deed een goed werk, door ons zijn belangwekkend boek te geven van het „wederzijds contact" van die twee mannen, die, ieder op hunne wijze, ons leerden, dat „op de oude paden de weg des levens ligt". (In memoriam, blz. 126).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 september 1957

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Kohlbrugge en Kuyper in hun wederzijds contact II

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 september 1957

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's