De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Theodorus van der Groe 2

Bekijk het origineel

Theodorus van der Groe 2

10 minuten leestijd

We vervolgen nog een ogenblik onze beschouwing van Van der Groe's biddagpreken. Zoals we zeiden, komt hij daar zeer sterk als boetgezant aan het woord. Dat heeft sommige van zijn tijdgenoten nogal gestoken. In de Boekzaal der geleerde wereld maakte een criticus de opmerking betreffende ds. Van der Groe: dat Zijn Eerwaarde kennelijk de indruk wilde wekken in een speciale verbinding met de Allerhoogste te staan en enige inzage te hebben genoten van diens boeken. Deze spijtige opmerking wordt, maar dan in het positieve, gedeeld door zijn vrienden, die in hem niet maar een dienaar des Woords, maar ook een ziener zagen. Dat aspect komen we in de geschiedenis van de Nadere Reformatie niet zo vaak tegen. Van Brakel Jr. wordt ons verhaald dat hij, met name op zijn sterfbed, stemmen hoorde en gezichten zag. Ook Van Lodenstein moet hier genoemd worden. Bij Van der Groe neemt het een breder plaats in, denk aan de titel van een van zijn boekjes : Een echt verhaal van zaken en werkzaamheden, waar de Heere mij door Zijn Geest toe verwaerdigt heeft wegens den zevenjarigen oorlog, waarmeede Godt de Heere vele landen en staten en ook óns lieve Vaderland bezogt heeft.

Dit boekje brengt ons naar een gebied, waar de , , geestdrijverij" op de loer ligt, welk gevaar vooral door tegenstanders breed wordt uitgemeten, maar dat ook de vrienden niet moeten vergeten. De. spanning tussen Woord en Geest wordt hier groot en we herinneren ons uit het leven van echte geestdrijvers zoals Jan Mazereeuw (19e eeuw) en Antoinette de Bourignon (over wie u nog wel eens wat te horen krijgt), dat hier de ontsporingen niet licht uitblijven. Als hier de profeet, zogenaamd in de naam des Heeren, maar feitelijk in eigen naam, gehoor vraagt voor gezichten en openbaringen dan ontbreekt hier licht de gelegenheid, om dat aan het Woord te toet­ sen, dat immers alleen eind van alle tegenspraak is.

Ons is nergens gebleken, dat Van der Groe, al had hij een sterk profetisch bewustzijn, is ontspoord zoals bovengenoemde zonderlingen. We haasten ons nu, om aan het geen we vorig maal schreven, n.l. dat Van der Groe's boeteprediking wat hard en eenzijdig aandoet, toe te voegen, dat daardoor in geen geval wordt bewerkt, dat deze prediking wettisch zou worden. Dat de Wet des Heeren, tot ontdekking zogoed als tot heiliging des levens een brede plaats heeft, is gereformeerd gemeengoed.' Wettelijk en wettisch zijn daarin diep onderscheiden. Van der Groe wil niet anders dan bijbels en gereformeerd zijn, als zijn prediking altijd weer cirkelt om de genade en het geloof, samenkomend in de bekering. Sla daartoe maar even op het al genoemde bundeltje preken over de Bekering, en denk aan de Beschrijving van het zielzaligend geloove.

Als we dat zo voor ons zien staan, bevreemdt het ons in het geheel niet, dat het Van der Groe was, die een uitgave van de werken van Ralph en Ebenezer Erskine verrijkte met uitvoerige inleidingen. Daar kan alleen uit volgen, dat hij zich hun geestverwant weet, 'zoals we dat ook met name bij Comrie vaststelden. Maar de waarheid gebiedt ons, te vermelden, dat we hier toch wel enige bevreemding overhouden. Bij de Erskines heeft het verbond der genade een veel breder plaats dan bij Van der Groe. Bij hem komt het — vanzelfsprekend - nog wel voor, maar, om een hedendaags spraakgebruik te volgen : het functioneert niet meer. Van der Groe kan de genade, het geloof en de bekering tekenen in woorden, die met die van de genoemde Schotten samen stemmen. Maar we stellen onszelf de wat beklemde vraag: Waar vindt Van der Groe dat alles verwerkelijkt ? Hij spreekt van een beschrijving van het geloof. Maar als bevindelijk ingestelde weet hij toch wel, dat het daarbij niet blijven kan en mag ? Ja, hij weet, dat dit alles leeft in de onzichtbare, verkoren kerk. Maar als prediker staat hij voor de zichtbare gemeente, die hij te wijzen heeft, hoe de zichtbare kerk openbaring kan en moet zijn van de onzichtbare. En daarin lijkt hij ons aarzelend. Het geloof en geloofsleven krijgt moeilijk een positieve inhoud en het negatieve, dat Van der Groe zelf moet vrezen en haten, staat toch gedurig voor de deur en klopt.

Zo moet onze conclusie zijn, dat de genoemde prediking iets drukkends en donkers heeft, dat we zo niet bij Calvijn en vele gereformeerden vinden, hoewel ze ook de boetebazuin aan de mond weten te zetten. Naar onze smaak is Calvijn veel evangelischer dan Van der Groe en juist een kleinmoedige zal dat licht moeten beamen.

In het licht van het tot nu toe gezegde is wel zeer duidelijk, dat het , , Beproeft u, beproeft u" bij Van der Groe gedurig klinkt. En hij moet de eer hebben, dat hij niet maar daartoe heeft opgeroepen, maar daartoe ook een graadmeter en toetssteen te hebben toegevoegd. Die vinden we in zijn, naast de preken over de Heidelbergse Catechismus grootste werk, waaraan hij de bekende titel gaf : Toetssteen der ware en valse genade, ontdekkende in het helderschijnende licht der zuiver gereformeerde waarheid, vervat in de Heidelbergse Catechismus, de wezenlijke gronden van onderscheid tussche in het zaligmakende werk des Geestes in de harten der opregt geloovigen en tusschen het schijngeestelijk werk der geveinsden en tijdgeloovigen, ten dienste van het heilbegerig christen-volk in Nederland; om het op te wekken, in deze donkere dagen van verleidinge, zijner eeuwigen staat grondig te beproeven en zichzelven zorgvuldig te hoeden voor de verderfelijke wegen der Huichelarije en voor allerlei listig bedrog des Satans, met zich vast te houden aan het geloof, dat eenmaal den Heiligen overgeleverd is.

Deel I 1752, deel II 1753 ; meerdere malen herdrukt.

Wij gaven met opzet de nog al brede titel in zijn geheel weer. Daar staat de hele Van der Groe voor ons. Het positieve, dat hij bedoelt, horen we doorklinken, al komt het o.i. in de uitwerking zeer te kort. Dat werk is zeer verwant aan Verschuir's Bevindelijke godgeleerdheid en aan Schortinghuis' Innig christendom. Dat moet helaas ook inhouden, dat, wat we aan positiefs daar misten en aan negatiefs al te overvloedig vonden, hier terugkeert. Een sterk bevindelijke aanpak heeft blijkbaar toch de neiging, in z'n tegendeel, in het zeer beschouwelijke om te slaan. Als men de gemeente, in welke de Heilige Geest beloofd heeft te willen wonen, kwijt is, dan heeft de bevindelijke preek geen klankbodem meer en dan duurt het niet lang, of ze wordt tot beschrijving van christelijk-vrome gemoedstoestanden. De ingewijde merkt, dat we hier woorden van Schleiermacher gebruiken; zeer vreemd in dit verband en toch, helaas, ter zake. Toen Van der Groe stierf, had het Labadisme zich al lang overleefd. We vragen ons echter in gemoede af: Als Van Lodenstein, de boetgezant, al zó door De Labadie werd bekoord : wat zou Van der Groe gedaan hebben, wanneer het Labadisme in zijn tijd nog een levende realiteit was geweest ? We merken bij hem intussen generlei spoor van Labadisme in de zin van een zich afscheiden; ook naar die kant is het er naast geweest, dat men in de Afscheiding hem maar genaast heeft. Het staat te vrezen, dat de critiek van Van der Groe op de Afscheiding weinig minder hard zou geweest zijn als die van Kohlbrugge is geweest.

Die naam te noemen moet wel inhouden, hem even met Van der Groe te vergelijken. Er is inderdaad overeenkomst. Ook juist in het bevindelijke karakter, dat volgens deze beide het geloof moet hebben. Intussen kunnen we ons toch moeilijk voorstellen, dat Kohlbrugge de Toetssteen zou hebben geschreven, evenmin als de Erskines.. Bij al deze genoemden vinden we een zelfde aandringen op waarheid en leven, ook op zelfbeproeving, maar ze willen die vooral niet bereiken door diep en dieper te boren in de mens, de christen, maar veeleer door, sterk theologisch, de almachtige en algenoegzame genade van God in Christus te prediken. En alweer zeggen we: we weten wel, dat Van der Groe dat ook bedoeld en gewild heeft. Maar de uitvoering blijft o.i. bij die van Comrie, de Erskines en Kohlbrugge achter. De mens in al zijn nietigheid ontvangt, hoezeer hij gestriemd en voor ijdel verklaard wordt, toch o.i. nog te veel eer. Wij worden niet bekeerd en herboren door gebeukt en getrapt te worden (hoezeer het strafambt van de Geest onmisbaar is), maar daardoor, dat de Heilige Geest ons confronteerde met de liefde van Christus voor laatsten en minsten, die niets hadden, maar dat ook niet behoefden te hebben. We zijn er toch ingekomen, toen we er buiten vielen ? Dat moet betekenen, dat. zelfs de critiek op deze ijdele mens zijn grenzen hebben moet en de lof des Heeren, de lof van Zijn genade en liefde voor verwerpelijken, de hoogste toon moet wezen en het laatste woord moet hebben.

Het ligt in de lijn van de Toetssteen, dat we daar de kenmerken der genade ontmoeten. Daar moet niets tegen zijn, want genade en geloof hebben hun wegen en vruchten en zo hun kentekenen. Maar wee, als die verkeerd gehanteerd worden, wettisch en hard, niet om anderen uit de kuil te heffen, maar om eerder zelf nog een trapje hoger te komen op ons kleine troontje. Wij voor ons weten niet, hoeveel positieve leiding er van de Toetssteen kan zijn uitgegaan en we wensen die geenszins te onderschatten. We nemen ook van harte aan, dat de auteur er kleine en kleinmoedige mensen mee op de weg vooruit te helpen. Maar als wij voor ons dit boek lezen, dan drukt het ons neer en we verzuchten : Wat moet er al van alles gekend worden. Wat loopt het altijd weer toetsen van echt en onecht, tijdelijk en blijvend groot gevaar, als het spontane en intuïtieve, dat het leven in de Geest toch heeft, te verlammen. Wij voor ons hebben in ons leven enkele keurmeesters ontmoet, die roemden in de school van Van der Groe te zijn onderwezen. Onze indruk van deze geweldenaars was, dat ze naar het woord van Kohlbrugge wel zeiden in het land Kan niet te wonen, maar in werkelijkheid kinderen Enaks te zijn. Ze weten hard en fel te zeggen, wat er al zo op de weg moet gekend worden, hoewel het immers zo is, dat, wanneer wij zonde en genade kennen leren, de hardheid en de felheid uit ons leven gebannen worden en we met Paulus zeggen: Mij, voornaamste zondaar is genade geschied, tot bemoediging van elk, die na mij zal komen. Die genoemde keurmeesters hebben we helaas nooit horen zeggen tot een of andere tobber : Als ik binnen kon komen, dan gij toch immers zeker ? Een redeneren vanuit een vooropgezette verkiezingsidee, die alle troost doet missen; een al maar negatief demonstreren en redeneren doet ons zeggen, dat dit geslacht zeer verwant moet zijn aan datgene, dat Salomo aan de kaak stelde : hoog van ogen en van zijn drek niet gewassen.

Dan zeggen we echter nadrukkelijk : Met dit misbruik van Van der Groe (want dat is het o.i.) willen het gebruik van hem allerminst treffen. Wanneer ons geloof gezond en geworteld is, moet het tegen een toetsing op kunnen. Als we die meteen afwijzen, wekken we zeker de verdenking, , dat het bij ons geen navraag lijden kan. Het smalen op bevindelijkheid en zelfbeproeving verraadt al te vaak vijandschap en armoede. Maar dan moeten de bevindelijken ook niet grof optreden.

Bij een operatie in de edelste delen van de mens, zeg oog en oor worden uiterst fijne, instrumenten gebruikt. Zou dat niet nog sterker gelden in het peilen van anderer en eigen geestelijk leven ? Als iemand met een grove nijptang een splinter uit uw oog wil halen, dan wijst u dat, begrijpelijk, scherp af. Als iemand met bazige, grove methode en harde handen uw innerlijk wil aftasten, dan néémt u dat niet. Juist het aanleggen van een toetssteen der genade vraagt zeer geoefende, gewassen, bevoegde handen. Ons dunkt, dat Van der Groe dat , meer verstond dan sommige van zijn volgers en willen dat volgend maal nog nader onderzoeken.

V. d. L.

I

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 september 1957

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Theodorus van der Groe 2

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 september 1957

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's