De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uitzinnig zijn

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uitzinnig zijn

5 minuten leestijd

„Want hetzij dat wij uitzinnig zijn, wij zijn het Gode". 2 Cor. 5 : 13a.

De apostel Paulus heeft, begrijpelijkerwijze, in zijn dagen, hevig aan kritiek blootgestaan. Trouwens, tot deze dag toe, worden op zijn, in de Bijbel gebundelde brieven, felle aanvallen gedaan. Maar tijdens zijn leven is hij dan ook door vriend noch vijand gespaard.

Hij moest op allerlei fronten tegelijk strijden. De Joden haatten hem met een wrevelige haat, omdat hij de vervloekte Nazarener was gaan volgen. Griekse wijsgeren bespotten hem, omdat zijn verkondiging weinig of niets te maken had met de , , wijsheid der wereld".

Maar ook binnen de vesting moest de apostel zich verdedigen. Van de vijfde kolonne had hij duchtig veel last. Ondergronds poogde men zijn invloed te ondermijnen. Paulus was velen een sta-in-de-weg. Hij was velen te hoekig, te rechtlijnig.

Figuren als Paulus wil men het liefst liquideren; uit het land wijzen als een persona non grata. Men , , moet" ze niet, want ze , , liggen" ons niet. Wanneer mensen als Paulus nuchter, leerstellig redeneren, dan oordeelt men: bah, dat dorre; dogmatische gedoe ook altijd! Soldaten zouden zeggen: ik heb er balen van!

Wanneer mensen als Paulus spreken met glinsterende ogen, met heilig vuur, in laaiend enthousiasme, dan luidt het oordeel: wat stelt die man zich aan! Laat hij toch gewoon doen!

Och, de Heere Jezus wist ook van die eigenzinnige kinderen, die het nooit naar de zin te maken is. Als de meerderheid voorstelt: klaagliederen zingen, dan willen zij niet wenen. Wanneer gezegd wordt: nu goed, op de fluit spelen, dan willen zij niet dansen.

Er zijn mensen, die altijd aanmerkingen maken. Je weet tenslotte niet, welke kant je met ze uit moet. Op zeker ogenblik mag men, dacht ik, deze lieden beschouwen als heiden en tollenaar.

Paulus kon ook nooit goed doen.

Van bepaalde kant werd hem fel verweten dat hij bij tijden , .uitzinnig" was. De apostel was n.l. zeer vatbaar voor de onvatbare dingen. De doorsnee-mens is slechts vatbaar voor hetgeen hij met de ogen zien, met de oren horen, met de handen tasten, met de tong proeven, met de neus ruiken kan. Met andere woorden: voor het zintuigelijk waarneembare. Maar Paulus heeft weet van dingen die men niet ziet.

In 't laatste vers van 2 Cor. 4 zegt hij: „dewijl wij niet aanmerken de dingen, die men ziet, maar de dingen, die men niet ziet. Want de dingen die men ziet. zijn tijdelijk, maar de dingen die men niet ziet, zijn eeuwig."

De apostel sprak soms in tongen, in geestes-klanken. Hij is opgetrokken geweest tot in de derde hemel, in het paradijs ; hij heeft gehoord onuitsprekelijke woorden, die het een mens niet geoorloofd is te spreken. Paulus kende dus een buitengewoon diepe, innerlijke bewogenheid. In die ogeblikken was hij buiten-zichzelf. Hij was als los van de aarde, de tijdelijke, vergankelijke, zintuigelijk-waarneembare dingen. Hij was dan in extase, hij was dan in geestvervoering, hij was dan uitzinnig.

En daarvan maken nu zijn tegenstanders, zijn vijanden hem een verwijt. Maar, aldus verweert de apostel zich, als ik uitzinnig ben, dan ben ik dat Gode. Dan strekt dat tot eer des Heeren. In die ogenblikken verheerlijk ik God op 't Hoogst. Want mijn hele hart, mijn hele wezen is dan aanbidding. Ik kan dan niet in nuchtere woorden de diepte des rijkdoms, beide der wijsheid en der kennis Gods, omschrijven. Ik kan dan slechts een taal spreken, die ongeestelijken als wartaal in de oren klinkt. Maar die uitzinnigheid, daarvan, mijn tegenstanders, kunt u overtuigd zijn, strekt tot meerdere ere Gods. Aan nuchtere woorden ontbreekt het mij. Maar mijn ziel stort zich voor Gods Aangezicht uit, , , gelijk een bron zich uitstort op de velden".

Waar is heden, waar is bij ons deze uitzinnigheid, die tot verheerlijking van de Naam des Heeren strekt? We zitten in onze huiskamers, met onze gezinnen; we zitten in ambtelijke vergaderingen te discusiëren en te debatteren over allerlei uiterlijk kerkewerk. En ik zeg daar geen kwaad van. Natuurlijk niet. In kerkeraadsvergaderingen moeten nu eenmaal allereerst de beslissingen worden genomen, waarvoor de praktijk van het leven (ook het uitwendige kerkelijke leven) ons plaatst. Maar kenmerkt het godsdienstige leven zich niet door lauwheid en botheid? We stuiten nogal eens op het formalisme of verblind fanatisme.

Neen, ik breek geen lans voor dwaas gedweep, voor uitingen van een zieke verbeelding, voor godsdienstige praat, die aan verstandsverbijstering doet denken. Doch ik herhaal nog wel een keer dringend de vraag: waar is heden, waar is bij ons deze uitzinnigheid, die tot verheerlijking van de Naam des Heeren strekt?

Heil ons, indien het ons bij ogenblikken aan woorden ontbreekt; indien we het nu eens niet zo goed en duidelijk en gefundeerd en wel-omschreven kunnen zeggen. Als we eens stotteren en stamelen. U begrijpt me hopelijk? U begrijpt Paulus hopelijk? Laat de wereld zich maar aan onze „uitzinnigheid" ergeren. Zij ergert zich ook, als we niet , , uitzinnig" zijn. Dan krijgt men te horen: die verschrompelde, die vertheologiseerde mensen ook! Hun zielen zijn net zo verdord als de leer, die zij belijden.

De vraag is maar: hebben wij de eer van God en het heil van de naaste op het oog, hetzij wij „uitzinnig", hetzij wij , .gematigd" van zinnen zijn? Zijn we nuchtere mensen, maar tegelijkertijd vatbaar voor het boven-verklaarbare, het bovenverstandelijke? Iets van die zielsverrukkingen zal gekend moeten worden. Ik weet, we moeten hier de grootste voorzichtigheid betrachten. Laten we dit zeggen: het duidelijkste bewijs van de „zuiverheid" van onze , , uitzinnigheid" is dit: de begeerte, om in grote bewogenheid het Evangelie van de Heere Jezus Christus te prediken aan alle kreaturen, waar ter wereld zij ook wonen mogen, welke gelaatskleur ze ook hebben mogen, tot welk ras ze ook behoren mogen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 oktober 1957

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Uitzinnig zijn

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 oktober 1957

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's