De Reformatie en de Staatkunde *)
Over bovenstaand onderwerp verscheen een gedegen werk van de hand van dr. D. J. de Groot, dat nog altijd op bespreking wacht.
Al is het, dat wij in ons orgaan de praktische politiek buiten behandeling laten, zo ligt het toch geheel in de lijn van onze gereformeerde geloofsbelijdenis, om aan een werk als het aangekondigde onze aandacht te schenken.
Of is het niet zo, dat juist de gereformeerde geloofsbelijdenis hier te lande en elders, waar de reformatie in gereformeerde zin doorwerkte, een artikel aan de Overheid en haar goddelijke roeping wijdt? Denk. maar aan het veelbesproken en bestreden artikel 36. En ik herhaal, dat ook de buitenlandse belijdenissen, die onder invloed van Calvijn tot stand kwamen, of zijn geest ademen, en dat in tegenstelling met b.v. Lutherse belijdenisgeschriften, daarmede overeenkomen en de roeping der Overheid niet voorbijgaan.
Hoe dat zo komt ?
Wel, dat verklaart zich uit heel het karakter van het Christelijk geloof, zoals Calvijn en zijn geestverwanten, dat belijden.
Het geldt dus een geloofszaak ?
Zonder twijfel en terecht ook. De politieke aangelegenheden gaan even weinig buiten de eis van ons Christelijk geloof om als de leiding van ons gezin en de roeping in onze arbeid.
Met name in onze tijd mogen wij daarbij wel eens stilstaan en dat wel om verschillende redenen. In de eerste plaats reeds, omdat de kerkelijke verdeeldheid der gereformeerde gezindheid op zichzelf ook weer oorzaak is geworden tot verdeeldheid in de opvattingen omtrent onze staatkundige roeping. Zo zelfs, dat wij, om het zwaarste te laten wegen, wat het zwaarste weegt, aan de kerkelijke kwestiën en aangelegenheden de volle aandacht geven en over de praktische vragen der staatkunde maar zwijgen. Voorts hopen wij, als God daarover Zijn gunst wil gebieden en de harten bereiden tot het zoeken van de eenheid en onderlinge gemeenschap van de gereformeerde gezindheid, dat wij dan ook meer licht zullen ontvangen aangaande onze maatschappelijke en staatkundige roeping.
In de tweede plaats, omdat juist in onze tijd van theologische zijde deze roeping, welke, wij krachtens onze belijdenis verdedigen, wordt ontkend, of althans zó geheel anders wordt voorgesteld, dat er praktisch geen onderscheid wordt gemaakt tussen geloof en ongeloof.
In de derde plaats, omdat wij vaak zó zeer worden ingenomen door de vraagstukken die in de kerk aan de orde zijn, dat wij gevaar lopen een belangrijk stuk van onze roeping op ander terrein uit het oog te verliezen.
Dit zijn enkele redenen, die mogen rechtvaardigen, dat wij elkander vermanen om aandacht aan deze zaak te schenken, maar dat is nog geen antwoord op de vraag, hoe het komt, dat de gereformeerde belijdenis in onderscheiding van andere confessies gewaagt van de roeping der Overheid.
Welnu, het boven aangekondigde werk wil op deze vraag een antwoord geven, en doet dat op een heldere en bevattelijke wijze.
Schrijver begint met een algemene beschouwing in zijn inleiding, waarin hij wijst op de grote tegenstellingen tussen Rome en de Reformatie, en de aandacht er op vestigt, dat de reformatoren in het oog der Roomse bestrijders niet anders dan revolutionaire geesten waren, die ingingen tegen het door God over de mensen gestelde gezag, zoals de Roomsen dat opvatten. Zij zouden het zaad gezaaid hebben, waaruit de latere omwentelingen te voorschijn zijn gekomen, (blz. 15).
De schrijver zegt te kunnen verstaan, dat Rome op haar standpunt de Reformatie een kerkelijke omwenteling noemt. (blz. 15). Dat kunnen wij ook verstaan, maar daarmede geven wij niet toe, dat het Reformatorisch geloof aansprakelijk mag worden gesteld voor de revolutionaire geest, die zich in de moderne geschiedenis (en bovendien in heel de historie) openbaart.
De schrijver gaat trouwens dieper op deze kwestie in en wijst de Roomse kritiek op de Reformatie als geheel onrechtvaardig en onjuist af, omdat zij van een volstrekte miskenning van haar leidend beginsel uitgaat.
Terecht ook merkt hij op, dat tal van Protestantse beoordelaars der Reformatie deze Roomse kritiek steunen (blz. 19),
Wij laten het hierbij, doch willen nog opmerken, dat de geschiedenis kan aantonen, dat de revolutie schier altijd in het Roomse land ontstaat en als de Reformatie door Rome als zodanig wordt beschouwd, ook deze revolutie in het Roomse land is ontstaan.
Van belang ook is, wat de schrijver opmerkt over de verwantschap van het Nieuw-Protestantisme en het Humanisme enerzijds en het diep verschil met de Reformatie anderzijds, (blz. 20 v.v.)
Met een beschouwing over de verschilpunten onder de reformatoren eindigt de , , inleiding".
Hoofdstuk 2 behandelt de positieve waardering van de staat door de Reformatie. , , Aan haar danken wij het inzicht", zo schrijf dr. De Groot, , , dat de staatkunde geen terrein is, dat de Christen uit hoofde van zijn belijdenis , moet vermijden, omdat haar beoefening niet te verenigen zou zijn met de dienst des Heeren en de gehoorzaamheid aan Zijn geboden. Zij heeft de diepgewortelde en w.ijdverspreide mening, dat elke politieke activiteit de mens noodzakelijk in dienst stelt van de duivel, die de overste dezer wereld is, met grote beslistheid tegengesproken". (blz. 47).
Dit wordt nader historisch toegelicht, waarbij de verschillende houdingen van de Christenen jegens de staat en de staatkunde in de loop der tijden worden uiteengezet, (blz. 48 v.v.).
Zoals men weet, waren het met name de Anabaptisten of Wederdopers, die de opvatting waren toegedaan, dat de staat en alle door hem geoefende gezag geheel uit de boze was. Zij hadden een volstrekt negatieve waardering van de staat en de door hem gestelde orde,
Hoe deze mensen daartoe kwamen, wordt uitvoerig behandeld, waarbij ook de bestrijding van deze vreemdsoortige opvattingen door de Reformatoren aan de orde komt. (blz. 57 v.v.). „Zo heeft Luther" - lezen wij op blz. 65 - , , in woorden, die voor geen misverstand vatbaar zijn, de arbeid in gezin en beroep uit de profane in de religieuze sfeer teruggebracht en de gehoorzame verrichting daarvan als de ware dienst van God geprezen".
Overgaande naar Calvijn, toont de schrijver aan, dat deze er ook zo over dacht en besluit deze passage aldus : „En het is geheel hiermede in overeenstemming, wanneer hij in zijn Commentaar op Jesaja 3 : 4 van de beoefenaars der verschillende kunsten en handwerken, alsmede van de rechters en raadsheren, de soldaten, de aanvoerders en de geleerden, die tot nut der mensen arbeiden en zonder welke de Staat niet kan bestaan, zegt, dat zij dienaren Gods zijn". (blz. 67).
Terecht volgt echter de opmerking van de schrijver, dat er niettemin tussen de uitwerking van Calvijn en die van Luther en zijn volgelingen belangrijke verschillen aan de dag treden.
Beide reformatoren denken niet gelijk over de orde des heils en inzonderheid wat de betekenis en het gebruik van de Wet Gods in het leven van de Christen aangaat. Luther had een zware strijd gevoerd onder de last van Gods Wet en toen hij in het geloof was vrijgemaakt van dat ondragelijke juk, heeft hij geroemd in de vrijheid des geloofs, dat is de vrijheid van de Wet. Van een toepassing der Wet in de weg der heiligmaking, zoals wij die b.v. in onze Catechismus leren, en waarin Calvijn ook met nadruk is voorgegaan, komt bij Luthers opvattingen niet veel tot zijn recht.
Op de theologische beschouwingen gaan wij thans niet nader in, temeer, omdat wij onlangs in een ganse reeks van artikelen met de heilsorde zijn bezig geweest, waarop wij bovendien nog hopen terug te komen.
Intussen is het van temeer belang en nut, te mogen opmerken, dat die theologische beschouwingen volstrekt niet blote theorie zijn, maar voor de praktijk van het leven betekenis hebben.
Immers ook zonder dr. De Groot op de voet te volgen bij zijn verhandeling, kan het duidelijk zijn, dat het stuk der heiligmaking ons niet alleen bij de binnenkamer bepaalt en niet alleen het , , ingekeerde" leven betreft, doch, dat heiligmaking haar eisen stelt over ons ganse leven; in ons gezin, op ons kantoor, in werkplaats en fabriek, in de school en overal, waar wij verkeren. Wij zijn zo reeds in het volle maatschappelijke leven en kunnen er als Christenen niet onverschillig onder zijn, hoe het daar toegaat. Welnu, als de maatschappelijke orde ons niet onverschillig kan laten, hoe dan het staatkundig beleid ?
Dan verder, als de beoefening der Christelijke heiligmaking ons bij de Wet bepaald houdt als richtsnoer voor ons leven en wij Gods Woord aanvaarden als regel des geloofs, volgt daaruit vanzelf, welk een betekenis aan de Wet des Heeren in alle verhoudingen van het leven moet worden toegekend. De nieuwe gehoorzaamheid, waarvan de Heilige Schrift telkens weer spreekt, vindt in alle verhoudingen des levens een taak, opdat de Heere God daarin geëerd wordt en vermeden en bestreden, wat daarmede niet overeenkomt.
Dat is een ideaal, zult gij zeggen. Goed, de betrachting der nieuwe gehoorzaamheid is in het persoonlijke leven een weg van vallen en opstaan en zelfs de allerheiligste heeft daarvan nog slechts een klein beginsel. Dat wordt door ons niet weersproken, maar dat beginsel moet er toch zijn - zij het in zwakheid en gebrek.
Van harte kunnen wij aanbevelen de studie van dr. De Groot over het standpunt ten deze van Luther en Calvijn, van Anastasius Veluanus, de reformator van de Veluwe, van Melanchton en anderen, te lezen en te bestuderen. Het volgende (het derde) hoofdstuk handelt over de leer der souvereiniteit Gods. Wij zouden kunnen zeggen, dat dit het fundament is voor de beschouwing van de staat en van de staatkundige orde. God de Heere, Schepper van hemel en aarde, is de enige en eigenlijke Souverein. Hij spreekt en het is er. Hij gebiedt en het staat er. Alle zogenaamde souvereiniteit op aarde aan mensen toegeschreven, is afgeleid, ambtelijk gezag bij de gratie Gods, en daarom geen souvereiniteit in eigenlijke, in absolute zin.
Dr. De Groot vestigt er de aandacht op, dat de leer van Gods souvereiniteit niet voor het eerst door de Reformatoren is ontdekt. Dat beweren de Reformatoren ook nergens, maar zij hebben er ten volle ernst mede gemaakt, (blz. 84 V.). Dit wordt in den brede uitgewerkt.
En wat wij reeds konden vermoeden, het vierde hoofdstuk is gewijd aan het ambt der Overheid.
Dat is het eigenlijke stuk, waarop het aankomt: de plaats der Overheid, haar ambt, haar roeping, haar macht, wijl zij Gods dienaresse is.
Zij regeert niet volgens eigen recht, treedt niet met eigen gezag op, maar krachtens aanstelling en opdracht van God. (blz. 119 V.).
Na uitvoerige beschouwingen van de daarmede saamhangende problemen en vraagstukken, gaat de schrijver over tof het vijfde hoofdstuk, getiteld: de roeping der Overheid inzake de religie.
Schrijver begint met een vergelijking der historie met het oog op dit onderwerp in het land van Luther en daar, waar men in de geest van Calvijn beleed.
Een punt van belang is, dat de gereformeerden van strengere opvatting en ook die op zulk een waardering geen aanspraak wilden maken, het geheel eens waren met het gevoelen, dat in art. 36 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis is neergelegd.
De gehele Reformatie heeft het standpunt ingenomen, dat de Overheid de zuivere religie moet beschermen en moet optreden tegen de valse leer. De schrijver zegt daaromtrent o.a. : , , dat de Reformatoren het doden van hardnekkige en gevaarlijke ketters, die godslasterlijke leringen verspreidden, welbewust en uitdrukkelijk hebben verdedigd en aangemoedigd", (blz. 165). Dat wordt door hem nader aangetoond ten aanzien van Luther, Zwingli en Calvijn.
Daarentegen hebben Doopsgezinden en Humanisten gepleit voor een vreedzaam samenleven van mensen van verschillende belijdenis en tegen de inmenging van de Overheid inzake de religie. (Vgl. blz. 171).
Deze aangelegenheid is voorts van genoegzaam belang om er wat uitvoeriger bij stil te staan, zodat wij ons voornemen daarop terug te komen.
*) door dr. D. J. de Groot. Uitgegeven in opdracht van de Christelijke Nationale Bibliotheek door T. Wever, Franeker, 1955. Prijs geb. f 10.-, voor deelnemers aan de Chr. Nat. Bibliotheek f 6.-.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 oktober 1957
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 oktober 1957
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's