In Schrifturlijk en reformatorisch licht
II (Slot).
Hoe wordt in de tijd der reformatie, de bloeitijd van Gods kerk, de gemeente als het ware telkens weer rondgeleid in het arsenaal van de wapenrusting des geloofs en het haar toegeroepen : hier ligt uw kracht tegenover de omleidingen en de aanvallen des duivels. De reformatoren zeiden het de apostel Paulus met nadruk, met klem en kracht na : „doet aan de gehele wapenrusting Gods ....", met als vrucht daarvan : , , opdat ge kunt staan".
Onze belijdenisgeschriften geven ons hetzelfde geluid van de verzekerdheid des geloofs te horen, als zijnde het deel van de ware gelovigen, en waarnaar ze in tijden van inzinking te staan hebben. Staan naar klaarheid en niet naar naarheid.
Het is goed dat wij, die wensen te leven naar Schrift en belijdenis, telkens maar weer naar deze bronnen terug gaan. Tot de bronnen terug, want daar wordt het zuivere water gevonden. Er was Calvijn veel aan gelegen aan de versterking van het geloof der eenvoudigen en ook Gods Woord wekt daartoe op. Geef dan rekenschap van de hope die in u is, zo luidt het in de Heilige Schrift. En in Col. 1 : 23 : „Indien gij maar blijft in het geloof, gefundeerd en vast". Het is toch zo dat Gods gemeente niet ontvangen heeft de Geest der dienstbaarheid wederom tot vrees, maar de Geest der aanneming tot kinderen, door welke zij roept: Abba, Vader. Wandelt, zo wordt er opgewekt, dan in de vrijheid, waarmede Christus u vrij gemaakt heeft.
Het is waar, de apostelen die gedreven door Gods Geest, datgene wat we zo juist noemden, aan Gods kerk voorhielden, kennen ook de klacht, opkomend uit zonde- en zelfkennis, in het bewustzijn van nog slechts een zeer klein beginsel der ware gehoorzaamheid te bezitten.
Maar — en laten we hiervan goed doordrongen zijn — hun leven was een leven des geloofs, dat de klacht zeer zeker wel kende, maar wier leven toch niet door de klacht overheerst werd. Moet er nog op gewezen worden dat Paulus' klacht : , , Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods", onmiddellijk gevolgd wordt door de jubel der verzekerdheid : , , Ik danke God, door Jezus Christus, onze Heere". Leest u er b.v. de Romeinenbrief maar eens op na. Noteert dan eens hoe dikwijls Paulus het heeft over het stuk der ellende (en dat zijn meerdere teksten), doch ziet u daarnaast ook eens hoe dikwijls diezelfde Paulus het heeft over de rijkdom der genade die daar is in Christus Jezus, voor de gelovigen, waarvan hij zich met zijn broederen deelgenoot wist. En wanneer ge dan het eerste aantal teksten plaatst tegenover de teksten die in het teken staan van de verlossing, de dankbaarheid en de zekerheid des geloofs, dan komt ge tot de ontdekking dat deze laatste belangrijk groter in getal zijn.
Wie kent niet dat onvergelijkbaar schone, van geloofsverzekerdheid getuigende Schriftgedeelte: „Want ik ben verzekerd dat noch dood, noch leven, noch engelen, noch overheden, noch machten, noch tegenwoordige noch toekomende dingen, noch hoogte, noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus onze Heere ? "
En hoe getuigde Paulus eens in zeker heid des geloofs : , , Wiens ik ben en Wie ik dien".
Deze zelfde klanken nu beluisteren we telkens weer in de geschriften der reformatoren, evenals in onze belijdenis geschriften. De taal des geloofs klinkt er uit op. Begint de Heidelbergse Catechismus niet met: „Wat is uw enige troost, beide in het leven en sterven ? ", waarop dat schone antwoord volgt: , , Dat ik met lichaam en ziel, beide in het leven en sterven, niet mijn, maar mijns getrouwen Zaligmaker Jezus Christus eigen ben, die met Zijn dierbaar bloed voor al mijn zonden volkomenlijk betaald en mij uit alle heerschappij des duivels verlost heeft, en alzo bewaard, dat zonder de wil mijns hemelse Vaders geen haar van mijn hoofd vallen kan, ja ook, dat mij alle ding tot mijn zaligheid dienen moet; waarom Hij mij ook door Zijn Heilige Geest van het eeuwige leven verzekert, en Hem voortaan te leven van harte willig en bereid maakt".
En als we dan vervolgens de Nederlandse Geloofsbelijdenis opslaan, hoe treft ons daarin dat regelmatig terugkerende : wij geloven, wij belijden, wij geloven en belijden, om te eindigen in art. 39 met dan aan alle twijfel teboven zijnde geloofsgetuigenis : , , daarom verwachten wij die grote dag met een groot verlangen, om ten volle te genieten de beloften Gods, in Jezus Christus, onze Heere".
Wanneer we hier zo met nadruk wijzen op de geloofsverzekerdheid is dit niet om daarmede te beweren dat het geestelijke leven altijd een leven op de Nebo-toppen des geloofs zou zijn. Dit te beweren zou ingaan tegen het getuigenis der Heilige Schrift zelf en ook tegen het echte geestelijke leven, zoals zich dit in de levende gemeente openbaart.
Doch wel is het onze bedoeling, nu we met onze gedachten weer toeven in de tijd der reformatie, er op te wijzen dat in die dagen, zoals ook o.a. in de tijd der apostelen, er méér werd geleefd uit het geloof, méér op Christus werd gezien, dan in onze dagen het geval is bij degenen van wie we uit de aard der liefde mogen geloven, dat ze geen vreemdelingen zijn aan het leven der genade.
Wat kan de oorzaak daarvan zijn? En laten we nu niet te gemakkelijk zeggen : , , de Heere houdt Zijn Geest in", of „er is 'n souvereine vrijmacht Gods". Dit is inderdaad één zijde van de zaak. Maar de andere zij^e is deze, dat de oorzaak ook weleens gezocht zou moeten worden hierin, dat het geestelijke leven niet meer geheel langs de Schriftuurlijke en reformatorische banen zich beweegt en geleid wordt. Dat men van de fundamentele stukken des geloofs zich enigszins verwijderd heeft en daardoor de kracht die daarvan, onder Gods zegen, uitgaat, niet meer in die mate ervaart, als b.v. in de bloeitijd der kerk het geval was.
Ds. Tukker heeft eens het volgende geschreven: , , Het reformatorisch denken en spreken was veel meer op het geloof gericht, en het is slechts deformatie geweest, toen de Gereformeerden in vroeger eeuwen van dit scherp getekende en krachtige spoor zijn afgegleden. Wie 't geloof ziet in z'n bijbelse diepte en in de kracht, waarmee Zondag 7 van de catechismus ervan getuigt, behoeft niet bang te zijn voor vervlakking. Waar het geloof werkt, beide in de prediking en in het hart van de gemeente, daar komt Christus aan Zijn eer en daar komt het heil tot gelding. Het geloof doet alle terreinen van de dogmatiek betreden. Waar het geloof werkzaam is, daar komen ook de sacramenten tot hun recht, daar is de Doop niet meer een formalistische handeling en het Avondmaal niet meer een angstwekkend probleem. Met het geloof gaat de troost van het Evangelie hand in hand. Hier is, dunkt mij, nadere en diepere bezinning in onze kringen nodig. Hiermede hangt samen b.v. het vijfde hoofdstuk van de Dordtse Leerregels, een stuk wat stellig meer bestudeerd en bepreekt moet worden. De zekerheid des Heils en de blijdschap des geloofs zijn beide echt reformatorisch bezit geweest en dat zijn zij onder ons maar sporadisch meer. En zij vormen toch de eis van de Heilige Schrift, de kracht van de belijdenisgeschriften en de glans van de liturgische geschriften. Met de veelmaals geciteerde tekst uit Zéfanja 3 : , , Maar Ik zal in het midden van u doen overblijven een ellendig en arm volk, die zullen op de Naam des Heeren betrouwen", worden beide de gewisheid en de vreugde des heils zo gemakkelijk op dood spoor gezet. Niet dan tot schade der zielen en tot verkleining van Gods eer. Men zal er zeker niet in een ander uiterste mogen omslaan, maar men zal toch deze reformatorische waarden tot hun recht moeten laten komen".
Zo is het inderdaad.
Van een leven des geloofs kan getuigende kracht uitgaan. Zoals van Paulus' woord , , Wiens ik ben en Wie ik dien", waaruit de blijdschap des geloofs doortrilt, hetgeen tot jaloersheid strekt. Hier staat de vrome mens niet in het centrum, doch wandelt een begenadigd zondaar achter de Voleinder des geloofs, Jezus Christus.
Gods gemeente in onze dagen is zo veelszins ontzonken aan de kinderlijke blijdschap des geloofs. Het ontbreekt zozeer aan dat beproefde, gerijpte geloofs-iven dat door worsteling heen tot het licht komt, dat de persoonlijke, levende geloofsband met de God des Verbonds kent.
Alles in Christus.
Wie Jezus Christus door het geloof bezit, die heeft in Hem zijn gehele zaligheid. En wie nog iets, ook al zou het de Heilige Geest zelf zijn, buiten Christus zoekt, die maakt Christus tot een halve Zaligmaker. Gods Geest, Die de Geest des geloofs is, is een Gave van Christus. Door Zijn borgtochtelijk lijden en sterven heeft Hij immers de volheid des Geestes verworven en van de Vader ontvangen.
Sprak Christus niet met de Samaritaanse vrouw over de genade en de kracht van Zijn Geest, in het beeld van het levende water? En zeide Hij niet tot haar: , , indien gij de gave Gods kendet en wie Hij is. Die tot u zegt: geef Mij te drinken, zo zoudt ge van Hem hebben begeerd - en hier beluisteren we weer het rijke Evangelie van Gods genade - en Hij zou u (niet misschien), maar: Hij zou u levend water gegeven hebben". Calvijn tekent hierbij aan: , , Door deze woorden betuigt Christus, dat indien onze beden tot Hem gericht worden, zij allerminst vruchteloos zullen zijn. Wanneer Christus degenen, die tot Hem komen, te hulp snelt en bereid is om allen te verzadigen, is er geen plaats meer voor traagheid of dralen".
In deze dagen rondom de herdenking van de Hervorming, willen we het elkander toeroepen: , , Terug tot de bronnen!"
Tot de bron van Gods Woord.
Tot de bron der reformatorische geschriften.
Dit kan geestelijke winst brengen, omdat indien we het water niet direct uit de bron ontvangen, het daarna vaak zo vertroebeld tot ons komt.
We weten Gods weg niet in een mensenziel, die Hij brengt tot geloof in Zijn Evangelie. Maar altijd zullen Woord en Geest daarbij nauw verbonden zijn. En Woord en Geest zullen heenwijzen naar Jezus Christus, voor het eerst, maar ook telkens weer opnieuw, zodat Gods gemeente leert bidden: „opdat ik Hemkenne en vervolge te kennen".
Jezus Christus.
Veel meer moest Hij in het middelpunt van ons denken staan en op de voorgrond van ons geestelijk leven.
Groter gestalte moest Hij in ons hart verkrijgen. Hij, Die de gestalte van de boetvaardige tollenaar niet veracht, doch hem gerechtvaardigd naar huis doet gaan.
Wie Hem heeft gezien met het óog des geloofs in Zijn nederige geboorte, in Zijn bereidwillig, borgtochtelijk, verzoenend lijden en sterven, in Zijn dood-overwinnende en leven-verwervende opstanding, in Zijn ten hemel-opvaring om de Zijnen plaats te bereiden, in Zijn beloftevervullende uitstorting van de Heilige Geest der vertroosting, in Zijn Hogepriesterlijk , , leven om te bidden" aan de Rechterhand des Vaders, opdat het geloof dergenen die Hem kennen, niet ophoude, wie Hem zo heeft gezien door het geloof, kan alleen maar in ootmoedige aanbidding voor Hem nederknielen, aanschouwende Hem, de Koning in Zijn schoonheid, terwijl het verlangen Zijner bruidskerk in het hart ontwaakt en zich vertolkt in het , , Kom, Heere Jezus, ja kom haastelijk".
De Heere schenke of vermeerdere ons het geloof, opdat we ons. Hem ter verheerlijking, mogen openbaren als levende en open brieven van Christus. Als lichtend licht en zoutend zout. Als getuigen, die Zijn Naam belijden en Hem al onze liefde waardig schatten.
Moge Hervormingsdag 1957 de sprake die er van de bloeitijd der reformatie uitgaat, tot diep in ons hart doen doorklinken. Dan zal er onder Gods zegen zowel voor het persoonlijk als voor het kerkelijk leven, inplaats van nabloei weer opbloei van het waarachtige leven des geloofs aanschouwd worden.
Dan zal ons leven staan in Schriftuurlijk en reformatorisch licht.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 oktober 1957
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 oktober 1957
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's