AFWIJKINGEN RECHTS EN LINKS
„Bij alle overeenstemming tussen Luther en Calvijn, droeg de heilsorde in de gereformeerde theologie toch van huis uit een geheel ander karakter", zo schrijft prof. Bavinck in zijn Dogmatiek. (Dl. III, blz. 593).
Dit is ook zo. Bij Luther, althans in de Lutherse theologie, vallen roeping, berouw, wedergeboorte in feite buiten de weldaden des geloofs. Zij dragen een voorbereidend karakter. Zij leiden naar Christus heen. Men kan ook zeggen : zij leiden naar het geloof in Christus heen. Als het geloof dan Christus en Zijn weldaden aanneemt, wordt de mens vrijgemaakt van de Wet en treedt hij in gemeenschap met de Christus.
Op deze geloofsdaad (na de genoemde voorbereiding) valt alzo het zwaarste accent in deze beschouwing. De Christenmens moet dat geloof voortdurend oefenen en vasthouden om de geestelijke goederen vast te houden, want, indien hij dat niet doet, loopt hij gevaar alles weer te verliezen. De Lutheraan moet dus de zaligheid in zijn geloof zoeken en trachten te behouden.
De eigenaardige verhouding in deze beschouwing tussen roeping, berouw, wedergeboorte (in één woord ; bekering) en geloof, valt wellicht te verklaren uit de zware strijd, welke Luther heeft doorgemaakt toen hij , , onder de Wet", was. Heel die strijd ziet hij als voorbereiding, en het geloof, dat daarop volgde, maakte hem vrij van de Wet. Geloof krijgt dus wel sterk het karakter van vrij zijn van de Wet, en dat is een belangrijk stuk van de zaligheid des geloofs.
Mag dit enige verklaring geven van uit het leven van Luther, toch wordt ook het karakter der Lutherse theologie zo geheel anders, omdat zij de leer der praedestinatie op de achtergrond drong. De gereformeerde theologie ziet het ganse werk der genade in het licht der praedestinatie en van het verbond.
Daarmede is reeds het voornaamste verschil naar voren geschoven tussen de Lutherse en gereformeerde theologie. Hoewel in onze dagen duidelijk een kerkelijk streven aan de dag treedt, dat onbeschroomd afkeer van de geref. confessie en Lutheraniserende tendenzen vertoont, is het toch onze overtuiging, dat de theologische methode, waarin Calvijn ons voorgaat, niet alleen verschillende geloofsstukken beter tot hun recht laat komen, maar ook het centraal verband tussen die geloofsstukken op een wijze laat zien en tracteert, welke aan zijn theologie enerzijds een echt wetenschappelijk karakter schenkt en anderzijds, wat niet van minder waarde is, tot een behandeling voert, welke met het leven der Kerk in overeenstemming is.
Calvijn immers gaat uit van het eeuwig besluit Gods, dat wij verkiezing noemen.
Dit betekent derhalve, dat in de eeuwigheid reeds de toerekening van de weldaden van Christus aan de Zijnen besloten is. In dat besluit Gods is de band tussen de gemeente en de Christus reeds gelegd. In de Raad Gods heeft die gemeente Hem reeds tot een Hoofd en is zij in Hem één gemeenschap als leden van Zijn lichaam. In die Raad ook is die Middelaar voor de Zijnen ingetreden en heeft Hij voor hen al de goederen des heils verworven. Al deze goederen zijn in Hem voorwerpelijk aanwezig.
Wij hebben daarop in ander verband ook reeds gewezen, n.l. toen werd gehandeld over het geloof als gave Gods, zodat wij er thans niet meer uitvoerig op ingaan.
Wat er in de Raad Gods is, wordt, zodra wij daarbij betrokken worden, in het geloof geopenbaard, zodat wij ons daarvan bewust worden. Dat betrokken worden wil zeggen, er bij betrokken worden, n.l. bij de weldaden in Christus, waarin wij naar Gods bestel persoonlijk mogen delen. Geloof is waarlijk openbaring, laat mij zeggen persoonlijke openbaring, en daardoor tot deelgenoot worden van die hemelse weldaden.
Zijn mededeling en de verwerkelijking van de Raad Gods in degenen, die de Zoon door de Vader gegeven zijn, behoort dus ook tot het Middelaarswerk van Christus. En om dat te volbrengen, heeft Hij ons Zijn Woord gegeven en Zijn Geest uitgestort, terwijl Hij in Zijn heerlijkheid is ingegaan om het Vaderhuis met zijn vele woningen te bereiden.
Duidelijk kan nu zijn, dat alle werkingen des geloofs uit de Christus zijn : roeping, berouw, wedergeboorte, rechtvaardigmaking, heiligmaking en verheerlijking. , , Want, die Hij tevoren gekend heeft, die heeft Hij ook tevoren verordineerd den beelde Zijns Zoons gelijkvormig te zijn, opdat Hij de Eerst geborene zij onder vele broederen, en die Hij te voren verordineerd heeft, dezen heeft Hij ook geroepen, en die Hij geroepen heeft, dezen heeft Hij ook gerechtvaardigd, en die Hij gerechtvaardigd heeft, dezen heeft Hij ook verheerlijkt". (Rom. 8 : ^ 29 v.).
Omdat alle weldaden der genade in de Christus zijn en niet in ons, zal ook geen mens deel aan deze weldaden verkrijgen, tenzij God Zelf hem daarbij betrekt en met hem in gemeenschap treedt.
Voorts verschijnt ook het werk van de toepassing der genade in alle hoofdstukken, welke daarin worden onderscheiden, in het licht van Gods Drieëenheid: Vader, Zoon en Heilige Geest, daar de drie Personen van het goddelijk Wezen zich daarin openbaren.
Men leze het zoeven aangehaalde hoofdstuk uit de brief aan de Romeinen, om zich daarvan te overtuigen.
In de theologie heeft de heilsorde uit de aard der zaak altijd een rol vervuld, al is zij niet altijd een onderwerp van uitvoerige behandeling geweest. Zakelijk is de heilsorde altijd in het geding en als algemene regel door alle perioden der geschiedenis heen kan men zeggen, dat de weg des heils steeds als een weg van geloof werd gezien.
Men wachte zich echter voor de mening, als zou het geloof altijd zuiver gesteld zijn.
Vandaar ons opschrift: links en rechts. Afwijkingen
Zoals de weg des heils door de historie heen in hoofdzaak door het geloof werd bepaald, zo kan men ook de afwijkingen terug brengen tot een zich altoos herhalend schema : de zaligheid is een werk Gods in verwerving en toebedeling, óf de beslissing ligt bij de mens, óf men zoekt een middenweg : Niet teveel over de praedestinatie spreken, maar God wat en de mens wat.
Het reformatorische , , door het geloof alleen", wordt dan ook weinig in de diepte verstaan.
Wij hebben gezien, dat Lutheranisme en Calvinisme ook in dit stuk reeds uit elkander gaan en niemand zal kunnen ontkennen, dat de Lutherse Kerk reeds spoedig is afgegleden naar de kant van, wat met een vreemd woord „synergisme" wordt genoemd, en door ons zoeven werd getypeerd als God wat en de mens wat. Dat is geen mooie vertaling, maar in ieder geval een duidelijke.
Ook aan de andere kant kan men een ontwikkeling aanwijzen, die schijnbaar aansluitend op de thelogische uiteenzetting van Calvijn, voertuig is geworden van een ongebonden libertijns , , Christendom". Dat is alzo een afwijking naar rechts, welke in haar einde uiterst links uitmondt.
Aan het begin van deze beschouwing schijnt men uit te gaan van de boven uiteengezette werkelijkheid, dat alle weldaden in Christus zijn en dat Christus alle gerechtigheid heeft volbracht, welke voor God te doen was. Ook spreekt men van het besluit Gods, waarbij dat alzo werd bepaald en waarin het alzo ligt besloten.
Wat men echter niet doet ? Men maakt geen onderscheiding tussen de verwerving van alle weldaden der genade in Christus en de toebedeling daarvan aan de gemeente.
Daarentegen maakt men het deelgenootschap aan die weldaden algemeen. In de verwerving is de toebedeling begrepen, zegt men. De verwerving is in en door Christus een feit geworden en het heil is daarin voor allen verworven.
Dit betrekt men dan verder op het besluit Gods. God heeft besloten dit alzo te doen en het heil aan allen te schenken. In Christus is dit werkelijkheid geworden.
Gelijk verkeerde conclusies uit het stuk der praedestinatie worden getrokken, omdat men deze niet verstaat, zo ook hier.
Hoevelen zijn er niet, die de leer der verkiezing tot een oorkussen hunner goddeloze traagheid maken, en de verantwoordelijkheid van zich afschuiven, vergetende, dat zij bij God in rekening staan ?
Welnu, de libertijnse geest, op welke wij het oog hebben, maakt ook misbruik van het absoluut besluit Gods, waarop hij zich terugtrekt. Immers, hij zegt, in dat besluit ligt het alles vast. God heeft Zijn liefde in Christus geopenbaard. En dat was de eigenlijke bedoeling van God. Hij wilde Zijn liefde voor alle mensen bekend maken door Christus.
Van zoenverdiensten geen sprake. Christus heeft ook eigenlijk die goederen des heils niet verworven, zo redeneert men. Dat was niet nodig, want God had besloten ze te schenken. Christus heeft het alleen maar bekend gemaakt.
En zo hebben wij ook niet anders nodig dan met deze openbaring van Gods liefde in kennis tè worden gebracht. Christus heeft het op aarde bekend gemaakt en wij hebben nodig er mede bekend gemaakt te worden. De mens behoeft slechts tot het inzicht te komen, dat hij in Christus volmaakt is, ja, dat hij in Gods besluit volmaakt is. Geloven is derhalve geloven in zijn volmaaktheid in het besluit, en de waan der onvolmaaktheid afleggen. In deze beschouwing is ook de zonde slechts waan, en ten onrechte bekommert men zich vanwege Gods toorn.
Niet op eenmaal en niet door allen werd op deze wijze de lijn zover doorgetrokken.
Doch deze beschouwingen, voorbereid door de Remonstrantse zienswijze, hebben in de achttiende eeuw toch wel zó ver doorgewerkt, dat velen in Christus niet meer zagen dan een profeet, die de Waarheid Gods verkondigde, zodat het verzoenend werk wegzonk en uit de prediking verdween. De preek werd zedepreek.
Tot in onze dagen heeft de zedepreek het volgehouden, om te bewijzen, dat de mens toch maar bij voorkeur zijn eigen weg naar de hemel zou willen banen en van genade niet gediend wil zijn. Gemakkelijk neemt onze godsdienstigheid de vorm aan van een wettische vroomheid, met een vreemd woord nomisme genoemd. Met meerdere of mindere nauwgezetheid, meer of minder ondersteund door traditionele kennis van het geloof, zoekt men zich de zaligheid te verwerven in werkheiligheid. Op deze wijze vervalt men in de afwijkingen aan de linkerzijde, de wettische kant.
De zoeven getekende afwijking naar rechts wordt in haar consequentie door het tegendeel gekenmerkt van wettische vroomheid. In deze hoek wil men van geen wet of gebod weten. Waar geen wet is, is geen overtreding. Als zonde dus tot waan wordt verklaard, is daarmede ook een negatief standpunt jegens wet en gebod getekend.
Inderdaad kan men ook in onze dagen beschouwingen beluisteren, die aan deze uiterst antinomiaanse geest verwant zijn en praktisch tot dezelfde consequenties voeren voor de levenshouding.
Mogelijk zullen zij niet uitspreken dat zonde waan is, maar zij doen, alsof zij toch heel weinig met zonde en oordeel te maken hebben. Zij zullen niet openlijk zeggen, dat alle mensen in het besluit Gods volmaakt zijn, noch ook dat alle mensen zalig worden, maar zij geven alle aanleiding om te denken dat zulke onderstellingen aan hun beschouwingen niet vreemd zijn.
Calvijn voert ons tussen de dreigende gevaren van afwijkingen in deze beide richtingen doo'r, omdat hij zo nauw bij de Schrift leeft en zowel de verwerving van de weldaden der genade als de toerekening en toebedeling daarvan aan degenen, die daartoe verordineerd zijn, als een werk van God Drieënig heeft leren kennen.
S.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 oktober 1957
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 oktober 1957
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's