Kroniek
Velen met vacantie, en de ministers in velerlei besognes — Resultaat op „Prinsjesdag" — Antwoord op de vragen van de heer Reyers — Bevredigend ? — Groen's streven — De Chr. Geref. Kerken en de televisie — „Kerk en Theologie" — Vrije geluiden op 31 augustus — Volksvergiftiging — Vrijheid en gezag — Nil contra Deos et Mores.
Terwijl een groot deel van ons volk van hoog tot laag met vacantie was en zijn dagen van rust binnen of buiten de grenken doorbracht, hebben onze ministers hard moeten werken. De dagbladen wisten te melden, dat er zelfs in één week meerdere vergaderingen van de ministerraad waren gehouden. Het ging departementaal en interdepartementaal om de begroting 1958.
Dat heeft altijd nogal voeten in de aarde, doch dit jaar geldt dat dubbel in verhand met de „bestedingsbeperking", oftewel bezuiniging, welke naar het schijnt, onder centrale leiding meer in andere lichamen en instanties moet doorgevoerd worden dan in de departementen zelve.
Velen signaleren dit verschijnsel als een , , beschikken over andermans beurs" en zijn er allesbehalve over content — men leze slechts de vele reacties van gemeentébesituren en derzelver colleges van B. en W. — maar daarover zullen en willen we het niet hebben in deze laatste Kroniek van de zomer 1957.
De ministers zijn met de begroting 1958 klaar gekomen en konden toen ook nog in vacantie gaan. Wie zou het hun niet gunnen ?
Natuurlijk was er veel belangstelling voor wat al die ministeriële arbeid tot resultaat heeft gehad, m.a.w. de bladen popelden van nieuwsgierigheid, hoe de begroting '58 er wel uit zal zien doch men moest zijn weetgierigheid bedwingen. De derde dinsdag in september is de dag, dat de portefeuilles zich ontsloten en Nederland wist, hoe het met de zaken staat. Dat is, behalve het, , sprookje van de Gouden Koets", wat onlosmakelijk met , , Prinsjesdag" annex is.
Twee ministers hebben in de tweede helft van augustus iets, van wat ze rijpelijk overwogen hadden — het betreft niet de begroting ! — tèr publicatie vrij gegeven. Men leze het volgende :
De verantwoordelijkheid voor de •gang van zaken in de Ned. Hervormde Kerk.
Ten vervolge op de beantwoording van vragen van het eerste-Kamerlid, de heer Reijers, betreffende de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de Koninklijke besluiten van 23 maart 1852 en 22 juli 1870, waarbij het algemeen reglement voor het bestuur van de Nederlandse Hervormde Kerk werd herzien en gewijzigd, heeft de heer Samkalden, minister van justitie, mede namens zijn ambtgenoot van financiën, geantwoord, dat zij kennis hebben genomen van de artikelen in de N.R. Crt. van 3 en 4 mei 1957, getiteld : Scheurgemeenten I en II.
In die artikelen wordt met een beroep op de Koninklijke besluiten van 1 januari 1816, 23 maart 1852 en 22 juli 1870, betoogd, dat de ministers van justitie en van financiën verantwoordelijk zijn voor de gang van zaken in de Nederlandse Hervormde Kerk. Van verantwoordelijkheid, als gesteld, kan echter reeds hierom geen sprake zijn, aldus het antwoord van de ministers, omdat de wet van 10 september 1853 aan alle kerkgenootschappen de volkomen vrijheid verzekert, „alles wat hunne godsdienst en de uitoefening daarvan in hunnen eigen boezem betreft", te regelen.
Voorts delen de ministers mede, dat het hun ontgaat, welke belangen met intrekking van de bovengenoemde besluiten zouden zijn gediend. De rol, welke die besluiten hebben vervuld, kan door intrekking niet ongedaan worden gemaakt.
Ik heb het bovenstaande ontleend aan de N.R. Crt. d.d. 22 aug. 1957 en geef het hier door. Of de heer Reijers, het lid der Eerste Kamer, dat de vragen aan de minister stelde, met dit antwoord voldaan is, zal wel blijken .
Maar als ik de ministeriële beantwoording lees, vraag ik mij toch in gemoede, met de mij passende bescheidenheid, af, waarom het zo lang moest duren eer dit antwoord, eigenlijk een suggestie, dat de wet van 1853 de zaak ten volle duidelijk heeft opgelost, de heer Reijers werd gegeven. Het is toch naar de orde, dat op dergelijke vragen binnen 30 dagen wordt geantwoord. Is de minister daartoe niet in staat, dan wordt , , rappel" gevraagd, d.w.z. dan verzoekt de minister nog een termijn van 30 dagen voor nadere overweging en bezinning. Zulks is in dit geval geschied. Is het resultaat van die lange termijn van bezinning van een dusdanige inhoud, dat men zegt: het is begrijpelijk, dat het antwoord zo lang op zich liet wachten ?
Ik heb de wet van 10 sept. 1853 niet bij de hand, en kan dus het een met het ander niet vergelijken. Toch wil het mij voorkomen, dat het in de wet om iets anders gaat dan waarop de Koninklijke Besluiten van 1852 en 1870 het oog hebben. Dat is wel gebleken bij de regeling van het beheer in de verschillende Hervormde Gemeenten. En als , , de ministers voorts mededelen, dat het hun ontgaat, welke belangen met de intrekking van bovengenoemde besluiten zouden zijn gediend", dan hebben ze m.i. niet voldoende kennis genomen van de artikelen in de N.R. Crt. van 3 en 4 mei j.l. We willen op eventuele reacties op deze antwoorden — ze zullen, naar ik vermoed, niet uitblijven — niet vooruitlopen. Maar als de quaestie met deze beantwoording beslecht is, is weer opnieuw gebleken, dat men ook thans niet aandurft, wat Groen van Prinsterer — toch wel een autoriteit op dit terrein — en meerderen na hem, bepleitten als noodzakelijk voor de vrijheid der Kerk. Hoe het ook zij : er moet m.i. nog een andere reden zijn, dan in het ministeriële antwoord is aangegeven, waarom „die besluiten" niet worden ingetrokken. Ze hebben nog zin, naar het schijnt. Welke die is ? Het ware te wensen, dat hierover, zo mogelijk uit een officiële verklaring, licht werd verspreid. We blijven gaarne in afwachting ; moge het niet al te lang zijn !
In de classis Dordrecht van de Chr. Geref. Kerken van 3 april j.l. was onder de , , ingekomen stukken" een schrijven uit Sliedrecht, inzake televisie en nieuwe bijbelvertaling, met verzoek doorzending naar de P(articuliere) S(Ynode) en G(enerale) S(ynode). Wat het eerste aangaat, dit wordt door de classis overgenomen als volgt :
De classis Dordrecht voelt zich ernstig bezwaard inzake de manier waarop in de zitting van de laatste Generale Synode gesproken is door verscheidene predikanten en ouderlingen ten aanzien van het kwaad der televisie.
Wij zijn ervan overtuigd, dat de televisie in de dienst des Woords een Godonterend kwaad is en wanneer dit gebruikt wordt op z.g. christelijk terrein, dat dit zonde is tegen het 2de gebod, waarvan de onderwijzer zegt, zondag 35 vr. en antw. 98, dat God Zijn christenen niet door stomme beelden, maar door de levende verkondiging Zijns Woods wil onderwezen hebben.
Wij willen dan ook bij de Particuliere en Generale Synode er op aandringen, dat hier een krachtig halt geroepen wordt, daar wij anders vrezen, dat het ook met dit kwaad gaat als destijds met de radiodiensten op de dag des Heeren, dat achter de rug der Synode om, op onkerkelijke wijze door deputaten is doorgevoerd.
Bovenstaande bezwaren zullen door een classicale commissie in een rapport nader worden uitgewerkt en t.z.t. ter kennis van P.S. en G.S. worden gebracht.
Ik vond dit bericht in , , De Wekker", het, , orgaan der Chr. Geref. Kerken" d.d. 26 april 1957.
Behandeling van dit stuk kan hoogstens ter P. S. hebben plaats gehad, doch ik heb dienaangaande nog niets gelezen. Doeh daarover gaat het ook niet in dit verband. De reden, waarom ik het bericht gaf, is een andere. De Kroniek in het jongste no. van , , Kerk en Theologie" gaf enkele opmerkingen over , , het beeld in de Kerk". De schrijver, dr. Lekkerkerker uit Utrecht, zegt in dit verband het volgende: , , Het beeld in de kerk is momenteel een grote kwestie in het theologisch gesprek in , , Faith and Order". Het is dan goed om te weten, dat het beeld alleen kan worden aanvaard, wanneer het Woord daardoor wordt gediend ; dat Christus Zichzelf wel vereenzelvigt met het Woord, nooit met een beeld ; dat de handelingen in de kerk altijd worden gevolgd door een uitlegging ; dat symbolen in de liturgie steeds het Woord nodig hebben ; dat Rome en het Oosten hier het gevaar van de overlading op een aperte wijze demonstreren. (Overigens geldt dit gevaar van de overlading ook voor preken en gebeden). Dit zullen de theologen hebben te zeggen tegen de kunstenaars", (blz. 181). Het woord televisie wordt in dit citaat uit , , Kerk en Theologie" niet genoemd. Maar de opmerkingen gelden zeer zeker deze zaak en zullen daarop zeer zeker ook wel doelen. De formulering der bezwaren tegen televisie in de kerk zijn in het stuk van de Classis Dordrecht directer gericht en mij wel uit het hart gegrepen.
Maar dan zijn er tegen de televisie in dit verband ook nog practische bezwaren. Onlangs werd gemeld, dat een der vijf grote orkesten in Engeland wel zou moeten worden ontbonden. De reden was, dat door 't snel voortschrijdend gebruik van de televisie de mensen niet meer de concerten bezochten, omdat zij thuis alles konden horen en zien. Men vreesde, dat meerdere orkesten hun bestaan moeilijk zouden kunnen handhaven. Welnu, stel dat de televisie in de kerk zou doorwerken, dan zou dit ook van nadelige invloed op het kerkbezoek kunnen zijn. En aangezien de kerkgang toch over heel de linie helaas afneemt, zou de televisie dit proces van ontvolking der diensten zeer kunnen intensifieren. Zo zou het volk nog meer van „profetie" beroofd worden, wat verwildering zou bevorderen. Want, , , als er geen profetie is, wordt het volk ontbloot" (Spreuken 29 : 18). Men zou hiertegen kunnen opmerken dat ook in een televisiedienst kan , , geprofeteerd" worden. Wat ons echter van de inrichting van dergelijke diensten werd vermeld, is wel voldoende om in dit opzicht niet optimistisch gestemd te zijn. Om al deze redenen houden wij het met onze oude Catechismus, die ook hier naar ik meen de lijn zuiver trekt.
***
Het bovenstaande bedoelde niet de televisie als verschijnsel te brandmerken. Ze is een uitvinding, geschied niet zonder leiding Gods. En voor uitvindingen, waarin een zekere genadewerking Gods niet is te miskennen, mogen wij nooit uit de weg gaan. Men denke aan de uitvinding van de boekdrukkunst, van de radio, om alleen maar deze te noemen. Het komt aan op het gebruik, dat de mensen ervan maken. De t.v. uitzending „Dag Koninginnedag" heeft dat nog weer eens klaar en duidelijk in het licht gesteld. Wat er precies is geschied en vertoond, is nog niet in zijn geheel gepubliceerd. Maar er is wel zo een en ander doorgesijpeld. En dat weinige deed de N. R. Crt. spreken van : , , ongelukkige televisieuitzending op 31 aug." de Rotterdammer paste er het woord , , , onbeschoft" op toe ; Trouw signaleerde het als , , het demagogisch programma" en de Volkskrant (R.K.) , , dat de uitzending, die , , Dag Koninginnedag" heette, een tikje in het rood gekleurd ging". De samenstelling van dit programma was het werk van , , de heren Vrijman en Odufré", voor de uitzending is de V.P.R.O. verantwoordelijk. Ik heb niet de eer die , , heren" (? ) te kennen, maar wat ik van hun productiviteit in de verslagen las, is niet van dien aard, dat ik op nadere kennismaking zou prijsstellen. Dit , , nationaal programma" — , , een soort overzicht van zaken, die zich tijdens de bewindsperiode van Koningin Wilhelmina hebben voorgedaan — liet o.m. optreden iemand, die actief heeft deelgenomen aan de muiterij op de Zeven Provinciën; het deed de oude socialist K. ter Laan, oud-Kamerlid voor de S.D.A.P., herinneringen ophalen aan de tijd, toen oranjeklanten zijn woning in Delft geheel oranje verfden ; men beledigde de S.G.P., een liberale minister , , werd grappig getypeerd". Of moet hier een sterker woord gebezigd worden ? Het geheel was van die aard, dat naar de , , Telegraaf" wist te vertellen, Jhr. Th. Roëll, voorzitter van de AVRO, die in de Studio in Bussum aanwezig was, om in zijn kwaliteit als bestuurder van de N.T.S. enkele hoge gasten te ontvangen, de kamer uitliep, waarin hij met die hoge gasten het programma volgde. Jhr. mr. A. W. L. Tjarda van Starkenborgh Stachouwer, , , die het nationaal programma met een zeer gevoelvol woord over de betekenis van Koningin Wilhelmina voor ons volk, had geopend, stelde bij het zien van wat op het doek verscheen, de vraag, hoe het kan, dat dergelijke volksvergifltiging werd uitgezonden".
De N.R.'Crt van 5 of 6 sept, wijdde aan de zaak een hoofdartikel over „Vrijheid", daarin vooral de „Vrijheid", zoals zij ze wenst, handhavend, maar blij, dat de staatssecretaris Höppener een onderzoek zal instellen. Het orgaan van de V.P.R.O. heeft zijn fout in „Vrije geluiden" van 7 sept. j.l. erkend. Dat eert het blad. Maar het ware beter geweest, vooraf een secuurdere controle op het programma uit te oefenen, opdat deze al te , , vrije geluiden" niet over ons volk waren losgelaten. Ze hebben de V.P.R.O. een dies ater, een zwarte dag bezorgd. De vraag rijst: hadden de regering , of de betrokken instanties niet tijdig kunnen ingrijpen? ., Nederlandse Gedachten" van 7 sept. j J. weet mede te delen, , , dat aanvankelijk een andere exmuiter was aangezocht, 'n notoire communist. Dat hij niet is komen optreden, is te danken aan een waarschuwing van het departement". Het departement was dus op de hoogte van het programma of een deel ervan. Had het dan niet de hele zaak grondig kunnen herzien en ons volk en vooral H. K. H. Prinses Wilhelmina deze blaam kunnen besparen? Over , , Vrijheid" mediteerde de N.R.Crt. Maar vrijheid heeft gezag nodig. En dat gezag heeft te zorgen, dat er ook op het terrein der N.T.V. niets geschiedt contra Deos et mores : niets tegen God en de zeden!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 september 1957
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 september 1957
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's