De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DE DORDTSE LEERREGELS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE DORDTSE LEERREGELS

11 minuten leestijd

Van deze hun eeuwige en onveranderlijk verkiezing ter zaligheid worden de uitverkorenen te zijner tijd, hoewel bij onderscheidene trappen en met ongelijke mate verzekerd; ... als zij de onfeilbare vruchten der Verkiezing, in het Woord Gods aangewezen .. .in zich zelf... waarnemen.

HOOFDSTUK 1, ART. XII

Dat is me ook wat, zegt prof. Karl Barth. Hoe kan nu de mens iets anders bij zichzelf waarnemen dan goddeloosheid. Dat is dus nog al in tegenspraak met de leerregels. Deze stellen, dat de uitverkoren gelovigen de vruchten der Verkiezing bij zichzelf, zo dikwijls God dit geeft, kunnen waarnemen. Daar is iets om waar te nemen. Dat iets is niet hun eigen werk. Dat iets is Gods werk. God werkt in al zijn uitverkorenen het ware geloof in Christus, kinderlijke vreze Gods, droefheid die naar God is over e de zonde, honger en dorst naar de gerechtigheid enz.

Barth daarentegen schrijft (K. D. II 2, ­S 374) , , Dat de uitverkorene voor zich zelf getuige van zijn verkiezing is, betekent, dat hij zichzelf de Verkiezing van ­Jezus Christus en in en met Hem zijn eigen verkiezing mag betuigen". Aan deze stelling ligt vanzelfsprekend ten grondslag, dat alle mensen uitverkoren zijn en dan krijgen we een theoretisch syllogisme, dat als volgt luidt: , , Alle mensen zijn uitverkoren in Christus. Ik ben een mens. Dus ben ik uitverkoren". Het loopt prachtig, maar het is een vervalsing van de bijbelse openbaring. In Gods Woord staat niet, dat alle mensen uitverkoren zijn. Daar staat dat slechts weinigen het leven zullen vinden en dat velen zullen zoeken in te gaan, doch niet kunnen. De uitverkorenen echter worden alle zalig, want wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods. Barth vervolgt: „Onder de beschouwing der werken, waarin hij voor zich dit getuigenis aanneemt, kan alzo slechts de beschouwing van de werken van Christus verstaan worden: de beschouwing der genade, die hem als een met verwerping bedreigde goddeloze om Christus' wil en door Jezus Christus is toegezegd, de heiligende daden van Christus, wier object hij als Zijn verkorene mag zijn".

Maar hoe weet nu de mens dat hij een uitverkorene is ? De wetenschap daarvan, het getuigenis, dat hij een uitverkorene is kan met zelfbeschouwing en zelfbeoordeling niets te maken hebben. „Wat kan een beschouwen van zichzelf anders betekenen dan dat de goddeloze de goddeloze beschouwt Hier is het verschil duidelijk. En nu begrijpt men ook dat een Bartiaans prediker van het bevindelijke leven niets verstaan kan, doch er ook niets van hebben moet. Het komt mij voor, dat hiermee de werkelijkheid en de kenbaarheid van de werken des Geestes in de mens worden ontkend, in strijd met 2 Cor. 13 : 5.. Maar we laten Barth rusten. Het gaat er mij nu maar om, de betekenis van artikel 12 enigszins breedvoerig toe te lichten. Het gaat over de mogelijkheid van de verzekering der verkiezing, terwijl het voor ons, uit de Heilige Schrift duidelijk is, dat niet alle mensen uitverkoren zijn.

We wenden ons nu verder tot nadere belichting van artikel 12 tot de roomse leer op dit punt. De vaderen immers hadden hun strijd op twee fronten. Een strijd, die de moeite waard was. Want het gaat hier om de hoogste zaken. Wanneer het mogelijk is, zoals artikel 12 zegt, dat God ons verzekert van onze verkiezing en dat de vruchten daarvan in ons leven te vinden zijn, als ze er zijn gegeven, dan onderzoeke een iegelijk zichzelf. Dat is trouwens reeds de vermaning van de Apostel in 2 Cor. 13 : 5. Maar nu Rome. Deze kerk heeft de reformatorische belijdenis van de heilszekerheid verworpen. Het is merkwaardig met Rome. Aan de ene kant verwijt het aan de Reformatie alle houvast en zekerheid te hebben ondergraven door de verwerping van het volstrekte gezag der roomse kerk. Maar dan opeens komt Rome met een ander verwijt en zegt: gij, hervormers, hebt veel te veel zekerheid, gij meent ten onrechte, dat ge persoonlijk verzekerd kunt zijn van uw zaligheid. Hoe ligt dat dan bij Rome? Daar is men theoretisch altijd onzeker. Prof. Wisse vertelt: , , Ik had eens een gesprek met een rooms geestelijke van formaat. Drie uren zaten we met elkander te redeneren. En bij het scheiden vroeg ik hem of we elkander in de hemel zouden wederzien. En hij antwoordde met zoveel woorden : O, dat hoop ik toch van harte. Ik zeide : Hoopt u dat ? Kunt ge niet zeggen : Ja ! Och, zeide hij, soms maar ik kan het nog verliezen. Daar hebt ge het tekort in het roomse stelsel : Christus, die wel de mogelijkheid van zalig worden verwierf, maar niet de werkelijkheid. Waarop ik dan ook antwoordde: Pater, als gij dan niet zeker weet zalig te zullen worden, is dat dan niet een Christus met risico aan Zijn werk verbonden? Dan hebben wij een andere Heere Jezus. En gaat het niet meer om u en om mij, doch om de waarde van die Herder. Gelukkig behoef ik niet te zeggen, dat ik een Herder ken, waardoor het misschien mogelijk is, dat ik er kom als ik goed meewerk. Hij heeft mij zo gekocht met Zijn bloed, dat Hij mij nooit meer verliezen kan. En nu gaat het niet meer om uw of mijn zaligheid, maar of die Herder betrouwbaar is. Een vertrouwde Herder, die op Golgotha Zijn doodssnik uitriep : , , Het is volbracht". Zonder risico, het staat eeuwig vast".

Zo staat juist voor de ernstige roomsen hun zaligheid op de losse schroeven van hun eigen volharding. Vermoedelijk zullen de meeste roomsen van deze onzekerheid weinig last hebben. Zij geloven het wel. Zo is het immers bij de hervormd-gereformeerde protestanten ook. Maar voor de ernstigen ligt het anders. Tot hen nu zegt de roomse kerk, dat niemand zonder het voorrecht van een bijzondere openbaring de heilszekerheid deelachtig kan worden. Twee zekerheden zijn voor 't kerklid op aarde onmogelijk. Ten eerste is de zekerheid aangaande persoonlijke verkiezing uitgesloten en ten tweede kan niemand zonder een speciale openbaring zeker zijn over de gave der volharding.

Wat moet de roomse dan ? In voortdurende angst leven ? Maar Paulus zegt: ik ben verzekerd, dat niets ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods in Christus Jezus. Neen, die voortdurende angst zegt Rome niet te willen. Zij wil een derde weg wijzen, een weg tussen heilszekerlieid en angst. Het is niet de bedoeling van Trente, schreef Bartman, , , de poorten des hemels voor de gelovige bijzonder nauw en de zaligheid bar twijfelachtig te maken". De roomse auteurs zeggen nog iets. Zij wijzen er op, dat er in de praktijk van het Protestantisme niet meer echte zekerheid gevonden wordt dan bij Rome. En dan spreekt de roomse kerk van een morele zekerheid. Waarom wil men niet van een persoonlijke heilszekerheid spreken ? Omdat de gelovige zo nietig en zwak is. De barmhartigheid Gods en de verdienste van Christus is wel groot genoeg en de sacramenten werken wel krachtig, maar de genade moet in de mens werkelijkheid worden en daarin moet de mens medewerken met de genade. Volgens Rome is het mede van de menselijke activiteit afhankelijk of de mens tot de volle zaligheid zal geraken, en daarom is absolute heilszekerheid een onmogelijkheid. Men neemt het zelfs aan de reformatorische leer kwalijk, dat zij spreekt van zekerheid. De roomse schrijvers zien daarin een roemen op z'n eigen leven.

Hoe is het mogelijk, zouden wij zeggen. Zij kunnen blijkbaar niet begrijpen, dat wij helemaal niet wensen te bouwen op onze vastheid, maar gans en alleen op Gods barmhartigheid. Het is blijkbaar voor een rooms man onvoorstelbaar, dat een gelovige zich meer en meer bewust wordt van de diepe val en de totale verdorvenheid en nochtans vasthoudt aan Gods onveranderlijke genade. Het is een beetje van de duivel, zeggen sommigen, als iemand spreekt, zoals b.v. professor Wisse in bovengenoemde aanhaling. Rome vindt zijn onzekerheid een gepaste bescheidenheid. Maar Calvijn, die buitengewoon de ootmoed en de bescheidenheid aanprijst, wijst juist op Gods Woord, dat de gelovige roept tot zekerheid. Wij moeten het heel niet in speciale openbaringen zoeken buiten het Woord om. Thomas van Aquino gaf toe, dat de mens bij wijze van gissing of vermoeden kan weten of hij genade heeft. Die gissing kan dan berusten op het feit, dat de mens genot vindt in God en de wereldse zaken veracht en bestaan voorzover de mens zich niet van een doodzonde bewust is. Men vergelijke hiermee de vruchten der verkiezing in art. 12. Het concilie van Trente is bij dat vermoeden, bij de conjecturale zekerheid gebleven. De mens, zo zeggen zij, ontvangt voldoende genade, maar uit die gegeven genade mag nog geen conclusie worden getrokken voor de toekomst. Die voldoende genade kan ., door gebrek aan menselijke medewerking" vruchteloos worden gemaakt. Als ik dit zo zie staan, komt de vrees bij mij op, dat menige prediker op dit punt rooms is ook in de protestantse kerken. God geeft voldoende genade, maar de mens moet willen, zegt men dan. Dat zegt Rome ook. De zaligmaking van de mens is een werk, waarin Gods oneindig heerlijke, onschatbare genade en de nietige medewerking van de kleine mens elkander tegemoet komen en aanvullen.

Bij Rome wordt dus de mens zalig doordat hij de genade Gods aanvalt. Door de genade Gods en de medewerking des mensen. Als deze laatste ontbreekt of ophoudt is de zaligheid verloren. In de Reformatie wordt de mens zalig door het geloof alleen, sola fide en geen aanvulling. Dit betekent niet, dat de gelovige hier niet werkt. Alleen, hij verdient niet. Eerst is er tussen Rome en de Reformatie een verschil over de vraag wat het voornaamste in de genade is. Rome zegt: genade is een kracht, die de ziel reinigt, als de gelovige meewerkt. De Reformatie ontkent niet dat de genade een kracht is in de mens, maar dat is het eerste en voornaamste niet. De genade is ten eerste de gunst Gods, dat is het vrijsprekend woord van een rechtvaardigend en vergevend God De menselijke werken verdienen niets, brengen niets bij tot de verkrijging der zaligheid. Het gaat niet tegen de goede werken bij de Reformatie. Volstrekt niet. Maar het gaat tegen de verdienstelijkheid der werken. Het gaat bij het punt, dat wij aan de orde stelden, tegen de werkgerechtigheid. Omdat God alles doet en alles schenkt, kan de gelovige van zijn zaligheid zeker zijn. Rome leert een synergisme : God doet wat en de mens doet wat. Rome wil wel van genade spreken en ook wel belijden, dat de voornaamste oorzaak der zaligheid in de genade gelegen is, maar de mens moet er nog wat bijdoen en krijgt dus daar de lof voor. Calvijn wil de gelovige alleen doen rusten op Christus, die hij door een waar geloof heeft omhelsd. En zo kan artikel 12 de verzekering der verkiezing doen rusten op het geloof in Christus, dat de gelovige bij, zichzelf waarneemt. Niet op de werken van de gelovige rust de zekerheid der verkiezing, doch op het werk Gods in de gelovige, met heilige verwondering waargenomen. Dit is een waarneming door de verlichting des Geestes. Het staat de mens niet door eigen verstand ter beschikking. De zekerheid der verkiezing is dus verbonden met de zekerheid des geloofs. De zekerheid der verkiezing kan echter niet rusten op de aanbieding des evangelies, want velen zijn geroepen, doch weinigen uitverkoren. Zij rust ook niet op een speciale openbaring buiten het geloof om. Zij rust op het waargenomen geloof en de vreze Gods enz. en op de belofte, dat God nooit laat varen wat Zijn hand begon. Dit is het vertrouwen van Paulus in Fil. 1 : 6, dat God het goede werk, dat Hij begon, voleindigen zal tot op de dag van Jezus Christus.

Het is niet zo, dat in het zalig worden de menselijke werkzaamheid is uitgeschakeld bij de Reformatoren, maar die werkzaamheid heeft niet een zelfstandige verdienende functie. Daar is een samenhang tussen genade enerzijds en geloof en werken anderzijds, maar niet van verdienste. Rome en de Remonstranten maken de wilsbeslissing van de mens zelfstandig en leggen het heil uiteindelijk in de handen van de mens. En dat zij dit doen kunnen hangt hiermee samen, dat beiden leren, dat de menselijke natuur niet totaal bedorven is. ,

Rome leert zelfs : De natuur is niet bedorven. Maar als het afhangt van 's mensen beslissing en medewerking is het moeilijk met zekerheid te zeggen, wat die mens doen zal. De genade is verliesbaar. De Leerregels gaan er van uit, dat de genade niet verliesbaar is. Niemand zal de schapen van Christus uit Zijn hand rukken. Zo wordt de gelovige op Christus gewezen. De roomse kerk daarentegen wijst op zichzelf. Want als de rooms-gelovige nu maar bij kerk en ambt blijft en de opgedragen boetedoeningen en genoegdoeningen vervult, dan kan ook deze gelovige aardig zeker zijn. Natuurlijk kan en moet hem altijd het gevoel kwellen : doe ik wel genoeg.

Maar dit gevoel komt de kerk ten goede. En als nu de roomse maar volhoudt in zijn werken, dan mag hij redelijkerwijze zaligheid verwachten. Hij doet immers niets dan elke dag de hemel verdienen door zijn aanvullend werk. De ware gelovige echter verdient met zijn werken de hemel niet, omdat Christus hem reeds verdiend heeft. Zo is het roomse standpunt anthropocentrisch, d.i. de mens in het middelpunt. De Reformatie is theocentrisch. God en Zijn verkiezing en Zijn almacht staat in het middelpunt. En de zekerheid der verkiezing wordt gewonnen uit een waarnemen bij het licht des Geestes van de vruchten der verkiezing, die God gewerkt heeft en zal blijven werken.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 oktober 1957

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DE DORDTSE LEERREGELS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 oktober 1957

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's