„Men”
Wij hebben tegenwoordig nogal veel last van de heerszuchtige „men".
„Veel last", is misschien wat veel gezegd, want de lastige „men" vindt ook weer een lastige , , men" tegenover zich.
De door ons bedoelde „men" heeft ook in onze eigen kring trouwe volgelingen. De ééne , , men" sterkt zich aan de traditie en de andere aan de mode. De eerste is standvastig en wortelt diep in de historie van het geestelijke leven, de laatste is oppervlakkig en wispelturig, en niettemin heerszuchtig en onverdraagzaam jegens de traditie. Deze modieuze , , men" gedoogt niet, dat men zich zelf is en bedreigt haar gehoorzame dienaren en volgelingen met heilloze vervlakking van het geestelijk en zedelijke leven.
Gij hebt reeds begrepen, dat wij uw aandacht vragen voor een geestelijk zedelijk verschijnsel, dat in onze dagen opvallend veel voorkomt: het prijs geven van oude normen en vastigheden, louter en alleen omdat men die voor verouderd en overleefd houden wil. En , , men" kan dat zo slordig doen, omdat , , men" de kracht en de waarde daarvan niet kent.
, , Men" doet niet meer aan godsdienst, , , men" gaat niet meer naar de kerk. In ieder geval wil „men" niet meer weten van de orthodoxe leer.
Ook niet als „men" de Kerk nog niet helemaal de rug toe wil keren, of als buitenkerkelijke in de buurt van de Kerk wordt geëvangeliseerd.
De vrijmoedigheid van deze „men" om ook op het terrein des geloofs af te schrijven op een , , voorbijgegaan verleden", wat niet in de smaak valt, en zich weinig te storen aan de traditionele vastigheden, wordt niet weinig gesterkt door vele voorgangers, woordvoerders en kerkregeerders, die daarin voorgaan en dat met groter verantwoordelijkheid dan de aangepaste volgelingen.
Om slechts een hoofdzaak te noemen : hoe wordt het goddelijk gezag der Heilige Schrift ondermijnd door verantwoordelijke personen en instanties, die de mensen leren, dat zij in haar uitspraken gebonden is aan de tijd, waarin deze ons verplaatsen, zodat daarop van toepassing zou zijn , , andere tijden, andere normen". Zo wordt b.v. niet bestreden, dat de Heilige Schrift de vrouw duidelijk uitsluit van het ambt, maar men maakt dit feit krachteloos door een redenering, welke die uitspraken voor onze tijd niet meer van toepassing acht. En dat ten spijt van alle tegenargumenten.
„Men" aan de andere kant, de „men" der traditie schrijft o.a. zulk een afval toe aan de invloed van de Schriftcritiek. Wij willen die invloed niet onderschatten, maar houden ons er toch van overtuigd, dat de Schriftcritiek zoveel invloed niet zou uitoefenen als het Schriftgeloof niet zo aan kracht had ingeboet. Het Schriftgeloof is altijd sterker dan de Schriftcritiek, omdat het goddelijk gezag der Heilige Schrift door het waarachtig geloof wordt gekend en erkend. Het geldt hier een zaak van het waarachtig geloof. Waar dat in zijn werking niét wordt gekend, wordt het goddelijk gezag der Heilige Schrift blootgesteld aan de verstandelijke overwegingen van de mens en aan de onwilligheid van zijn gemoed.
Bovendien heeft de, men" der , , traditie" hier ook schuld en medeverantwoordelijkheid. In menige streek van ons land houdt men nog vast aan het traditioneel geloof. De Bijbel ligt niet alleen op de kansel, maar wordt ook nog in het gezin gelezen. Gods Woord wordt als regel des geloofs niet alleen genoemd, maar geëerbiedigd en is een leidsman en rechter in onze handel en wandel. Wij hebben ook vertrouwen, dat God altijd zorgt, dat er mensen zijn, die Zijn Woord bewaren.
Maar, hoeveel is in onze kringen , , traditie" en vorm geworden zonder leven? Ons dorp is orthodox. Vader en grootvader hebben zo geloofd en geleefd en wij houden ons daaraan. Wij moeten niets hebben van al die nieuwigheden. Wij beroepen een orthodox-gereformeerde predikant, wij gaan alleen bij zulk een naar de kerk, en een andere gaan we niet horen.
Luister goed. Wij keuren dat alles niet af, maar bedenk nu eens, hoeveel in dit alles eenvoudig zo is, omdat , , men", onze , , men", de , , men", waarbij wij behoren en ons thuis voelen, zo doet en zegt, dat het zo moet.
Wij hebben „men" van de nieuwe stijl (of liever gebrek aan stijl) op geestelijk gebied getekend, als afkerig van het overgeleverd geloof, napraterig en oppervlakkig van aard, zijnde een produkt van de vervlakkende invloeden, welke in het moderne cultuurproces werkzaam zijn.
Doch hoevelen, die zich voegen naar de eis van , , men" in de orthodoxe traditie, weten ook slechts van horen zeggen en leven ook maar oppervlakkig mee, * omdat het altijd zo geweest is ?
Wij komen er evenwel recht voor uit, dat wij het beter achten achter de traditionele , , men" aan te lopen, dan de onzekerheden van de mode te volgen. Toch mogen wij niet nalaten er op te wijzen, dat er niet weinigen zijn, die halsstarrig de weg der traditie bewandelen, zonder zich ook maar het minste in te spannen om het geloof deelachtig te worden, waaruit zij is opgekomen.
Op die wijze gaat er zo weinig kracht uit van ons leven, want het levend getuigenis ontbreekt. Dode traditie, zegt de andere , , men", allemaal dode traditie. En nu weet ik wel, dat die anderen geen weet hebben van een levende traditie, want dan zouden zij zich bij ons voegen en mogelijk voortrekkers worden. Zij zien geen onderscheid tussen dode traditie en levend geloof.
Hoe anders zou het echter worden, als er bij ons meer geloofskracht was.
Of daaraan dan zoveel gebrek is ?
Wij mogen niet oordelen, want wij zijn geen kenners der harten Een ieder oordele zelf, doch niemand kan ontkennen, dat er aan een goede ijver met verstand wel wat ontbreekt.
Wat gaat er toch weinig uit van de gereformeerde gezindheid en wat is er in het algemeen weinig weerstand tegenover zovele beweringen en beschouwingen, welke toch in flagrante strijd zijn met wat terecht geroemd wordt als ons algemeen en ongetwijfeld Christelijk geloof. Ik denk inzonderheid aan het Schriftgezag en aan de heilsfeiten.
Indertijd heeft men heel wat geschreven over de schrapping van enkele woorden in art. 36, waardoor nochtans de eigenlijke strekking van het artikel niet werd aangerand. Doch wat hebben wij in de laatste 50 jaar niet medegemaakt, dat veel ernstiger is en een bedreiging van het geloof in de zin, zoals de belijdenisgeschriften der Kerk daarvan getuigen.
Wij zijn maar door blijven preken, omdat wij geloven, dat zij overeenkomen met het geloof der Schriften en dat zij daarin een blijvende waarde hebben. Op zichzelf volkomen terecht.
Dat is ook niet zonder vrucht geschied, want wij zijn gestadig gegroeid, als tegen de verdrukking in
Deze rustige gang heeft ook zijn bekoring en wij vertrouwen bovendien, dat de gereformeerde gezindheid, zij moge nu eens krachtiger, dan eens zwakker tot openbaring komen, in de geschiedenis der Kerk deel zal mogen hebben aan de ervaring van het Christelijke geloof, waarvan Paulus spreekt, als van een secte, die overal weersproken wordt, en welke niettemin de belofte des Heeren heeft; Ik ben met ulieden al de dagen, tot de voleinding der wereld. (Matth. 28 : 20).
Toch komt het mij voor, dat wij tekort schieten aan heilige verontwaardiging, als het gaat om de aanranding van de ere Gods niet maar door de wereld, maar zelfs in de kerkelijke samenleving. De tegenstanders staan spoedig gereed om ons van negativisme te beschuldigen. Wij zouden tegenover allerlei nieuwigheden alleen afwijzend staan zonder ook iets bij te dragen, of zoals sommigen het noemen, in te brengen.
Het is heel ongelukkig, maar men begrijpt aan die andere zijde gewoonlijk niet, dat hun wensen van ons dikwijls iets vragen, waaraan wij op de voorgestelde wijze niet mede kunnen doen. Telkens en telkens weer in het gesprek en in de kerkelijke pers kunnen wij het gevoelen niet onderdrukken, dat de tegenstellingen oorzaak vinden in een geheel ander geloof, dan hetgeen ons overgeleverd is.
In ieder geval is daarmede niet te verenigen de vrijheid, welke de op 't ogenblik in de Kerk heersende richting tegenover de Heilige Schrift inneemt, en dientengevolge ook weer het standpunt, dat zij verdedigen wil aangaande het ambt en de toelating van de vrouw tot het ambt.
Wij konden ook wijzen op veronachtzaming van de belijdenis, b.v. ten aanzien van de minderheden in hervormdgereformeerde gemeenten, die zich zelf onttrekken aan het gemeentelijk leven en de samenkomsten der gemeente veronachtzamen om naar eigen smaak vergaderingen te houden.
Wat doet de officiële Kerk ? Zij schept voor zulke dissenters de gelegenheid om een kerkelijk leven naast de wettige plaatselijke kerk in te richten. Een klaar bewijs, dat zij partij kiest voor de dissenters tegenover de legitieme kerkeraad en de legitieme leden der gemeente.
Nog een voorbeeld, waarover bijna niet meer gesproken wordt. Art. II van de Nederlandse Geloofsbelijdenis, dat duidelijk getuigt van een algemene Godskennis onder verwijzing naar Rom. 1 : 18 V.V., , , Want de toorn Gods wordt geopenbaard van de hemel over alle goddeloosheid en ongerechtigheid der ,mensen, als die de waarheid in ongerechtigheid ten onder houden. Overmits hetgeen van God kennelijk is, in hen openbaar is, want God heeft het hun geopenbaard. Want Zijn onzienlijke dingen worden van de schepping der wereld aan uit de schepselen verstaan en doorzien, beide Zijn eeuwige kracht en goddelijkheid, opdat zij niet te verontschuldigen zouden zijn".
Deze tekst luidt toch niet twijfelachtig. God heeft het hun geopenbaard, en dan volgt de verklaring, hoe God dat doet, n.l. Zijn onzienlijke dingen werden van de schepping der wereld aan, uit de schepselen verstaan en doorzien beide Zijn eeuwige kracht en goddelijkheid.
Doch als er iemand komt beweren, dat er geen algemene openbaring is, zijn velen haastig bereid om dat na te praten. Wij zijn zozeer gewoon geraakt om radicale en soms ook zonderlinge uitspraken over de Bijbel en over theologische kwestiën te horen, zonder daarop te reageren, dat wellicht ook onze gevoeligheid wat is afgestompt.
Mogelijk is op onze houding van laten passeren ook van invloed geweest, dat wij (en heel de gereformeerde theologie) in de loop van de achttiende en van de negentiende eeuw in het isolement zijn geraakt, zulks ondanks het reveil en ondanks het werk van dr. Kuyper en zijn school.
Thans is het dan zover gekomen, dat wij in de Kerk der vaderen (getuige al deze dingen, en er ware nog wel meer te noemen), een plaats mogen innemen bij de gratie van een geest, die zich op Arminius beroept als de vertegenwoordiger van de echt Nederlandse reformatie.
Het wordt toch wel tijd voor ons en voor de gehele gereformeerde gezindte, om ons eens op al deze dingen te bezinnen en instede van wegens allerlei ondergeschikte vragen en meningen uiteen te vallen, elkander te zoeken in de hoofdzaken.
Of wij nog tijd zullen hebben?
In de , , Persberichten" van' de Néd. Herv. Kerk d.d. 5 oktober j.l. lezen wij een verslag onder de titel : , , Heeft de stad der toekomst nog Godshuizen ? " Daarin staat o.a. : , , De Kerk zal eveneens duidelijk moeten begrijpen, dat de kerk niet meer het beheersende element in de stad van morgen zal zijn". En een paar regels verder : , , Heden ten dage verdringt de moderne hoogbouw van de industrie, de banken en de levensverzekeringen de kerk meer en meer. Het lijkt wel of de levensverzekering, de beveiliging van het aardse leven voor de mens van heden het allerbelangrijkste is".
Twee merkwaardige zinsneden. De eerste kan nog slechts, als een technische overheersing van het kerkgebouw door andere grote gebouwen worden opgenomen. Immers het is denkbaar, dat het geloof nog wel de centrale plaats inneemt in de saamleving, al bouwt men geen kerken, die het stadsbeeld beheersen. Maar de tweede aangehaalde zinsnede kan men moeilijk anders verstaan, dan dat het geloof zijn centrale plaats in de , , stad van morgen" zal ingeboet hebben.
En dat is verontrustend voor de wereld, want dan krijgen de machten der duisternis vrij spel. Hoezeer het vaststaat, dat de Christus Zijn Kerk tot de voleinding zal in stand houden en haar nabij zijn, als zij klein en veracht is geworden, zij zal het moeilijk hebben, doch wellicht ook meer getrouw zijn als getuige Gods in deze wereld, dan in de dagen van grote kerken.
Het wordt toch wel tijd, dat wij niet meer met , , men" meelopen, doch onszelf onderzoeken, opdat wij weten in Wien wij geloven.
S.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 oktober 1957
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 oktober 1957
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's