Reformatie en Staatkunde II
Overheid en religie was het onderwerp. Dr. De. Groot had voorgesteld, dat de Gereformeerde belijders aan de Overheid de roeping toekenden om te waken over de zuivere religie. Art. 36 is bovendien duidelijk genoeg om dit te bewijzen : , , om te weren en uit te roeien alle afgoderij en valse godsdienst".
Over de interpretatie (de uitlegging) van deze waarden en de practische toepassing is intussen heel wat geschreven en gediscussieerd. En dat heeft zijn reden, want latere gereformeerden hebben zich tegen de voor de hand liggende betekenis en practische uitvoering verzet.
Anderen hebben het standpunt van Calvijn en Beza toegeschreven aan middeleeuwse invloeden. Dr. de Groot is echter terecht van mening, dat men daarmede niet uitkomt, (blz. 170). De reformatoren, zo zegt hij, stonden wantrouwend tegenover de erfenis der middeleeuwen. , , De Nederlandse Gereformeerden bestrijden de opvatting, dat de religie alleen mag worden beschermd en uitgebreid door het eeuwich gheestelick Sweert des Woordts Gods". Hun grief tegen Filips II was niet: dat hij het zwaard gebruikte, maar hij deed het verkeerd. Hij vervolgde de ware gelovigen en beschermde afgoderij en ketterij, (blz. 170 V.).
In verband met dit standpunt besluit dr. De Groot, dat men moeilijk kan volhouden, dat de oude Gereformeerden als „de grote kampioenen van de vrijheid van geweten en religie moeten worden geprezen". Hij voegt daaraan toe : „De roep om vrijheid voor ieder om te geloven en te leven, wat naar zijn eigen overtuiging waar is, is in de tijd der Reformatie veel meer uitgegaan van bepaalde Humanisten, onder welken dan vooral Seb. Castellio ver- dient te worden genoemd", (blz. 171). Naast de Humanisten hebben ook de Doopsgezinden er voor gepleit, dat de Overheid zich van inmenging in de zaken der religie zou onthouden.
Het is volmaakt overbodig, dit laatste nader aan te tonen, ten eerste, omdat dit als algemeen bekend mag worden aangenomen en voor wie het nog niet wist, kan het toch niet verborgen zijn gebleven, dat de nakomelingschap van het humanisme in Kerk en Staat dergelijke leringen verkondigt.
En wat het eerste betreft, n.l. dat de oude gereformeerden niet voor de vrijheid van religie opkwamen, daaromtrent is toch nog wel iets op te merken. Over het standpunt van Calvijn en Beza is geen verschil. Zij hielden het voor de roeping der Overheid over de zuivere religie te waken en men kan zeker aannemen, dat velen het volkomen met dit standpunt eens waren.
Ten andere houde men voor ogen, dat de oude Gereformeerden de ware godsdienst op het oog hadden en van de waarheid der Gereformeerde religie overtuigd waren, welke de Overheid als dienaresse Gods dus had te beschermen.
Voorts ontbrak het ook volgens dr. De Groot niet aan getuigen, die voor een vrije uitoefening van de godsdienst voor allen opkwamen, al vond dit mogelijk aanleiding in gestrengheid van de plakkaten, teneinde verzachting te verkrijgen, m.a.w. dat dit geschiedde uit practische overwegingen. Immers hij merkt op, dat Beza in een brief aan Jean Taffin ronduit verklaarde, dat de voorstanders der ware religie niet naar zodanige vrijheid moeten streven, (blz. 172).
Ten slotte zij nog opgemerkt, dat de Gereformeerden bij de uitroeiing van valse godsdienst en afgoderij dachten aan openlijke uitoefening en propagande daarvan, aangezien de Overheid de gewetens niet kan dwingen.
Dat geeft dr. De Groot niet alleen volmondig toe, maar hij haalt daarbij ten bewijze het commentaar van Calvijn op Joh. 18 : 36 aan : , , geen wetten en plakkaten van mensen, noch straffen dringen door tot de consciëntie". Dergelijke uitspraken worden ook bij andere Gereformeerden gevonden. En terecht waarschuwt dr. De Groot er voor, dat men daaruit niet moet concluderen, dat de Overheid geen taak tegenover de religie zou hebben. Dit laatste met een verwijzing naar Calvijn : , , dat het dwaas en onverstandig is, daaruit te besluiten, dat de leer van het Evangelie en de zuivere godsdienst niet met de wapenen moet worden verdedigd", (blz. 172-173).
Conclusie : De afwijkende overtuiging is vrij, zolang zij niet in de openbaarheid treedt. Men kan zich voorts niet op zijn geweten beroepen, indien dit anders getuigt dan de Heilige Schrift of de officiële confessie.
Zo ligt de zaak, en zo kon het te Geneve in praktijk worden gebracht. Deze stad had voor de Gereformeerde religie gekozen en de Roomse eredienst afgeschaft.
Men mene echter niet, dat Calvijn overal en onder alle omstandigheden naar deze stelregel zou hebben gehandeld of daartoe advies gegeven.
Onderstel nu eens, wat èn in die dagen èn later toch geen zeldzaam geval was, dat de Gereformeerden in de minderheid bleven tegenover een Roomse meerderheid. In zulke gevallen kan men in principe vasthouden aan de zoeven gevonden regel, maar men zal die in de praktijk toch niet altijd kunnen toepassen, althans niet in volle scherpte.
Dr. De Groot toont vervolgens aan, dat dit Calvijn ook niet is ontgaan, ja, dat hij er zelfs op wijst in zijn preek over Deuteronomium 17 : 2-7, als hij zegt: , , Laten wij er in de eerste plaats op letten, dat onze Heere hier spreekt over het straffen der afgodendienaars, wanneer er een gevestigde orde overeenkomstig Zijn Woord zal zijn. Indien God aan dit eind begonnen was, zou de rechtsorde slecht geweest zijn maar, wanneer Hij heeft aangewezen, hoe men Hem moet dienen, en een vaste regel heeft gegeven, en ons toont, dat wij eenvoudig moeten doen, wat Hij beveelt, en groten en kleinen geleerd hebben, welke God zij moeten aanbidden, en welke de ware religie is, — wanneer zij zo onderwezen zijn, maar daarna een man of vrouw zich afkeert en meinedig en ontrouw wordt jegens God, en afdwaalt achter de bijgelovige praktijken der heidenen, zal er dan nog enige verontschuldiging zijn ? Laten wij er dus goed op letten, dat deze wet gemaakt is voor het geval, dat er reeds een wettige Staat is, die God heeft gevestigd en die is ingericht naar Zijn Woord", (blz. 174). (Cursivering van mij, S.).
Men zou hieruit kunnen nemen, dat bij een niet gevestigde , , Gereformeerde orde" de verschillende godsdiensten naast elkander kunnen worden getolereerd. Het staat trouwens wel vast, dat men dat in zulke omstandigheden tot op zekere hoogte wel zal moeten doen, maar wij nemen aan, dat anderzijds toch ook het streven blijft, voor de ware religie te ijveren, opdat zulk een gevestigde orde na langer of korter tijd moge tot stand komen. Wij bedoelen daarmee, dat men zich toch niet al te spoedig moet neerleggen bij een houding van tolerantie.
Dr. De Groot gaat op dit punt in de discussie nog even nader in. Hij is n.l. van oordeel, dat de mannen, die in Frankrijk en in de Nederlanden het pleit hebben gevoerd voor godsdienstvrede, een aanknopingspunt konden vinden in de stelling aangaande de , , gevestigde orde". Hij. meent voorts, dat juist deze pleidooien er toe hebben bijgedragen om een weg te banen voor de gedachte der tolerantie. (Vgl. blz. 175).
Wij raken dan hier dus tevens weer aan de vraag, of de Gereformeerden met recht voor kampioenen van de vrijheid van geweten en van religie kunnen worden gehouden, waarover boven werd gesproken en wat door dr. De Groot ontkend wordt. Hij doelt op de oude Gereformeerden en dan zij wij met hem van oordeel, dat deze mannen niet zo tolerant van gevoelen waren.
Dat latere Gereformeerden tot verdraagzaamheid geneigd waren, behoeft daarom nog niet de invloed der Humanisten op hun denkwijze te verraden, al is dat wel mogelijk.
Wij denken echter liever aan de nood der omstandigheden, welke de Gereformeerde leidslieden heeft uitgedreven.
Het door dr. De Groot aangehaalde voorbeeld van de Hugenotenleider Ph. du Plessis Mornay, die in 1576 een verzoekschrift tot de Staten richtte, waarin hij weliswaar toegaf, dat het voor een land de meest gewenste toestand is, wanneer er onder de burgers eenheid van religie bestaat, maar er, wijl dit in Frankrijk niet het geval was, op aandringt, dat men de ketters (dat zijn de Hugenoten) vreedzaam tussen de Rooms Katholieken zou laten leven.
Deze man heeft in hetzelfde jaar ook een dergelijk verzoek tot de Staten en Heeren van onze lage landen gericht. (Vgl. blz. 176 V.).
Dergelijke requesten zijn er meer geweest en naar men meent, zelfs van de Synode der Gereform.eerde Kerken te Dordrecht in de zomer van 1578, terwijl de Synode stond onder praesidium van Petrus Dathenus.
Dr. De Groot brengt nog meer materiaal aan en spreekt over de adviezen door Graaf van Nassau in dit verband gevraagd, waaruit blijkt, dat , , niemand minder dan Beza", zo schrijft hij, , , de opvolger van Calvijn, die in de gehele Gereformeerde wereld werd vereerd als een vader en algemeen als de hoogste autoriteit werd beschouwd", in zijn advies de onverdraagzaamheid der Gelderse theologen bestrijdt. Hij is van oordeel dat aanvaarding van de godsdienstvrede het pausdom niet zal sterken. „Hij noemt het de beste manier om de ware religie te bevestigen, wanneer niet met wapengeweld wordt opgetreden, maar met het Woord van God, en wanneer de Christelijke liefde wordt betoond", (blz. 179 V.).
Om ons voor een haastige conclusie te bewaren, vaart dr. De Groot voort met te herinneren aan de zoeven genoemde Gelderse theologen, die opkwamen voor het standpunt van Calvijn, en aan het optreden van Dathenus te Gent, aan Marnix van St. Aldegonde en weet ons mede te delen, dat in 1580, toen verschillende advizeurs Jan van Nassau de godsdienstvrede aanbevalen, de Staten van Holland er niet aan dachten om die aan de Roomsen in hun gewesten te verlenen. Na de Unie van Utrecht kon moeilijk anders worden verwacht om van het verraad van Rennenberg maar te zwijgen.
Wij willen toch tot een conclusie komen, omdat het tenslotte gaat over de betekenis van Art. 36 onzer belijdenis. De zin van dit artikel kan niet aan de vrijheid van opvatting worden prijsgegeven.
Vast staat, en dat is dr. De Groot met ons eens, dat de grote leidslieden der Reformatie, met name Calvijn en Beza, om bij deze gezagvolle namen maar te blijven, van de overtuiging zijn uitgegaan, dat de Overheid een taak heeft jegens de godsdienst. Uit de boven aangehaalde preek van Calvijn over Deuteronomium 17, kan men als uit de mond van deze reformator vernemen, dat hij van oordeel was, dat de Overheid de zuivere religie moet beschermen en de valse godsdienst uitroeien, ja, dat dit naar Gods wil is en derhalve goddelijke roeping der Overheid.
Ook ten aanzien van Beza zou het niet moeilijk zijn uit zijn geschriften aan te tonen, dat zijn oordeel daarmee overeenkomt.
Wij mogen dus zeggen, dat dit objectief vaststaat.
Ten allen tijde zijn er Gereformeerden geweest, en zij zijn er vandaag nog, die zich achter Calvijn en Beza scharen en dus van oordeel zijn, dat de Overheid de Gereformeerde religie moet beschermen en — afgoderij èn valse godsdienst uitroeien.
Dat is zo, en wij houden het ook met deze belijdenis en menen, dat zij niet alleen toen, maar ook nu nog en altijd objectief van kracht is. De Overheid heeft die roeping. Dat is een stuk geloof.
Maar nu komt de praktijk : een bepaald land, met een bepaalde Overheid, een bepaald volk, een bepaalde geschiedenis en een bepaalde godsdiensstige situatie: Gereformeerden van verschillende soorten. Lutheranen, Roomsen, Joden, Humanisten, om niet te spreken van andere groepen en sekten.
Waar is nu de grens van het toelaatbare, van, wat men moet tolereren ? Noem nu de valse godsdienst en wijs die aan. Wat de Roomsen betreft, kunt gij met de belijdenis komen, b.v. met vraag 80 van de Catechismus over de mis, aldaar een vervloekte afgoderij genoemd.
Is het nu begrijpelijk, dat Calvijn, hoe eerlijk en oprecht hij van het principe overtuigd is, toch restricties maakt en de volle toepassing van Art. 36 slechts voorschrijft in het land, waar een algemene godsdienstige orde heerst, zoals in Israël, en zoals in zijn dagen door de machtige invloed van Gods Woord te Geneve het geval was ?
Bovendien hadden de vorsten en landsregeringen in die tijd meer macht om in deze zaken op te treden, dan in onze „democratische" tijd. De Franse Revolutie heeft in dit opzicht de weg gebaand tot een schier onbelemmerde vrijheid van een geest, die zich. in het einde kroont met de dictatuur, welke voor niemand meer vrijheid overlaat.
In veel sterker mate dan dit in de eeuw der Reformatie het geval was, stuiten wij in onze tijd op practische bezwaren om te kunnen verwachten, dat Art. 36 door de Overheid gehanteerd zou worden overeenkomstig de objectieve, principiële eis.
Niettemin hebben wij gezien, dat ook in de eeuw der Reformatie omstandigheden noopten tot een standpunt van tolerantie en dat zelfs Calvijn en Beza in zulke omstandigheden matiging hebben aanbevolen.
Dit betekent echter niet, dat wij Art. 36 loslaten, of trachten zó te interpreteren of te amputeren, dat het aan onze tolerantie-praktijk is aangepast, maar het betekent wèl, dat wij het in zijn objectieve en principiële zin voor ogen houden. Met name de Gereformeerde gezindheid kan daaruit leren, hoezeer zij in de eerste plaats zelf in de weg staat aan een gereformeerde orde van ons volksleven, omdat zij zich vanwege haar verdeeldheid niet alleen berooft van getuigende kracht in leer en leven, maar ook gevaar loopt niet ernstig genomen te worden.
S.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 oktober 1957
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 oktober 1957
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's