De vrouw en het kerkelijk ambt *)
Prof. dr. A. J. Rasker geeft zijn inzichten aangaande de in bovenstaande titel aangekondigde kwestie, in een zo even verschenen geschriftje weer. Hij deelt in zijn „voorwoord" mede, dat dit geschriftje reeds tot stand is gekomen vóór , , de verheugende beslissing van de Generale Synode der Nederlandse Hervormde Kerk in juni 1957 viel".
Welk een verschil van standpunt aangaande het ambt in de kerk en de orde harer vervulling. Prof. Rasker verheugt zich over een beslissing, welke wij ten diepste moeten betreuren.
Als algemene trek van dit geschrift kan dan ook zonder de schrijver ook maar het geringste onrecht te doen, worden opgemerkt, dat het standpunt, dat de schrijver ten aanzien van het ambt en van de orde zijner vervulling verdedigt, in de eerste plaats wordt bepaald door zijn individueel inzicht aangaande de waarde en de betekenis van de Heilige Schrift en mitsdien van de Christelijke religie met name van de Christelijke vrijheid, welke naar het schijnt van generlei orde weten wil.
Voorts staan zijn beschouwingen sterk onder de invloed van de verschijnselen van onze tijd en de consequenties, die verschillende schrijvers en niet te vergeten schrijfsters daaruit trekken.
Zozeer is de schrijver in zijn eigen garen gevangen, dat hij een zekere, „onderdanigheid" van de vrouw als tot het wezen van het huwelijk behorende niet kan ontkennen, (vgl. blz. 16), maar desniettemin met een beroep op Huls en Hommes vraagt, of , , onderdanigheid en het zwijgen der vrouw", waarover Paulus spreekt, niet mede aan tijd en plaats en cultuurmilieu gebonden is. (Vgl. blz. 17).
Dit moeten wij tot ons leedwezen zo stellen, omdat wij ons overtuigd houden, dat zulk een beschouwingswijze ten enenmale onjuist en niet ter zake dienende is.
Prof. Rasker heeft er maar bezwaar tegen, dat de door God geordineerde verhouding van de man en de vrouw, de man het hoofd der vrouw, ook buiten het huwelijk voor de sociale en staatkundige verhoudingen in het algemeen onmiskenbare betekenis heeft.
Of de vrouw in het tegenwoordige cultuurmilieu, waar dit geschiedt, allerlei betrekkingen en functies waarneemt, die voorheen door mannen plachten te worden bekleed, doet aan de waarheid van de goddelijke orde niets af, en men kan die goddelijke orde niet straffeloos negeren.
Het is voor de schrijver niet prettig, dat hij bij Barth in dit opzicht geen steun vindt. (Vgl. blz. 16). Deze krijgt dan ook een voorzichtige vermaning om niet al te gemakkelijk dergelijke conclusies te trekken en uit , , deze teksten" (o.a. 1 Kor. 11:11) af te leiden, „dat in Christus „, , de vrouwen""' aan de „, , mannen"" onderdanig moeten zijn". Merkwaardige wijze van uitdrukken, alsof iemand ooit verstandig zou kunnen beweren dat iedere, willekeurige vrouw aan iedere willekeurige man onderdanig zou moeten zijn, gelijk als wanneer zij met die man getrouwd ware.
Doch afgezien van zulke dwaasheden leert de ervaring, dat het man-zijn en het vrouw-zijn alszodanig ook buiten het huwelijk de invloed doen gelden, welke in de door God gestelde verhouding de man hoofd der vrouw is gegeven.
De tegenwerpingen van prof. Rasker doen reeds vermoeden, dat hij zich een vrijheid ten aanzien van de Heilige Schrift permitteert, welke zich bezwaarlijk zal kunnen beroepen op het voorbeeld van de apostel Paulus. De door Paulus geroemde vrijheid (vgl. Galaten 5) spreekt n.l. van geheel andere dingen dan dat wij vrij staan tegenover Gods Woord als regel des geloofs.
Zo aanvaardt prof. Rasker als heel gewoon de bewering van Charlotte von Kirschbaum, , , dat het zwijgen der vrouw in onze tijd als teken niet heel zinvol meer is en dat in onze hedendaagse godsdienstoefening voor dit teken geen plaats meer is".
Ook prof. Rasker is er n.l. op uit om de onderdanigheid der vrouw, welke hij erkennen moet, als het mogelijk ware, om te buigen in het tegendeel, door haar als de eigenlijke getuige van Christus uit te beelden. (Vgl. blz. 15).
Dit sluit aan op de zoeven gememoreerde vrijheid om de „zwijgtekst" van 1 Kor. 14 : 34 te relativeren en van het cultuurmilieu afhankelijk te stellen. De in dit verband aangehaalde vertaling verschilt zakelijk niet van de Statenvertaling : , , het is haar niet vergund te spreken, maar zij moeten ondergeschikt blijven, zoals ook de wet zegt". Ook zo is de tekst duidelijk genoeg om aan een ieder, die deze van zijn kracht zoekt te beroven, te vragen, vanwaar hij zulk een vrijmoedigheid haalt tegenover de Christus, die zegt, dat de Schrift niet kan gebroken worden? (Vgl. Joh. 10, 35). Telkens weer stuit men bij de lezing van dit geschrift op een waardering van de Christelijke vrijheid, welke al of niet van humor vergezeld, zich tegenover de Schrift veroorlooft, wat met het voorbeeld van de Heere Jezus Christus en de apostelen voor ogen ontoelaatbaar moet worden geacht.
Als prof. Rasker dan ook over genade spreekt en over getuigende kracht, spreekt hij dan over de kennis der genade, waarin wij door de Schrift worden geleid en waarvan de kerk belijdenis doet in haar confessie?
De vraag is waarlijk ernstig genoog om ter harte genomen te worden door allen, die zich met de kerk bezig houden, zo voor ons persoonlijk welzijn als voor dat van de kerk. Want het heeft er waarlijk veel van, dat met de uitlegkunde der tijdgebondenheid van de uitspraken der Heilige Schrift zelfs ook aan het Christelijk geloof een tijdgebonden karakter wordt opgelegd, zodat het al naar gelang van tijd, plaats en cultuurmilieu veranderlijk zou worden voorgesteld,
Verschillende zinsneden in dit geschrift klinken in dit opzicht bedenkelijk, ook wat de theologische achtergronden betreft, waaruit de schrijver redeneert.
Wat moet men denken van een passage als deze : De onderschikking van de vrouw, die op een of andere wijze in de natuur is aangelegd, en die in de christelijke gemeente een teken van het leven onder de genade kan zijn, mag in geen geval zo verstaan worden, dat daarmee tekort gedaan wordt aan de vrijheid, waarmee Christus ons, mannen en vrouwen, heeft vrij gemaakt. (Cursivering van mij, S.). (Cf. blz. 18).
Goddelijke orde en christelijke vrijheid kunnen toch nimmer met elkander in strijd zijn. Hier wordt echter niet van goddelijke ordinantie gesproken, maar van aanleg in de natuur en dat op een of andere wijze. Dit klinkt althans weinig theologisch.
Men zou menen, dat het huwelijk en daarin de verhouding van de man tot de vrouw, uitgedrukt in het hoofdschap van de man, in dit aardse leven tot een symbool is gesteld van de levensgemeenschap der gemeente van Christus tot Hem, die haar tot een Hoofd is gegeven. Met andere woorden, dat de Schrift ons stelt voor twee objectieve verhoudingen, twee door God gestelde ordeningen, waarbij de aardse symbool, of zo men wil, teken is van de hemelse.
De man hoofd der vrouw geldt voor geloof en ongeloof en deze orde wordt in de aardse werkelijkheid door de genade niet opgeheven, en staat op geen enkele wijze, de man of de vrouw in de weg, als zij gelovige echtelieden zijn, maar wordt in het geloof eerst recht in zijn verborgen zin beseft.
In Christus noch man noch vrouw, (Gal. 3 : 28) verandert aan de goddelijke orde op aarde ook niets. Christus zelf heeft de zin van deze woorden reeds bij voorbaat verklaard, als Hij door de Joden werd ondervraagd aangaande de opstanding en dat juist in verband met het huwelijk. , , De kinderen dezer eeuw trouwen en worden ten huwelijk uitgegeven, maar die waardig zullen geacht zijn die eeuw te verwerven en de opstanding uit de doden, zullen noch trouwen, noch ten huwelijk uitgegeven ,worden, want zij kunnen niet meer sterven, want zij zijn de engelen gelijk ; en zij zijn kinderen Gods, dewijl zij kinderen der opstanding zijn". (Lukas 20 VS. 34-36).
Als deze eeuw voorbij is, is ook het huwelijk voorbij. In deze eeuw is het symbool of teken van de heilige gemeenschap van Christus en Zijn gemeente. In de komende eeuw is geen teken meer nodig, omdat de gemeente in de hemelse werkelijkheid leeft.
Waarom giet prof. Rasker dat nu in boven aangehaalde vorm ! Bovendien wordt daardoor ook de zin gewijzigd, want men kan toch moeilijk waarmaken, dat de onderschikking van de vrouw in de Christelijke gemeente een teken is van het onder de genade zijn.
Men moet daaruit nemen, dat de niet onderschikking of de niet erkenning daarvan een teken zou zijn van het onder de genade uit zijn?
Een ander punt.
, , Het is daarom" zo vervolgt de schrijver, , , beslist niet recht, wanneer mannen bepalen op welke wijze vrouwen haar onderdanigheid zullen verstaan en daaraan gestalte zullen geven. Dat moet een zaak zijn van persoonlijke geloofsbeslissing. Maar dat men hier een algemeen geldend verbod van maakt, dat een man er zich een gewetenszaak van maakt of een vrouw wel in de gemeente mag spreken, dat een man daarom het zekere voor het onzekere nemend vooralsnog voor continuering van een kerkordelijk zwijggebod pleit.... dat is toch niet anders dan misbruik van positie". Het staat er heus, anders zou men haast niet geloven, dat iemand in zulke termen en categorieën over kerkelijke verhoudingen en zaken kan spreken. Hier worden toch waarlijk zaken, die noch ter beoordeling of beslissing van de man, noch van de vrouw gegeven zijn, maar die in het geloof behoren te worden aanvaard of bij onzekerheid biddend onderzocht, behandeld als in een onderonsje.
Voor de Schriftgelovige staat het toch zo, dat niet mannen de verhouding van man en vrouw, en de gedragingen dienovereenkomstig hebben te bepalen of bepaald hebben, noch ook, dat mannen dat zwijgverbod hebben te continueren of niet te continueren.
Mannen en vrouwen zijn gehouden deze goddelijke orde te handhaven. Wij zijn er trouwens van overtuigd, dat verreweg de meerderheid van de gelovige vrouwen dat ook zo zien. Prof. Rasker is van het tegendeel trouwens niet zozeer overtuigd.
De man heeft niet te beslissen, of de vrouw tot het ambt zal worden toegelaten, en de vrouw heeft niet te oordelen over de zin van het zwijggebod. En als zij over deze dingen willen heersen, zijn zij naar onze stellige overtuiging in strijd met de geopenbaarde wil Gods omtrent het ambt en zijn vervulling.
Het is misschien een goede raad van prof. Rasker, dat wij mannen critisch moeten zijn jegens ons zelf. Wij onderstrepen dit op zich zelf gaarne en het is voor de dames, die het ambt verlangen, ook aanbevelenswaard. Maar dan de maatstaf, zowel in deze zaken als in alle zaken. Die critisch wil zijn moet de maatstaf aanleggen voor zijn geloof en zijn geloofsleven, n.l. de Heilige Schrift, die ons volgens onze Christelijke belijdenis is gegeven tot een regel des geloofs.
Indien wij deze regel á priori van zijn gezag (en van zijn kracht) beroven door die te relativeren en aan de omstandigheden te onderwerpen, misleiden wij ons zelf en doen wij het tegendeel van het gebod, dat eist dat wij het Woord bewaren.
Wat de kwestie van de , , emancipatie" van de vrouw betreft, moet er nog eens aan worden herinnerd, dat deze in de dagen van Paulus nog al verdedigers vond in de wereld. Onlangs werd daarop door ds. H. van Vliet te Kerkerade nog eens gewezen, zodat hij terecht kon opmerken, dat de tijdgebondenheid in deze zaak zelfs geen argument kan zijn. (Vgl. De Herv. Kerk, d.d. 26 sept. j.l.).
Uit de aard der zaak zijn wij met de discussie over de plaats en positie der vrouw in het kerkelijk leven nog niet uitgepraat, als wij het eens zijn, dat de Heilige Schrift de man en niet de vrouw tot het ambt roept. Indien wij Schriftuurlijk d.i. uit het geloof in het goddelijk gezag der Heilige Schrift over de symboliek van het huwelijk denken, moet het ook volkomen duidelijk zijn, dat het ambt de Christus op aarde vertegenwoordigt, alszodanig een bijzonder, een door Christus ingesteld ambt is, en dat Christus daartoe alleen de man heeft geroepen en niet de vrouw. Men vatte het woord , , vertegenwoordigt" niet verkeerd. De ambtsdrager, zeer inzonderheid de Dienaar des Woords is gezant des Heeren, als zodanig vertegenwoordigt hij de Christus, aan Wien hij zijn woord ontleent. Gelijkerwijs Gij Mij gezonden hebt in de wereld, alzo heb Ik hen ook in de wereld gezonden. (Joh. 17:18 en 20:21).
Verder komt men altijd weer met het ambt der gelovigen aandragen om de vrouw er bij te betrekken, terwijl dit zijn wortel heeft in de schepping van de mens. In het ambt der gelovigen wordt door genade het oorspronkelijke ambt vernieuwd en herschapen, krachtens hetwelk allen, die in Christus geloven, tot Zijn getuigen en dienaren worden geroepen en een taak hebben in de heiliging des levens, mannen en vrouwen en dat op de plaats, waarop zij in het leven zijn gesteld.
Dit algemene ambt der gelovigen mag echter niet verward worden met het ambt door Christus ingesteld met betrekking tot de prediking en toevergadering der gemeente. Het ambt der gelovigen mist ook het gezag van de gezant des Konings. Ten aanzien van dit ambt, hetwelk alzo het Middelaarswerk onmiddellijk heeft te dienen in de toebedeling van de genadegoederen, die in Christus zijn, zouden wij, dus kunnen spreken van de vertegenwoordigers van de hemelse Bruidegom, aan wie de bediening van Woord en Sacrament en de regering der gemeente is toebetrouwd. Krachtens het gezag van de gezant staan de ambtsdragers ook over de gemeente, en gelet op de profetische symboliek van het huwelijk behoeft men zich waarlijk niet zo zeer te verwonderen, dat Christus dit ambt alleen aan mannen heeft toebetrouwd.
Maar daarom juist kunnen alle mannen, die niet tot het bijzondere ambt geroepen worden, en alle vrouwen in het kerkelijk leven dienen krachtens het ambt der gelovigen.
Deze diensten zijn zowel van de mannen als van de vrouwen merendeels nog ongeregelde diensten en in dit verband mag wel gezegd, dat de situatie van het kerkelijk leven in de tegenwoordige wereld dringend vraagt om deze diensten te organiseren en te stimuleren, opdat allen dienstbaar mogen worden en alle krachten in de gemeente mogen worden gebruikt.
S.
*) Uitgave H. Veenman en Zonen. Wageningen. Prijs f2.25.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 oktober 1957
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 oktober 1957
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's