De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Theodorus van der Groe I

Bekijk het origineel

Theodorus van der Groe I

11 minuten leestijd

In de Lekstreek hoorden we ettelijke malen het rijmpje : Van der Groe, doet het hekje toe. Die het uitspraken, bedoelden ermee, dat Van der Groe een hoogtepunt betekent onder de , , oude schrijvers", waarboven niet licht iemand uitkomt. En dat menen we in gemoede te moeten tegenspreken, naar we nader hopen aan te tonen.

Wanneer men echter bedoelt, dat Van der Groe een van de laatste belangrijke figuren in de Nadere Reformatie is, met wie de Gereformeerde Kerk ten onzent de nachtschuit ingaat, dan kunnen we dat geheel beamen.

Toen hij geboren werd in de pastorie van Zwammerdam in 1705, noemden zijn ouders hem Theodorus d.i. Godsgeschenk. Die naamgeving hebben later velen beaamd. Het lag voor de hand, dat het zo dichtbijgelegen Leiden voor de studie benut werd: daar werd onze Theodorus candidaat en in 1730 zien we hem intrede doen in Rijnsaterswoude.

Daar bleef hij 10 jaar, ging dus in 1740 naar Kralingen, waar hij tot zijn dood bleef. De tegenwoordige kerk van Kralingen is niet die van Van der Groe ; Oud-Kralingen lag op een afstand van het tegenwoordige en is later verlaten. Merkwaardig lijkt ons, dat deze man, die een grote naam had in de kerk en voor een uitstekend prediker gold, bij ons weten zo weinig is beroepen. Hij bleef in Kralingen, zodat we ons zijn leven als tamelijk rustig moeten voorstellen. Als we echter het notulenboek van Kralingen uit zijn tijd ter hand nemen, dan blijkt daaruit zijn grote activiteit als pastor. Vooral de tucht blijkt geen sinecure; we hebben alleen al daardoor reden, hem in de rij van mannen van de Nadere Reformatie op te nemen.

Dat hebben we nog extra, als we hem ook nog zien optreden als kampioen voor de rechten van de kerk tegenover die van de overheid, een kwestie, die we immers ook zo gedurig hebben ont­moet. In de Rotterdamse gemeente, waar W. á Brakel de overheid zo keurig haar plaats wees, kwam die oude kwestie weer naar voren in Van der Groe's dagen. En tot zijn verwondering en ergernis zag hij Petrus Hofstede, overigens een goed Voetiaan, bij degenen, die de kerk ook in geestelijke zaken, aan de overheid wilden onderschikken. Van der Groe voelde daarin „erastiaanse" ketterij. Dat woord komt u in de Vaderlandse Kerkgeschiedenis nogal eens tegen en daarom willen we het even verklaren.

Thomas Erastus was hoogleraar te Heidelberg en leerde de onderschikking van de kerk onder de staat, op een wijze, die we bij Luther en Zwingli terugvinden, maar die Calvijn voor de kerk funest heeft gevonden en de Nadere Reformatie met hem. Zo kunnen we het verstaan en zelfs prijzen, dat Van der Groe hier niet zwijgen kon en op duidelijke wijze zijn aan Hofstede tegengestelde mening liet horen. Hij deed 't eerst anonym, door een oud boekje van Voetius, Verhandeling over de kerkelijke macht weer uit te geven. We merken op, dat dit een van de malen is, waarop de oude Voetius herleeft. Als we naast Van der Groe nog Kuyper, Rutgers, Hoedemaker noemen, dan verstaan we, hoe Voetius nog leeft, ook 200 jaar na zijn overlijden.

Jammer intussen, dat Van der Groe anonym schreef ; we nemen aan, dat hij zijn persoon verzweeg, om de zaak dubbel te dienen, maar zeker hij heeft gewéten, dat persoon en zaak juist nooit te scheiden zijn. Nu wekte die anonymiteit zekere argwaan, de toon van de gewisselde geschriften wordt al feller, ook aan de kant van Van der Groe. Hij geniet de eer, als pennevoèrder van een aantal gelijkgezinde collega's, te fungeren, maar die eer is wat pijnlijk, daar ze meebrengt, dat hij de meeste klappen heeft te incasseren. De strijd loopt tenslotte uit op de verschijning van het befaamde boek Kralingiana. Ook dit is zonder naam van een schrijver verschenen en doet denken aan het Examen van Tolerantie, waar het zich aandient als uitgaande van een „Genootschap van Letterminnaars". Het was begroot op 12 afleveringen, maar werd na 't verschijve zeker P. Hofstede hebben te vermoedelijk op een wenk van de overheid.

Zoals de titel Kralingiana, d.w.z. Kralingse zaken, verraadt, richt zich de verbolgenheid der , , Erastianen", waaronder we zeker P. Hofstede hebben te vernoeden, zich vooral tegen Van der Groe, die op een zeldzaam lage en onwaardige wijze door de modder wordt gesleurd. Als we daarover nadenken, is onze conclusie, dat Van der Groe de mensen blijkbaar prikkelde. Zo aarzelen we geen ogenblik dit schotschrift, al heeft Van der Groe het ook wel wat uitgelokt, toch vooral te noemen een document van fijnenhaat, van piëtistenhaat.

Hofstede, staat hierin naast b.v. Maresius, wiens schandelijke twist met Voetius, behalve uit jaloezie, ook o.i. uit fijnenhaat moet verklaard worden. Voetius was een , , precisist", dus een fijne, een femelaar, haast een farizeër en daar moest Maresius natuurlijk hoognodig tegen optrekken. Als Fransman „lag" hem deze Voetiaanse geesteshouding niet. Maar ons dunkt, dat hij er eerst grondig kennis van had moeten nemen (wat stellig is uitgebleven) inplaats van er dolzinnig tegen te gaan woeden.

Het staat bij Hofstede ongeveer evenzo. Hij is scholastischer gezind dan Van der Groe, daarom ook „voorwerpelijker" en dus zo beducht voor het persoonlijke, laat ons zeggen : het mystieke. En waar dit laatste gemakkelijk tot krampachtigheid en dus tot carricatuur verwerd (denk aan Comrie's opmerking die we onlangs doorgaven, en die inhoudt, dat christen-zijn niet betekent het hoofd als een bieze laten hangen, de woorden zeurig uitspreken, zodat ze ellenlang worden enz.), daar begrijpen we, dat Hofstede nogal erg gemakkelijk spel had en althans meende te hebben.

Het jammerlijke gevolg van deze venijnspuwerij heeft alleen kunnen zijn, dat de kern der zaak onaangeroerd bleef en een al bestaande verwijdering nog eens vergroot werd. Maar ze doet ons in alle geval begrijpen, dat Van der Groe in zijn kring vooraan stond, voor een goed theoloog gold en uitsprak, wat in een groep, die vinnige 'bestrijding vindt, leefde.

Als theoloog moeten we Van der Groe bepaald een uitblinker noemen. Boven b.v. Smytegelt steekt hij een heel eind uit. We hebben de overtuiging, dat deze man op het terrein van de , , wetenschappelijke" theologie met gemak lauweren had kunnen vergaderen. Dat heeft hij echter niet gedaan. Hij heeft de dogmatiek wel beoefend, maar dan toch in een bepaald kader, nl. dat van de praktijk der godzaligheid, dus van de oude {Voetiaanse) ascetiek. Zijn aansluiting bij de Heidelb. Catechismus is hierbij tekenend voor zijn doelen op de praktijk. En de grote plaats, die de preken in zijn werk en werken innemen, komen dat bevestigen. We hebben van Van der Groe heel wat preken. Meestal samenhangend, zoals bundels over de genezing van Bartimeüs en over de bekering. Zeer breed zijn de preken over de Heidelb. Catechismus, alsmede die over het Lijden van Christus. Maar we menen van het belang der genoemde bundels niets af te doen, als we toch stellen, dat Van der Groe zich zeer bijzonder onderscheidt door zijn voorliefde voor de biddagpreken, waarvan we enkele bundels bezitten.

Die , , biddagpreken" hebben een belangwekkende geschiedenis. Wij kennen ze ook nog wel, in de vorm van de jaarlijkse bidstond en dankstond voor gewas en arbeid, die echter in de steden bijna geheel zijn afgeschaft en die ook ten plattelande op geen stukken na de belangstelling vinden, die ze verdienen. In de laatste jaren hebben we, door de watersnoodramp en door Hongarij's donkere lot in de hele kerk nog weer bidstonden gehad. Zo kende de oude tijd ze ook, maar veelvuldiger. Naast de telkenjare terugkerende bid en dankdagen had men de bijzondere, wanneer oorlog, de ziekte onder het vee of dergelijke slagen het ongenoegen van de Allerhoogste deden blijken. Dan wekte de overheid de kerk op, om een bidstond te houden, opdat de Here den lande zou worden verbeden. Dan gingen de bid- en dankdagbrieven uit, die zeer weinig opgemerkt zijn, hoewel ze die vorige, moeilijke tijden zeer gevoelig weerspiegelen. Wie zich hierin eens wil verdiepen, wete, dat de hoogleraar N. C. Kist er een tweedelig boek aan wijdde. Nederlands biddagen en biddagsbrieven, waarvan de lezing alleen maar kan worden aanbevolen.

Uit het hier gezegde kan blijken, dat deze biddagen en de erop gehouden preken van huis uit een nationale kleur hebben, dus ook wel een politieke. We maken daaruit gemakkelijk op, dat daarom deze zaak zo'n grote plaats moest vinden juist in de kring van de Nadere Reformatie. Daar was immers de complete reformatie, van „uiterlijke" en „innerlijke" mens, van geestelijk en nationaal leven de inzet. Wanneer Van der Groe zich hierin bij hen aansluit en dit aspect sterker kent dan verscheidene van zijn tijdgenoten, zien we daarin alweer een aanwijzing, hoezeer hij in de Nadere Reformatie thuis hoort.

Daarmee wil niet ontkend zijn, dat er, gemeten aan b.v. Teellinck en Taffin, met Udemans wel iets verschoven is. Al de genoemden verbindt het besef, dat door da Costa zo scherp is omlijnd en zo positief is gevuld, dat n.l. Nederland 'n , , Israël van het Westen" is, een gedachte, die stellig wel niet is ontstaan zonder invloed van de engelse Puriteinen, waar dit nog sterker leeft. Maar terwijl de eerstgenoemde schrijvers dit positief durven vullen, maakt Van der Groe er veelmeer een negatief gebruik van. De boeteklank domineert bij hem en maakt een positiever vulling niet mogelijk. Hij legt niet meer de nadruk op wat Nederland en Nederland's kerk aan Gods genadige verkiezing al zo te danken heeft, maar hij hanteert gedurig de geesel, om dit volk en deze kerk te laten voelen, hoezeer ze deze genade onwaardig zijn gebleken. Dat geeft aan deze preken iets hards en negatiefs, dat zich o.i. toch moeilijk rijmt met het bevindelijke, dat uiteindelijk Van der Groe's inzet en bedoeling is. We zullen daarover nog nader hebben te spreken, maar wijzen reeds hier het gevaar aan, dat men, bij alle ijver voor Gods naam en zaak, bij dit soort prediking toch in de mens dreigt te eindigen en vast te lopen. We stellen met bezorgdheid vast, hoezeer het zendingsaspect, de onbekrompen aanbieding van het Evangelie aan al wat leeft, bij Van der Groe zeer is geminderd en naar ons besef komt dat voort uit een opvatting van de Verkiezing, die zeer statisch is geworden en die Gods genadige beloften aan verloren mensen dreigt dood te drukken.

We hebben van Comrie gezegd, dat bij hem ellende en verlossing grote nadruk hebben, maar de dankbaarheid en het leven uit de dankbaarheid daarnaast nog grotere en zeer positieve betekenis hebben. Naar ons besef bedoelt Van der Groe dat in de grond precies zo. Maar het komt toch niet meer tot zijn recht, omdat hij wanhoopt aan zijn tijd en aan zijn kerk en kerkmensen. De Kerk, dus ook het genadeverbond en zijn beloften is hem een pijnlijk probleem geworden, dat hij niet meer aan kan en waartegenover hij zich veel meer op de onzichtbare Kerk, de Kerk der verkiezing terugtrekt. Met spanning worden wij gewaar, dat Van der Groe en zijn geestverwanten de omgekeerde weg van Calvijn en de Nadere Reformatie gaan. Die zijn van de onzichtbare Kerk zich al meer gaan oriënteren aan de zeer concrete zichtbare Kerk, terwijl in de natijd Van der Groe dat niet meer kan meemaken en de zichtbare Kerk meer (begrijpelijke) geselslagen toedient dan (onbegrijpelijke, maar nochtans diep evangelische) beloften van genade voorstelt. We hebben daar, dunkt ons, allemaal neiging toe, lopen ook gevaar in 't kerkelijke zo'n negatieve koers te varen maar moeten dan toch wel weten, dat dat bepaald niet Schriftuurlijk en dus niet klassiek gereformeerd kan heten. Hoe weinig dat ook bedoeld kan zijn : we lopen zo gevaar, toch in de mens te eindigen en wat er dan nog aan bevinding overblijft, kan moeilijk anders dan schraal en bloedarm zijn.

In de tijd van de Afscheiding zien we Van der Groe herdrukt en herlezen worden. Maar ons dunkt, dat de afgescheiden Vaderen zich wel wat vergisten en in hun begrijpelijke lust, om zich met autoriteiten uit het verleden te sterken, over het hoofd zagen, dat juist in het verbondsmatige, dat de Afscheiding zo sterk kent, bij Van der Groe geen steun te vinden is. Hebben ze soms heimelijk gevoeld, dat ze in deze zijn niet malse critiek nodig hadden ? Dat willen we hopen. In alle geval is de belangstelling voor hem niet gebleven, ze verschoof naar de Chr. Gereformeerden, meer nog naar de Oud-Gereformeerden c.s.

En als Kuyper komt, die aanvankelijk belangstelling heeft voor de Nadere Reformatie, die we later zien verdwijnen, dan hebben we de overtuiging, dat hij het zich in zijn critiek op , , doperse", ongereformeerde , , mijding" van het niet strikt geestelijke, wat al te gemakkelijk heeft gemaakt, door al te licht Van der Groe als uitdrukking van heel de Nadere Reformatie te zien en met en om hem die hele beweging af te haken.

Wanneer wij het met onze (s.v.p. niet-goedkope !) critiek op de Doleantie, om haar verkerkelijking, veruitwendlging en vrees voor innerlijkheid (mystiek) nogal gemakkelijk hebben, dan is dat o.i. stellig mede gevolg van die onbekookte, eenzijdige en oncritische afwijzing van Van der Groe. Maar dat kan voor ons geen rustpunt zijn, maar baken in zee !

V. d. L.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 september 1957

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Theodorus van der Groe I

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 september 1957

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's