De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

PREEKSTIJL 10

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

PREEKSTIJL 10

15 minuten leestijd

Thorbecke heeft eens van de preek gezegd: „Zij is de grootmoeder der welsprekendheid." Dit citaat trof ik aan in het boek van Ir. A. Ingwersen : „Tussen Kerk en Hangar" (blz. 27). Hij plaatste het in een stuk, waarin hij handelt over de invloed der kerk, en niet het minst door de preek, op heel ons volksleven in zijn sociale en culturele openbaring. Daar is een tijd geweest, dat de kansel een macht was in het volksleven. Uit de vaderlandse Kerkgeschiedenis zouden meerdere gebeurtenissen zijn te verhalen, welke die macht van de kansel illustreren. Allerlei krachten hebben samengewerkt om die invloed te verminderen en tot het minimum te reduceren, dat er thans nog van overbleef. Niet in de laatste plaats moet in dit verband gewezen worden op de saecularisatie, de verwereldlijking van ons sociale en culturele leven, mede tengevolge van voortschrijdende humanistische invloeden over heel de linie.

Maar de schuld ligt eveneens en niet voor een gering deel bij de kerk en dan met name bij de predikanten. Zeer zeker doordat - het gaat over een proces van meer dan een eeuw - in de prediking van vele kansels stenen voor brood werden gegeven. Maar mede doordat, terwijl de inhoud van de preek reformatorisch was, te weinig zorg werd besteed aan de vorm, en aan de verzorging van het spreken als zodanig niet de vereiste aandacht werd geschonken.

Er werd helaas te weinig werk gemaakt van de voordracht, het voorlezen van de te zingen verzen, het zuiver Nederlands spreken, de bestrijding van fouten in de uitspraak, in één woord de dictie werd te weinig verzorgd. Ingwersen verhaalt in zijn hiervoor genoemd boek dat eens in de Amsterdamse kerkeraad door een ouderling gevraagd werd : , , Wanneer krijgen we eens een dominee, die goed kan lezen? " (blz.29). Men zal misschien opmerken, dat het eenvoudige volk het gemis van dit alles niet zo voelt, dat het niet gebrand is op dergelijke woordkunstenarij, doch vóór alles vraagt om een schriftuurlijk-bevindelijke preek. Daar zit wel een element van waarheid in. Maar het was toch maar het eenvoudige volk, dat zei, als 't Kuyper of Sikkel of Talma een psalmvers had horen voorlezen, dat het, , reeds een preek gehad had voor de preek begon" (Ingw. blz. 29). En dan was niet alleen het volk een en al oor, maar evenzeer de ontwikkelde man en niet minder de jeugd! Want de dominée's die gemeenlijk de jeugd trekken zijn ook degenen, die van vorm en dictie werk maken. , , De stijl waarin men spreekt is, van het woord het kleed" (Ingw. blz. 33). Daarom wil ik in dit artikel, dat het slot van deze reeks zal zijn, enkele opmerkingen maken over „het kleed van het woord".

Het , .kleed van het woord" werd oudtijds zeer verzorgd. Prof. dr. A. Sizoo verhaalt in zijn boek: Augustinus' Leven en Werken, dat in 195? verscheen, ook van de „studententijd" van de grote kerkvader.

Hij licht ons dan in, dat de studie voor hen, die, wat wij hoger onderwijs plegen te noemen, ontvingen, bestond in onderwijs in de rhetorica, de leer der welsprekendheid, welke bij Grieken en Romeinen zeer gecultiveerd werd, en uitdijde in vele theoretische en practische vakken., , Men streefde", wanneer men dit onderwijs, dat de rhetoren gaven, volgde, „er naar een welsprekend man te worden". , , Iemand die een goed redenaar was, kon zich in de bloeitijd van het Romeinse rijk doen gelden in de senaat, de volksvergadering en vooral ook in het rechtsgeding" (blz. 26). Hij besluit dan : , , Deze leerschool hebben alle grote auteurs doorlopen, ook alle Christelijke schrijvers en ook Augustinus" (blz. 27). Het is dan ook wel zeker, dat Augustinus' invloed als bisschop en daarmede als prediker, mede door wat hij als vrucht van die scholing in de vormgeving der prediking schonk, zo groot is geweest.

Ik wijs nog op een ander exempel. In zijn artikel: Glorie te Meaux, (zie De Waarheidsvriend van 22 augustus jl.) verhaalt dr. H. Jonker van de grote Bossuet, hofprediker van Lodewijk XIV, de gevierde kanselredenaar, bekend door zijn oraisons funèbres. Daarna vervolgt dr. Jonker : , , Ik vond ook een preekschets met vele stilistische veranderingen en verbeteringen : of er gewerkt werd aan- de welsprekendheid." Ja, inderdaad, er werd gewerkt aan de welsprekendheid. En dat niet om de welsprekendheid zelve, ook niet om menseneer en lof in te oogsten, al kon ook zelfs een Bossuet z'n hart niet doorgronden, maar ten diepste om de hoorders te treffen en te verkondigen, wat het begin was van zijn oraison funèbre, zijn lijkrede gehouden bij de begrafenis van de Zonnekoning : Dieu seul est grand. God alleen is groot.

Ook onze vaderlandse kerkhistorie weet van machtige redenaars. Men denke aan Episcopius, de leider der remonstranten ter Synode van Dordt, waar hij zijn machtige, indrukwekkende pleitrede besloot met de woorden: , , Magna est vis veritatis, et praevalebit", d.i. groot is de kracht der waarheid, en zij zal triumferen.

Of op de universiteit van Leiden en de later gestichte de welsprekendheid als vak werd gedoceerd, is haast wel zeker. Want het is bekend, dat de bekende J. H. V. d. Palm professor was in de gewijde dichtkunst en de welsprekendheid en tevens academie-prediker. Trouwens meerdere professoren, die uitmuntten in welsprekendheid, waren academie predikers, o.a. de hoogleraar Bonnet, in Utrecht. Deze feiten doen mij aannemen, dat de welsprekendheid als leervak aan de universiteiten, althans onder de republiek, in ere was en werd beoefend. Te meer neem ik dat aan, aangezien de universiteiten, getuige de stichting der Leidse, niet uitsluitend voor de beoefening der wetenschap in het leven werden geroepen, al lag dit zeer zeker in de bedoeling, doch mede, opdat de Kerk Gods godvrezende, kundige en bekwame dienaren des Woords door haar onderwijs zou ontvangen.

Aan de Universiteit wordt in de theologische faculteit in deze tijd geen college gegeven in de welsprekendheid. Dat is te verstaan gezien de ontwikkeling van de vroegere theologische faculteit sinds de H. O. van 1876, gezien ook de voortgaande specialisering der theologische wetenschap. Maar in de cyclus der vakken, welke de kerkelijke hoogleraren hebben te doceren, komt de welsprekendheid ook niet voor. Dat is wel bevreemdend, omdat het instituut der kerkelijke hoogleraren bij de wijziging der H.O. betreffende de theologische faculteit juist werd ingesteld om theologische candidaten een scholing te geven voor de praktijk, m.a.w. ze klaar te maken voor hun arbeid straks als predikant. De zorg voor „het kleed van het woord" was er niet bij. Onder de homiletiek had de welsprekendheid m.i. wel een plaats kunnen krijgen.

De Herv. Kerk in haar generale Synode heeft het nodig geoordeeld, de studenten in de theologie, na beëindiging der studie aan de Universiteit, nog beter voor de praktijk te instrueren door de instelling van het dusgenaamde leervicariaat, waarna ze nog een leergang aan het seminarie der Kerk moeten volgen, en opgenomen worden in het aan het seminarie verbonden internaat. Dat men de a.s. predikanten terdege wil toerusten voor de praktijk van het predikantsambt, kan gewaardeerd worden. Maar nu is het wel uitermate frappant, dat van onderwijs in de welsprekendheid, of, indien men het woord welsprekendheid met de zaak te hoog gegrepen acht, zelfs maar van onderricht in het zuiver en correct nederlands spreken, voorzover mij bekend, geen sprake is

Is dit manco verantwoord? Geen a.s. arts wordt zonder degelijke, praktische voorbereiding in de diverse klinieken tot de praktijk toegelaten. Geen vakman, hoezeer ook theoretisch geschoold, wordt zonder de vaktechniek goed onder de knie te hebben, voor volwaardige kracht aanvaard. Maar de a.s. predikanten worden zonder onderricht in het preken—ik bedoel het prediken en niet preekmaken, dat wel schijnt onderwezen te worden, hoewel de resultaten in menig opzicht het roemen niet oorbaar maken ~ de preekstoel opgestuurd. Zij geven dan ook meermalen hun preek in een taal, welke een mens, die nog enig taalgevoel heeft door de ziel snijdt. Men zal zeggen, dat het op de inhoud, op de waarheid, aankomt. Ik zal de laatste zijn om dit tegen te spreken. Doch ook de inhoud is vaak van dien aard, dat men vraagt: , , was daarvoor een studie van meer dan 10 jaren nodig ? "

Dat ik van een beginner niet vraag, wat men van een predikant met meerdere dienstjaren verlangen mag, behoef ik na wat ik in deze reeks heb gezegd, niet nogeens neer te schrijven. En wat het stuk van de , , waarheid" betreft: de Schrift is de Waarheid, en zij doet ons een kleed van schoonheid en verzorgdheid zien, dat mij telkens weer ontroert. De waarheid vraagt om de schoonheid, eist welluidendheid. Men leze maar eens het mooie werk van wijlen dr. B. Wielenga: , , De Bijbel als boek van schoonheid". Daar doet heden geen candidaat zijn voorstel of hij heeft al zijn toga, het liturgisch gewaad, dat wij plegen te dragen bij de dienst des Woords. Met dat kleed is het in orde. Daar kunnen de betrokkenen zelf voor zorgen. Het is mij wel. Maar met het „kleed van het woord" is het lang niet altijd in orde. Hier heeft de opleiding der kerk m.i. schuld. Maar gaan de betrokkenen zelf vrij uit? Hebben zij, wat ze krachtens hun lange studie - en ze zijn klassiek gevormd ! - meegekregen, uitgebuit voor „het kleed van het woord ? "

Daar is een tijd geweest, dat men meer , , het kleed van het woord" verzorgde dan thans. Maar dat was ook de tijd, zal men mij tegenwerpen, der valse oratorie en galmende preektoon. Ik weet het en ik pleit voor geen van beide. Evenwel, ondanks de Genestet's verzuchting om verlossing van de preektoon, zijn we er nog niet van verlost! Hij wordt nog wel gecultiveerd, misschien ook, omdat sommigen onder het kerkvolk hem nog wel mooi vinden. Het kan zijn, dat begeerte naar , .natuur en waarheid" de kerkelijke instanties er toe bracht om in het program der vakken van kerkelijke hoogleraren en seminarie van , , redekunst" niets op te nemen. Ook hier zou ik willen zeggen, dat, , misbruik het gebruik niet opheft", en ik voeg er aan toe : , , leer dan de studenten maar preken naar de norm „natuur en waarheid", wat met de eerste beginselen der rhetorica naar me dunkt wel is te combineren.

Maar men kan van de euvelen, waarop ik wees, niet alle schuld op de kerk werpen, en op 'n leemte in de opleiding. De studenten hebbep, zelf ook een taak. Colleges in de homiletiek gaan gepaard met oefeningen in de schone kunst van prediken op het dusgenaamde , , schetscollege". Tenminste zo was het in onze tijd. En ik gedenk, als ik dit college memoreer, met grote dankbaarheid onze kerkelijke hoogleraar prof. dr. F. E. Daubanton, van wie prof. dr. H. Visscher ons altijd zeide: , , Die kan het." Inderdaad, prof. Daubanton was een redenaar van formaat. Maar hoevelen kregen bij een groot aantal studenten, dat er in onze tijd was, en er ook nu is, in een academie-jaar, dat reëel amper een half jaar beslaat, een beurt? Weinigen. Daarom moesten we voornamelijk drijven op onze , , preekoefeningen" in onze oratorisch-homelitische gezelschappen en de onderlinge, gelukkig meestal of gewoonlijk ongezouten, felle en niets sparende critiek. In de tijd, waarvan ik spreek, waren er o.m. drie dergelijke gezelschappen, waarvan de naam nog herinnerde aan tijden, dat de rhetorica aan de academies gelukkiger tijd had dan thans. Ze heetten „Voetius", „Demosthenes" en „Elias Annas Borger".

Ik meen mij ook te herinneren, dat er aan een andere universiteit een oratorisch-homelitisch gezelschap was, dat de naam droeg.van „Johannes Chrysostomos". Die gezelschappen waren misschien zo genoemd om een gemis aan academische scholing in de welsprekendheid aan te vullen, al zal in de naamgeving van, Voetius" ook het element van strijder voor de Waarheid Gods wel mede gegolden hebben.

Zij vertolkten althans in naam en werkwijze iets van de waarheid, dat op het terrein der welsprekendheid met oefening nog wel veel te bereiken was, ook al was de schone gave der eloquentia niet ieder aangeboren. En ik hoop van heler harte, dat de leden der tegenwoordige theologische gezelschappen evenzeer de traditie voortzetten, met welke wij aan de lijve kennis maakten, elkanders prestaties, vooral in de preekoefeningen, radicaal te critiseren met name op wat ik meermalen noemde „het kleed van het woord".

Kan de welsprekendheid geleerd, of liever aangeleerd worden? Is ze niet veel meer een gave dan een verworven goed? Inderdaad, de welsprekendheid is een gave, ten dele althans. Maar ze kan ook aangeleerd worden. Het voorbeeld van de Griekse orator Demosthenes, die van nature stotterde, maar glanzend welsprekend werd door aanhoudende oefening, zegt in dit verband genoeg. Welbespraaktheid is een gave. Men zou de welsprekendheid gecultiveerde welbespraaktheid kunnen noemen. Alleen met oefening als zodanig, hoezeer aan te prijzen, komt men er niet. Er is meer nodig.

De ouden leerden ons reeds: pectus quod disertos facit, d.i. het is het hart, dat .welsprekend maakt. Van Vinet is het woord: „Welsprekend te zijn, dat is waarachtig te wezen, zich aan de waarheid aan te sluiten, zich met haar te vereenzelvigen, hartstochtelijk met haar te zijn ingenomen". (Aangehaald uit Okke Jager : Interview met de tijdgeest blz. 51). Vinet was niet wat men noemt een gereformeerd-christen doch een man van het Réveil. Maar zijn woord kan iedere prediker dienen, want hij was een uitnemend homileet. Het allereerste vereiste om welsprekend te worden in de zin van wel te spreken, dat is gegrepen te zijn door Gods Waarheid, haar bezielende kracht te kennen in de genade des Heiligen Geestes. Die waarheid in het binnenste mag de gemeente verwachten van wie voor God en haar beleden , , van God Zelf" tot het ambt geroepen te zijn. En als die gloed der overtuiging mag branden in het hart, dan zal men, zich voorbereidend voor de preek, niet , , van de minste weerstand" kunnen zijn, het niet , , op een koopje" kunnen doen en zich ook wat , , het kleed van het woord" aanbelangt, tot het uiterste inspannen.

Zelfs als dan de voordracht , , rhetorisch" zou worden, — men wake er tegen, want het is overdadig gemaniëreerd ! — wordt het geaccepteerd, indien de man er met 120 procent achter staat, zo zei onlangs C. Rijnsdorp voor de microfoon der N.C.R.V. Ik laat dit voor zijn rekening. Maar althans wordt er dan het hart in gevoeld. En met critische oefening komt het dan wel in orde.

Worden dan de predikanten, die zich zo inzetten, allen redenaars? Redenaars in echte zin zijn er in alle tijden maar weinige. En ook in onze tijd is dat genus dat soort, schaars. Daarin is mede een symptoon van onze armoede te zien. Maar goede sprekers zullen er dan meer zijn dan in deze tijd, waarin het genus , , praters", ook op de kansel, nogal vertegenwoordigd is. Ach ja, er zijn velen, die , , goed van de tongriem gesneden zijn", gelijk de volksmond dat noemt en zich daarop laten drijven. Maar de eerbied voor het Woord Gods, de heiligheid van de Heere God voor Wiens aangezicht wij staan, moet ons daar wars van doen zijn. De Schrift leert ons wêl, wat God ook in de bediening des Woords van ons eist. Het worde betracht met dat heilig beven, waarvan de berijming der Tien geboden zingt.  En natuurlijk mag men handleidingen voor , , goed leren spreken" met aanwijzingen van de gesticulatie, terdege raadplegen.

Het is zelfs zeer wenselijk. Want ook de gesticulatie, een integrerend stuk bij het wel-spreken, dient verzorgd. Maar zij zij sober en niet dat vermoeiend , , molenwieken", waartegen Beets reeds waarschuwde. Voorts zij onze houding nimmer nonchalant. Wij staan toch voor het aangezicht van de hoogste Koning en het gaat om Zijn Woord.

Ook het , , kleed van het woord" hoort bij de .preekstijl. Want men kan vele definities voor stijl geven bij die, welke ik in deze reeks reeds gaf, maar zij alle gaan niet om buiten het besef van „de emotie van verhevenheid", dat in alle stijl moet doorwerken.

, , Iemand, die door de verhevenheid van zijn taak niet gegrepen is . . . kan geen stijl openbaren. Het is namelijk een openbaring van een verborgenheid, die ons bij wijze van spreken op de berg is geopenbaard" Dit woord — ik trof het aan in: , , De ongerepte orde" van dr. M. Kruyswijk blz. 18 — zij bij de preek ons op het hart gebonden. Want ook, ja juist in dit deel van onze „dienst" gaat tot ons uit het woord tot Mozes door God gesproken: , , Want zie, dat gij het alles maakt naar de afbeelding u op de berg getoond (Hebr. 8 : 5; Ex. 25 : 40).

Zo zal er voortgaande stijlverbetering komen in ons preekwerk en het zal doorwerken in wat ik in dit stuk samenvatte onder de uitdrukking: , , het kleed van het woord". Want dan voelen wij, dat het ook in dit deel van ons preekwerk moet gaan om te dienen het kleed van het Woord, van het eeuwige Woord, Christus. Die, naar Calvijn's zeggen, tot ons komt in het gewaad der Heilige Schrift.

Ja, ook het , , kleed van het woord" hoort bij heel de dienst des Woords. Eerbied voor het Woord dringe; de eerbied, die immer treft als ge een kind Gods de Bijbel hoort lezen. Dat is altijd weer verkwikkend. Welnu, hoe verkwikkend moet het dan zijn voor de gemeente als in voorlezing en prediking iets van die stijl uit mag komen. Daarin is reeds zegen, zegen, die als de Geest het belieft te geven, medewerkt en doorwerkt om de genade Gods te genieten, dat het diep in de ziel gaat zingen: , , Ik ben zeer vrolijk in den Heere, mijne ziel verheugt zich in den Heere mijnen God, want Hij heeft mij bekleed met de klederen des heils, den mantel der gerechtigheid heeft Hij mij omgedaan; gelijk een bruidegom zich met priesterlijk sieraad versiert, en als een bruid zich versiert met haar gereedschap" (Jes. 61 : 10).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 oktober 1957

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

PREEKSTIJL 10

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 oktober 1957

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's