DE DORDTSE LEERREGELS HOOFDSTUK I, ART. XII
Van deze hun eeuwige en onveranderlijke verkiezing ter zaligheid worden de uitverkorenen te zijner tijd, hoewel bij onderscheidene trappen en met ongelijke mate, verzekerd; niet als zij de verborgenheden en diepten Gods nieuwsgierig doorzoeken, maar als zij de onfeilbare vruchten der Verkiezing, in het Woord Gods aangewezen (als daar zijn: het ware geloof in Christus ; kinderlijke vreze Gods ; droefheid die naar God is over de zonde ; honger en dorst naar de gerechtigheid, enz.) in zichzelven met een geestelijke blijdschap en heilige vermaking waarnemen. 2 Cor. 13 : 5.
Het is niet de bedoeling, dat wij artikel XII uitputtend behandelen, maar ik wil er toch nog een keer op terugkomen om ditmaal aan het laatste gedeelte de meeste aandacht te geven. Bij wie behoren deze kenmerken ? Behoren zij bij een bekommerde of bij een gelovige ? Het antwoord op deze vraag is weliswaar niet moeilijk, maar het is toch wel goed, dit nadrukkelijk te, memoreren. Het is een gelovige, die van zijn verkiezing verzekerd wordt. Het zijn geen kenmerken om de gelovige van zijn verkiezing te verzekeren. Dat wordt duidelijk gezegd. De uitverkorene wordt verzekerd. Dat is een werk van de H. Geest. De verzekering is geen werk van 's mensen verstand of overleg. Deze verzekering wordt niet gegrond op een algemene waarheid of op een algemene werkelijkheid. Het geloof is niet aller. En alleen de gelovige wordt van zijn verkiezing verzekerd. Het is ook duidelijk, dat het hier niet over een ingeplant geloofsvermogen gaat, waarvan de uitverkorene geen bewustzijn heeft. Het gaat om een geloof, dat de gelovigen waarnemen. Daar zal wel niemand ontkennen, dat zulks mogelijk is. Wanneer de uitverkorene zichzelf als verloren heeft leren kennen en in deze verlorenheid Christus heeft mogen aangrijpen, kent hij een vroeger en nu. Eerst was hij in de duisternis. Het ongenoegen Gods lag op hem. Maar nu is hij licht in de Heere. Dat licht kan bij tijden zwakker worden en hij kan het gevoel der genade voor een tijd verliezen, maar dat is het normale leven van de gelovige niet. Dat geloof kan dus worden waargenomen. Maar vanzelfsprekend wordt dat geloof niet waargenomen zonder dat de hoofdzaak van het geloof in het gezichtsveld komt. Wat neemt de gelovige waar? Hij neemt waar dat hij in Christus rust. Het geloof zelf is en blijft altijd een lege hand, een instrument. Die ledige hand kan niets; er is geen bewijs der verkiezing, los van Christus. Maar dat deze ledige hand Christus aangenomen heeft, dat is wat de gelovige waarneemt. Het is dus niet zo, dat de uitverkorene, die zijn ongeloof waarneemt, daarmee verwezen wordt naar zijn eigen ervaring of eigen leven. Daar wordt in artikel XII niet gezegd dat de uitverkorene op die dag of dat uur dit of dat heeft ondervonden. Dat kan heel goed waar zijn. Gods genade wordt vaak op een bepaalde dag geschonken, die de mens zich later min of meer kan herinneren. Maar dat is de grond van de zekerheid der verkiezing niet. Die grond is niet enige ervaring. Die grond is Christus, die men door het geloof mag omhelzen nu, heden.
Aan de andere kant ligt het gevaar, dat men geen weet heeft van droefheid, benauwdheid, ontdekking, verlorenheid en daarop volgende verlichting des verstands en overbuiging van het hart. Men heeft zo maar ineens geloofd. Men meent wel te weten van verlossing, doch daar ging geen onuitsprekelijke ellende aan vooraf. Dat is een merkwaardige zaak. Dat lijkt veel op een kind, dat in huis is, maar dat de moeder nooit gedragen heeft en dat ook niet uit haar geboren is. Het kind was er zomaar ineens. In het natuurlijke leven spreekt men dan van een ondergeschoven kind. Sommige mensen beschouwen zulk een ondergeschoven geloof als echt. Dit laten wij nu maar rusten. Comrie stelt in dit verband de vraag : Hoe hebt ge het toch zo spoedig gekregen, mijn zoon Jacob ? Maar al is het dat er drie stukken gekend moeten worden en de uitverkorene ervaring en bevinding krijgt van zijn ellende en ook ervaart, dat God hem opvoert uit de ruisende kuil en de diepte der ellende, deze ervaring is de grond niet, waar op de uitverkorene wordt gezet. Christus is de grond en dan een Christus, door het geloof aangenomen. Zo wordt de volle aandacht gelegd op de Borg en de gerechtigheid, die in Hem is. Want hoe is volgens de mannen van Dordt de verhouding van geloof en de Zaligmaker ? Dat vinden we kernachtig beschreven in artikel 22 van de Ned. Geloofsbelijdenis : , , Wij geloven dat, om ware kennis dezer grote verborgenheid te bekomen, de Heilige Geest in onze harten ontsteekt een oprecht geloof, hetwelk Jezus Christus met al Zijn verdiensten omhelst, Hem eigen maakt, en niets anders meer buiten Hem zoekt." Dus het geloof heeft niet zijn wezen in zichzelf, maar heeft z'n inhoud en wezen in Christus. Er is wel eens geschreven, dat artikel XII de rechtvaardigmaking door het geloof min of meer verdoezelt en daar het menselijke werk van geloven er zo voor in de plaats stelt. Niets is minder waar dan dit. Het gaat er juist om de aandacht op de rechtvaardigmaking in Christus te vestigen en op het werk van de H. Geest, die het geloof werkt door middel van het Evangelie. Maar dat is dan ook een strikt persoonlijke zaak.
Menigmaal wordt het zó voorgesteld in onze tijd, dat Christus alles goed gemaakt heeft. Dat is voor alle mensen in orde. Niemand heeft meer iets te vrezen. Het komt er nu maar op aan, dat men dit gelooft. Al onze zonden zijn in Christus vergeven. En als wij deze algemene regel maar voor waar houden, hebben wij de troost ervan. Het maakt op mij de indruk, dat men met algemene waarheden, met bijkans wiskundige stellingen bezig is of met axioma's. Men moet ze geloven, maar ook als men ze niet gelooft zijn ze toch waar.
Zo is het met 't geloof in de Bijbel niet. Daar worden de zonden vergeven aan hem, die in Christus is. De vereniging met de Persoon is eerst en dan vloeien uit de Persoon de weldaden over. Hier gaat het ook niet om het aannemen van een algemene waarheid. Geloven is Christus omhelzen. Tussen de middenorthodoxe en de gereformeerde prediking ligt een afgrond in de zaak van het geloof. Bij de eersten is een geloofsbegrip, dat ontleend is aan de natuurwetenschap. Zij bewijzen u de zaligheid, zoals de leerboeken voor wiskunde hun stellingen bewijzen. Het is alleen maar dom om die stellingen niét te geloven, doch verdere schade heeft men er niet van. Als tweede kenmerk noemt artikel XII de kinderlijke vreze Gods. Deze is niet los van het geloof in Christus. De mens, die in Christus is, ontvangt de Geest, die doet zeggen: Vader. Het kindschap is een weldaad, die uit de vereniging met Christus voortvloeit, en zo een kenmerk der verkiezing. De bekommerde zondaar leeft sterk in 'n slaafse vrees. Hij heeft de H. Geest ontvangen, die voor hem de wet verklaart, doch het is een Geest der dienstbaarheid tot vreze. Maar indien iemand in Christus is, dat is een nieuw schepsel, dat is een nieuwgeboren kind. Vandaar ook die droefheid over de zonde, die naar God is. Het is geen droefheid over de straf zonder meer, doch over de zonde. Deze droefheid wordt geboren uit de liefde tot God. Het is een droefheid over de verberging van Gods aangezicht en over de zonde zelf. Zou het kind des Heeren, dat uit God geboren is, niet haten wat God haat ? Doch dit grondgevoel is ook positief gericht. Het uit zich in een honger en dorst naar de gerechtigheid. Dat is niet de honger en dorst naar Christus en Zijn gerechtigheid alsnog niet aanwezig. Neen, het is een man, die in Christus gelooft en die inzoverre naar de gerechtigheid van Christus hongert, dat hij in de kennis van Christus wil toenemen, Daar jaagde immers de Apostel naar volgens Filippenzen 3. Maar de honger en dorst naar de gerechtigheid is ook dat ernstig voornemen, waarmede de gelovigen naar al Gods geboden beginnen te leven, gelijk zij de Heere geduriglijk bidden om dagelijks daarin toe te nemen.
Is dit nu Schriftuurlijk om te onderzoeken of men gelooft en is dit noodzakelijk? Voor hen die de verzoening met God en de vergeving der zonde als een algemene waarheid beschouwen, die voor alle mensen dus geldt, is het overbodig om te vragen of men wel waarlijk gelooft en om te vragen of men uitverkoren is. Zij leren immers aangaande het laatste punt óf dat alle mensen uitverkoren zijn, óf dat uitverkiezing weinig of niets met de zaligheid te maken heeft. Maar voor wie vast staat dat het geloof niet aller is en dat van het geloof in Christus de zaligheid afhangt, voor hem is het van grote betekenis of hij gelooft of zich slechts inbeeldt te geloven. En dan bevestigt de Schrift in 2 Cor. 13:5 dat de vraag of men gelooft, niet alleen mag, doch ook moet gesteld worden.
In dit hoofdstuk is er sprake van dat de Corinthiërs Paulus willen onderzoeken. Wacht even, zegt de Apostel, uzelf moet ge onderzoeken. Zij moeten onderzoeken of zij in het geloof zijn, d.w.z. of Jezus Christus in hen is. En als bij dit onderzoek blijkt, dat Jezus Christus niet in hen is, dan zijn ze af te keuren.
De Apostel laat de mogelijkheid open, dat zelfs de hele gemeente zou kunnen blijken niet te geloven, zegt prof. Grosheide. Dat wil niet zeggen, dat de Apostel dit verwacht, maar hij laat de mogelijkheid open. Het is een vraag, die er ineens tussengeworpen wordt en die de verklaarders zorgen baart, vooral hen, die dat zelfonderzoek overbodig achten. Maar voor onbevooroordeelde lezers is de tekst nogal duidelijk. Er staat niet: onderzoekt uzelf of gij nog in het geloof zijt. Dat zou de Apostel niet licht schrijven, want wie in Christus geborgen is blijft in Christus. Toch voegen sommigen dit „nog" in. Daar staat ook niet, dat de Apostel vraagt of zij allen wel geheel volgens hun geloof leven. Zo wil men het ook verstaan. , , Gehoorzaam ik de Heer wel, zoals dat van mij verwacht mag worden". Wanneer de Apostel dat bedoelde had hij niet kunnen spreken over verwerping. Volmaakte gehoorzaamheid is bij niemand en gedeeltelijk geloven of gedeeltelijk in Christus zijn bestaat ook niet. Men is met een zwak of sterk geloof in Christus of men is buiten Christus. Zo is er ook nog een derde verklaring, die de bedoeling van Paulus daarin zoekt, dat hij de Corinthiërs er toe wil brengen om zich van het „vleselijke" te reinigen. Waarom mag de Apostel hier niet op het enige nodige ineens wijzen ? Voor hem ging het niet om een beetje beter dit en een weinig gereinigder dat. Voor hem was er maar één vraag: zijt gij in Christus. Daar is geen verdoemenis voor degenen die in Christus Jezus zijn. Het moge niet helemaal logisch uit het verband van 2 Cor. 13 volgen, dat Paulus deze vraag hier stelt, hoewel er een sterk aanknopingspunt is, het volgt zeker uit de kerngedachten en wortelwoorden en zekerheden van de Apostel. Het komt maar op één ding aan : dat men in Christus is ingelijfd door een waar geloof. Dat ware geloof wordt in de roeping verwekt en geboren. Die roeping valt alle uitverkorenen ten deel, doch die alleen, wie dus in zichzelf de kenmerken van het ware geloof vindt, kan door middel van de waarneming van dit geloof in Christus van zijn verkiezing verzekerd worden door de H. Geest der verzegeling (Efeze 1 : 13)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 oktober 1957
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 oktober 1957
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's