De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DE DORDTSE LEERREGELS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE DORDTSE LEERREGELS

10 minuten leestijd

Van deze hunne eeuwige en onver­onveranderlijke Verkiezing ter zaligheid worden de uitverkorenen te zijner tijd, hoewel hij bij onderscheidene trappen en met ongelijke mate, verzekerd; ......als zij de onfeilbare vruchten der Verkiezing, in het Woord Gods aangewezen (als daar zijn: het waar geloof in Christus, kinderlijke vreze Gods, droefheid die naar God is over de zonde, honger en dorst naar de gerechtigheid enz.) in zichzelf waarnemen.

HOOFDSTUK 1, ARTIKEL 12

Het leek mij niet onjuist dit artikel 12 en de daarin uitgesproken belijdenis van de zekerheid der verkiezing nader toe te lichten vanuit de vergelijking met andere meningen. Onze vaderen waren bij de opstelling van de Dordtse Leerregels in een strijd gewikkeld met de Remonstranten. Voorts waren daar nog de oude vijanden uit de R. K. Kerk. Wat de Remonstranten betreft, die leerden, , , dat er in dit leven geen vrucht en geen gevoel is van de onveranderlijke verkiezing ter heerlijkheid ; ook geen zekerheid dan die hangt aan een veranderlijke en onzekere conditie". Wat is die conditie? Dat de mens volhardt in het geloof. Natuurlijk kennen of erkennen de Remonstranten geen vrucht van een onveranderlijke verkiezing, want bij hen hangt het van de mens af. Zoals de Remonstranten het op de Dordtse synode formuleerden : , , God heeft geordineerd, dat Christus zij de verzoening voor de zonden der ganse wereld, en uit kracht van dit besluit heeft Hij besloten degenen, die in Hem geloven, te rechtvaardigen en zalig te maken, en de mensen middelen, tot het geloof nodig en genoegzaam, te verschaffen, op zodanige wijze als Hij weet Zijner wijsheid en gerechtigheid betamelijk te zijn. Maar Hij heeft geenszins besloten, uit kracht des volstrekten besluits, Christus, de Middelaar, den uitverkorenen alleen te geven, en dien alleen door een krachtige roeping het geloof te geven, te rechtvaardigen, in het geloof te bewaren, en te verheerlijken". Dit heeft Episcopius als het gevoelen der Remonstranten voorgelezen. Hij kon de belijdenis der helpende genade niet duidelijker geformuleerd hebben. Maar tevens is ook het andere verschil klaar. Niet alleen de uitverkorenen, maar de mensen in het algemeen krijgen van God de middelen die tot geloven nodig en genoegzaam zijn. Dat is op 't ogenblik weer de heersende leer in de Hervormde Kerk, voorzover ik het bezien kan. Dat God onderscheid maakt ontkenden de Remonstranten en wordt ook vandaag aan de dag door velen ontkend. Omdat nu de zaligheid voor de Remonstranten in beginsel van de mens afhangt en men nooit kan weten, wat die mens tenslotte kiezen zal, ontkenden zij, dat er zekerheid bestond van een uiteindelijke verkiezing Gods. Daarentegen stelden de Dordtse vaderen in hun adviezen, dat de kinderen Gods van hun verkiezing zeker kunnen zijn. De Theologen van Groot-Brittanje oordeelden als volgt: „Wij bekennen wel, dat wij onze verkiezing niet kunnen vernemen van voren aan, d.i. uit het besluit van de praedestinatie zelf; maar de eigen uitwerkselen derzelve kunnen we vernemen en van de eigen werking tot de oorzaak gaat de bewijsreden vast". God werkt in de uitverkorenen, dit werk draagt vruchten, deze vruchten kan de gelovige waarnemen. Dit is het grondpatroon van de zekerheid, die onze vaderen beleden. Wat zijn nu die vruchten, die de bewijsreden vast maken? Deze vraag lijkt mij hierom van gewicht, omdat er door sommigen geleerd wordt, dat de aanbieding van genade alleen aan de uitverkorenen mag geschieden. Stellen nu de Dordtse vaderen het zo, dat er vruchten der verkiezing zijn vast te stellen, voordat men tot het geloof in Christus is gekomen, zodat men op grond van die geconstateerde vruchten zou mogen geloven ? Ik meen stellig van niet. Niet de bekommerden of de zoekenden vertonen de vruchten, maar de gelovigen. Bekommering en zoeken kan ook uit de algemene werkingen des Geestes opkomen. Maar het ware geloof in Christus is altijd vrucht van de bijzondere zaligmakende werkingen. Hoe hebben de Dordtse afgevaardigden dat gezien ? De Hessen geven deze uitspraak: , , zo wie verzekerd kan wezen van zijn krachtige roeping, geloof in Christus, rechtvaardigmaking en heiligmaking, die kan ook zeker zijn van zijn verkiezing ten eeuwigen leven, De reden is, omdat de krachtige roeping, geloof in Christus, rechtvaardigmaking en heiligmaking beide aan elkander en aan de verkiezing noodzakelijk vast hangen; Rom. 8 : 29, 30 ; Hand. 13 : 48 ; Efeze 1 : 4 Nu een ieder ware gelovige kan verzekerd wezen van zijn krachtige roeping, geloof in Christus, rechtvaardigmaking, heiligmaking; 2 Cor. 13 : 5".

Het is zo wel duidelijk, dat het niet de bedoeling is om met vruchten der verkiezing aan te nemen tot het geloof te brengen, maar dat alleen de ware gelovige die Vruchten bij zichzelf kan waarnemen door het licht des Geestes. Dat moet er nog bij. Rom. 8:16.

Dat de zekerheid der verkiezing alleen in de ware gelovigen kan zijn belijden ook de Zwitsers heel duidelijk. De vaderen predikten niet: gij die de kenmerken der verkiezing vertoont, komt tot het geloof ! Neen zij riepen vermoeide en belaste zondaren, goddelozen, machtelozen, die door Gods Geest aan hun diepe val in Adam ontdekt waren, zoals ook de Heiland de zondaren riep. Wat verklaarden dan de Zwitsers ? , God die Zijn uitverkorenen zegent met alle geestelijke zegeningen; die hen, als vijanden, voor de grondlegging der wereld lief gehad heeft, en nog liever heeft in Christus, verzoend zijnde; die misgunt voorwaar zijn kinderen, die nu geroepen, bediend, gerechtvaardigd en geheiligd zijn, niet het gevoelen en de smaak hunner verkiezing, en de toekomende heerlijkheid in dit sterfelijk leven, maar stort overvloediglijk Zijn liefde in hun harten uit, en maakt hen, door de Geest der aanneming, zeker van de vergeving der zonden, en van de verworvene zaligheid door Christus" ...

Het is hier duidelijk, dat geen menselijke redenering, doch de H. Geest tot deze zekerheid brengt. Dat is van belang, omdat men het wete, dat geen predikant of ouderling het een ander kan bewijzen, dat hij uitverkoren is en dat nu geloven moet. De kenmerken der verkiezing liggen in de gelovigen en bestaan in de roeping, rechtvaardigmaking en heiligmaking, doch om deze vruchten der verkiezing goed te zien, is de Heilige Geest nodig.

De Geneefse theologen zijn zeer beslist in hun advies, zij zeggen: , , God geeft de uitverkorenen in dit leven, kennis, gevoel en zekerheid dezes besluits, in zulk een mate, wijze en tijd, die het Hem belieft. En daar is geen uitverkorene, die niet, zijnde tot zijn verstandige jaren gekomen, voor zijn dood gewisse verzekering van dit besluit door de H. Geest ontvangt".

Zij ondersteunen hun advies met krachtige teksten b.v. 1 Cor. 2:12: , , Wij hebben niet ontvangen de geest der wereld, maar de Geest, die uit God is, opdat wij zouden weten de dingen, die ons van God geschonken zijn" ; 1 Thess. 1:4: , , Wetende, geliefde broeders, uw verkiezing van God".

De Nederlandse professoren geven het volgende gevoelen : Alhoewel in de uitverkorenen, vóór hunlieder krachtige roeping, altijd geen gevoelen der verkiezing zij ; en dat ook datzelfde gevoel, na die roeping ; overmits verscheidene zwakheden, benauwdheden en bestrijdingen der conscientie, aan dewelke zij in dit leven dikwijls onderworpen zijn; somtijds zwak en duisterachtig en enigszins afgebroken zij, zo is het, dat zij nochtans niet minder van hun verkiezing als van hun krachtige roeping en rechtvaardigmaking, uit hun geloof, . door de vruchten huns geloofs en door de inwendige verzegeling des Heiligen Geestes verzekerd kunnen zijn, en ook moeten zijn, en dat naar de gelegenheid en mate huns geloofs, 't welk hun van God gegeven is".

Dus vóór de krachtige roeping altijd geen gevoel der verkiezing, d.w.z, nooit. Wat is die krachtige roeping ? Is dat hetzelfde als ontdekking aan de zonde of aan het Godsgemis ? Neen, de krachtige roeping is door het evangelie en is de ontdekking van Christus. In de krachtige roeping wordt het verstand verlicht en de wil omgebogen. Zij is de wedergeboorte zoals God die werkt in de uitverkorenen, de actieve wedergeboorte. De krachtig geroepene neemt Christus aan door een waar geloof. Na deze roeping is er zekerheid over de verkiezing te verkrijgen.

Het is duidelijk, dat de gelovigen van hun roeping en verkiezing verzekerd kunnen zijn, maar niet, die nog vóór deze roeping staan, en het geloof in Christus missen. Gomarus schrijft het zo: , , de gelovigen zijn verzekerd in dit leven van hun genadige verkiezing". De Geldersen hebben in hun advies een formele sluitrede opgenomen. De lezers weten, dat een sluitrede of conclusie de vorm heeft van twee stellingen, die onwrikbaar vast staan, waaruit dan een derde wordt afgeleid. B.v. 1. Alle mensen zijn sterfelijk. 2. Pieter Steenveld is een mens. 3. Pieter Steenveld is sterfelijk. De Geldersen laten de gelovigen zo redeneren : 1. Al degenen over dewelke God heeft willen ontfermen, dezelve zullen onfeilbaarlijk zalig worden. 2. Over mij heeft God zich willen ontfermen. 3. Dus zal ik onfeilbaarlijk zalig worden. Dit noemt men een syllogisme en in dit verband spreekt men van een syllogismus practicus, een sluitrede uit de praktijk van het leven, laat ik het ditmaal zo mogen vertalen. Wat verstaan de Geldersen nu onder deze ontferming? Zij zeggen: , , 1. Hij heeft mij aan Christus gegeven, hetwelk ik besluit uit mijn levend geloof. 2. Hij heeft mij krachtiglijk geroepen. En zulks besluit ik mede uit mijn geloof. 3. Hij heeft mij aangenomen tot een kind door Christus. Zulks leert mij de Geest der aanneming tot kinderen, met dewelke ik verzegeld ben. 4. Hij heeft mij gerechtvaardigd. Zulks weet ik uit de vrede van mijn geweten. 5. Hij heeft mij geheiligd. Zulks getuigt mij ten dele mijn leven en bijzonderlijk de gestaltenis mijns, gemoeds en van mijn geweten."

Uit deze adviezen, die de achtergrond vormen van artikel 12 is wel duidelijk, dat de daarom genoemde vreze Gods en het hongeren en dorsten naar de gerechtigheid niet tot de ontdekking, maar tot het leven der wedergeboorte en der heiligmaking behoren. Karl Barth is niet erg te spreken over artikel 12. Hij vindt de inhoud daarvan , , schwer ertraglich", moeilijk te verdragen. Daar geeft hij deze reden voor op. (K.D. II blz. 370). Het getuigenis van de werken mag niet van het zelfgetuigenis van Christus en van de belofte der vergeving, ja helemaal niet van het objectieve woord van God los gemaakt worden en tegenover het onderzoekelijke decreet Gods gesteld worden alsof het (getuigenis der werken) in zichzelf de kracht heeft, het geheimenis te doorbreken of alsof toch tussen Gods Raadsbesluit aan de ene kant en de menselijke vroomheid en moraal aan de andere kant een verhouding zou bestaan als tussen communicerende vaten". De kracht van dit bezwaar kan ik niet zo goed gevoelen. Het bezwaar lijkt op een misverstand te berusten. In artikel 12, dat is uit de formulering en uit de adviezen wel duidelijk, gaat het niet over de menselijke vroomheid als zodanig. Het gaat in artikel 12 over het werk Gods. Van dat werk Gods legt het geloof in Christus getuigenis af. Het geloof is immers een gave Gods (Efeze 2 : 8, Fil. 1 : 29). God begiftigt sommigen met dit geloof. Die sommigen zijn de uitverkorenen. Nu kan men toch moeilijk stellen, dat het geloof een zaak is, waarvan men nooit kan weten, dat men het heeft. Datzelfde moet men zeggen van droef­heid naar God over de zonde en van hongeren en dorsten naar de gerechtigheid. Deze twee uitdrukkingen herinneren ons aan de zaligsprekingen. Het gaat niet om de vrome werken des mensen, maar om de gesteldheid des harten en dit geloof is weer een vrucht der verkiezing. Barth meent, dat hier een groot verschil met Calvijn geconstateerd moet worden, doch ik waag het om ook dit te bestrijden. De uitspraken der Dordtse vaderen liggen geheel in de lijn van de grote Hervormer. Deze schrijft (Inst. III, 21, 7), , , dat God door een eeuwige en onveranderlijke raad eenmaal besloten en verordineerd heeft wat voor mensen Hij namaals tot de zaligheid verkiezen en aannemen en wederom wat voor mensen Hij tot het verderf verwerpen wilde. Wij beweren ook, dat deze Raad (zoveel de uitverkorene belangt) gegrond is in zijn onverdiende barmhartigheid zonder enig aanzien der menselijke waardigheid. En dat degene die Hij de verdoemenis toeeigent wel door Zijn rechtvaardig en onberispelijk, m.aar nochthans onbegrijpelijk oordeel de toegang tot het leven wordt dichtgesloten. Daarbenevens zeggejn wij, dat de roeping voor de uitverkorenen een getuigenis is van hun verkiezing. En dat daarna de rechtvaardigmaking een tweede teken is waardoor de verkiezing hen geopenbaard wordt".

De roeping is kenbaar door het geloof in Christus. Zo zijn in artikel 12 en bij Calvijn niet de menselijke werken, doch de daden Gods in de mens de vruchten der verkiezing, die zekerheid geven over de verkiezing Gods betreffende mij, telkens wanneer de Heilige Geest zijn eigen werk toelicht.

L.V.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 september 1957

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DE DORDTSE LEERREGELS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 september 1957

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's