De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Theodorus van der Groe 3

Bekijk het origineel

Theodorus van der Groe 3

10 minuten leestijd

We zouden nog wat nader ingaan op de Toetssteen van ware en valse genade. Reeds de titel hiervan is  o.i. niet erg gelukkig en zelfs onjuist. Van der Groe past zich aan bij het populaire spraakgebruik, dat van Gods genade spreekt als van iets, dat men hebben, bezitten kan. Genade wordt dan tot het innerlijk bezit van de mens. Maar zo spreekt de Schrift er niet over en met name Calvijn heeft niet gewild, dat men zo Gods genadige gezindheid tot een ding zou maken. Voor de Schrift en voor Calvijn (ook voor de meeste gereformeerde auteurs) is de genade die gezindheid toch, die Hij door Zijn Woord ons bekend maakt, en waaruit Hij ons geeft te leven.

In de Roomse theologie is de genade tot een iets, een ding geworden, dat de mens door de Sacramenten a.h.w. wordt ingegoten, maar dat heeft de Hervorming juist scherp bestreden.

Daaruit moet volgen, dat het weinig gelukkig kan heten, van ware en valse genade te spreken. Onbedoeld doet men daar de Here oneer mee aan, want het behoort toch tot het abc des geloofs. God als de Waarachtige te erkennen en dus al Zijn genadige beloften waar en getrouw te achten. Dat laatste zal Van der Groe van heler harte belijden, maar juist daarom dunkt ons, dat zijn spraakgebruik te ontheologisch is en daarom faalt. Als hij spreekt van ware en valse genade bedoelt hij het juiste en het verkeerde gebruik, dat onder de mensen van, die beloften van God gemaakt wordt; de juiste of de kwade levenstrant, die zij daaruit ontlenen. Van der Groe had beter kunnen zeggen : , , Waar en vals geloof of: ware en valse zekerheid des heils en aangaande Gods genade. Dan had hij, met de Schrift en de Gereformeerde theologie de genade niet onderscheiden, daar ze naar haar aard eenvoudig is, maar dan had hij temeer op de vruchten der genade in ons gewezen en gevraagd : Zijn die rijp en zoet of onrijp en wrang ? Het past in dit getekende spraakgebruik van Van der Groe, dat er wel gesproken wordt van gestolen genade. Dat is een heel begrijpelijke, maar ook een totaal onhoudbare uitdrukking. Zou de Here zich dan Zijn gezindheid laten ontstelen ? Alweer moeten we, zonder hinderlijk te vitten, de zaak rechtzetten en zeggen : Gods genade kan nooit gestolen worden, juist omdat ze geen ding is, maar iets van geestelijke aard. Men kan de belofte van Gods genade ten onrechte op zichzelf toepassen en zo mogelijk deze toepassing , , stelen". Maar ook daarbij moeten we op onze hoede zijn tegen een fijn Pelagianisme, dat de algehele vrijheid en vrijmacht van Gods genade bedreigt en heimelijk toch weer iets in de mens als grond ervan aanneemt.

Het boek, welks titel we dus niet bepaald gelukkig gekozen vinden, bedoelt nu juist wèl, alle fijn (en grof) Pelagianisme af te snijden. Het gaat er de auteur om, te bespreken of die genade van God algemeen dan wel bijzonder is en, waar dat laatste het geval is, wie de voorwerpen van dit genadebetoon zijn. Hij heeft zich daarbij aangesloten bij de loop van de H. Catechismus, die, met name bij z'n onderscheiding van waar geloof tegenover namaak een zelfde gang gaat als de auteur. Toch dunkt ons, dat de Heidelberger, als leerboek vooral voor de jeugd, toch wel een ander en eenvoudiger doel nastreeft, dan dat Van der Groe beoogt, zodat de auteur o.i. beter een eigen, zelfstandig boek had geschreven. Zoals het nu staat, moet hij aan hele stukken van de catechismus voorbij gaan, omdat die zich voor zijn zo toepasselijk doel niet lenen.

In zijn inleiding verklaart hij zijn bedoeling en we zouden elk, die zelf iets van Van der Groe wil hebben gelezen en die aan de lectuur van de hele Toetssteen (van een kleine 1000 blz.) niet toekomt, willen aanraden, althans deze inleiding te lezen. Van der Groe neemt zijn punt van uitgang in de Gereformeerde Kerk van zijn dagen en houdt die (ettelijke jaren nadat Comrie en Holtius dat deden) voor, wat de Dordtse Vaderen toch bedoelden : Ze bedoelden : dat het leven uit het geloof en het roemen in de Geest en in de genade waarheid en leven zou zijn en geen geveinsdheid en napraterij.

Dat betekent, dat de zelfbeproeving elke mens en elke christen broodnodig is. Hij weet intussen zeer goed, dat men hiervoor gewassen handen moet hebben, veel zelfkennis en veel mensenkennis. Daarom zijn mensen, die alleen maar rijk zijn geworden, zonder door diepste armoede te zijn heengegaan, tot dit kiese werk geheel ongeschikt.

Van der Groe wil ook niet goedkeuren, wat onder ons nog al eens gehoord wordt, dat men. eens anders geestelijk leven naar harte- (lees : vleses-) lust kan trappen en kleineren, omdat het, als het maar echt is, dat toch wel te boven komt. Zulke onmenselijke methoden zal geen landman en geen veeteler ooit toepassen. Zou het leven uit Gods genade dan bepaald tegennatuurlijk moeten zijn?

Naar ons besef worden hier, uit diepe onkunde en blinde inbeelding, methoden toegepast, die alleen maar alle geestelijk leven kunnen verknoeien en verkrachten.

Van dit wrede, schandelijke optreden neemt Van der Groe bepaald afstand. Het is heel wat anders, als hij, zeer schriftuurlijk, wil dat het leven uit de genade, dus het geloof en de bekering diepgaand en radicaal zullen zijn en niet half. Hij wijst aan, , dat, wanneer men de verhouding van Wet en Evangelie omkeert en het strafambt van de H. Geest kleineert, men bomen zonder wortels krijgt en die daarom ook zonder vrucht blijven. We proeven daarin iets van het vermaan van de brief van Jacobus en moeten wel opmerken dat in het algemeen veel van Jacobus bij hem terugkeert.

In dit nadruk leggen op de noodzaak van zelfonderzoek ontbreekt de liefde niet, al geeft Van der Groe daar weinig (te weinig) bepaalde uitdrukking aan. Hij heeft in het algemeen iets getemperds en ingehoudens, waarvan we toch niet zouden willen zeggen, dat het op koudheid zou wijzen. De gevoeligheid van Hozea of Jeremia kent hij niet, hoewel hij menigvuldig klaagt over de geestelijke armoede van een boze tijd. Vergelijking met de Erskines, die we al eerder noemden, valt o.i. ten gunste van deze laatstgenoemden uit. Maar we willen weer niet vergeten, dat de pruikentijd een zekere statigheid heeft ontwikkeld, die aan spontaneïteit bepaald niet ten goede komt. En het is stellig niet toevallig, dat op de Verlichtingstijd (18e eeuw) de Romantiek volgt (19e eeuw), die zeer sterk op gevoel en gemoed de nadruk legt.

Voor dat laatste is Van der Groe kennelijk bang geweest. Hij heeft meegemaakt de bekende geestelijke opwekkingsbeweging, die zeer bijzonder aan Nijkerk een grote vermaardheid gaf, maar die op tal van andere plaatsen in ons land en erbuiten, aan de dag trad. Die , , Nijkerkse beweging" met z'n uitlopers, had een zeer emotioneel karakter. Velen, oud en jong, werden plotseling aangegrepen door een besef van zonde en verlorenheid; er werd geroepen, geworsteld, gezucht en gekropen en er werd dag aan dag haast niets anders gesproken dan van zonde en genade. Het kwam daarbij tot uitbundigheden, die men heeft moeten keren en tenslotte is de beweging weer zo verdwenen als ze gekomen was.

Merkwaardig nu, dat Van der Groe, die zo zucht onder geestelijke starheid en onaandoenlijkheid, zich niet verblijd heeft over die beweging in Nijkerk, Werkendam enz., in de hoop dat dit een doorbraak ten leven zou betekenen. Zijn oordeel over deze beweging is integendeel scherp afwijzend. Hij vindt dit alles te lawaaierig, te menselijk, te ondiep. In dat oordeel proeven we de auteur van de Toetssteen, die het niet om een massa steen gaat, maar om het weinige goud in het erts. Blijkbaar heeft hij het goudgehalte van 't , , Nijkerkse" erts bedroevend laag gevonden en er daarom zo de staf over gebroken. We opperen toch wel: had hij niet kunnen zeggen: Verderf het niet, er kan toch een zegen in schuilen? Het valt altijd nogal makkelijk om over Heilsleger en Billy Graham een kort, hard oordeel te spreken. Maar kan een zo arme tijd als die van Van der Groe en de onze zich dat veroorloven?

We kunnen intussen wel vatten waarom Van der Groe toch wel niet anders kón. Hij heeft als goed theoloog een zeker methodisme geroken, dat hem lijkt te botsen met de leer van de Heilige Geest, zoals hij die kent. Tegen al die opwinding, die met het Methodisme allicht gegegeven is, stelt hij, dat bij Horeb de Here niet kwam in een verzengende vuurgloed zowel als in stormwind, die rotsen breekt, maar in het suizen van de zachte stilte. Verrassend lijkt ons deze wending : ze openbaart ons de mysticus, al is die dan, begrijpelijk, op allerlei wijze, 18e-eeuws gekleed en begrensd.

We wezen de verwantschap van Van der Groe met Van Lodenstein en De Labadie aan. Dit doet ons zeggen: dan kan de grond van die felle boeteprediking over land en kerk wel geen andere grond hebben dan een grote liefde tot die beide, maar die door veel teleurstelling is gewond en ook verbitterd.

Zoals we bij Comrie en Holtius aanwezen, dat geloof en rechtvaardiging op klassiek gereformeerde wijze in het middelpunt van de belangstelling staan, zo moeten we het ook bij Van der Groe vaststellen.

Hij sluit de rij van de grotere figuren van de Nadere Reformatie af. Maar al is hij een laatste: hij is geen epigoon. Met grote kracht heeft hij, als Comrie, de eigenschappen des geloofs in het licht gesteld en in een eeuw van moralisme, die een braaf leven met het christenzijn gemakkelijk doet samenvallen, heeft hij het, begrijpelijkerwijze, moeilijk gehad. In de Toetssteen neemt het werk van de Heilige Geest een breder plaats in dan in dat van velen, die, vermaarder naam dragen dan hij, en geloof en rechtvaardiging-om-niet, nemen er een centrale plaats in. Dat doet ons zien, hoezeer bij alle wisselingen van tijden en mensen het kostbare kleinood van de Hervorming met grote trouw en zorg is bewaard gebleven. Juist die klassieke uiteenzetting van het geloof bij Comrie en Van der Groe, aan het eind van de verlichtingstijd en aan de vooravond van de revolutietijd, waarin de kerk geweldig zal worden geslingerd, doet ons denken aan een vruchtboom, die nog eens op z'n rijkst bloeit en draagt, eer hij sterven gaat. Maar de Nadere Reformatie is niet gestorven, maar heeft de winterstormen en winterslaap overleefd. Als in de tijd van het Réveil het oude Evangelie van zonde en genade, van rechtvaardiging-om-niet, van de toegerekende borggerechtigheid van de Goël weer klinkt, dan hebben we de overtuiging, dat hierin een stuk van de erfenis van de Nadere Reformatie voorleeft, dat we, hoewel het niet onveranderd blijft, toch meer pogen te waarderen, dan Van der Groe dat durft met betrekking tot de Nijkerkse opwekking. Dat zou wel de aanleiding kunnen zijn, om, waar onze reeks artikelen over de Nadere Reformatie ten einde spoedt, daarna aan het Réveil onze aandacht te gaai} schenken, waarbij een vergelijking met de Nadere Reformatie uiterst instructief kan zijn.

Voor ditmaal besluiten we onze schets over Van der Groe. We hopen nog te geven een bespreking van zijn vermaarde Biddagspreken, waarover we al iets zeiden en waarin hij vooral zelf aan het woord moet komen.

Zoals uit het tot nu toe gebodene blijkt, valt het ons moeilijk, een beoordeling uit één stuk over Van der Groe te geven. We hebben vooral op de lichtkanten gewezen, zonder de schaduwzijden te verzwijgen. Als de Biddagspreken gesproken hebben, pogen we een afronding van onze beoordeling te bereiken.

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 oktober 1957

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Theodorus van der Groe 3

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 oktober 1957

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's