De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Veel of . . . Alles ?

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Veel of . . . Alles ?

9 minuten leestijd

Genesis 33 : 9m : , Ik heb veel" Genesis 33 : 11 m : „Dewijl ik alles heb"

Vorige week is er op vele plaatsen in ons land dankstond voor gewas en arbeid gehouden. Daarbij zijn wij opnieuw bepaald bij de zegen, die wij in het afgelopen seizoen in allerlei vorm van God mochten ontvangen. Maar daarbij is ons ook wellicht weer gewezen op de betrekkelijkheid van alle aardse bezit.

Het ware geluk schuilt immers niet in wat wij bezitten naar de wereld, maar in wat wij zijn voor God. Dat geeft alleen aan het leven betekenis en waarde. En dan kunnen wij eigenlijk ook alleen van zegen spreken.

Dat komt wel heel duidelijk uit in de woorden, die boven deze overdenking staan. Daarin komt wel heel treffend het verschil naar voren tussen iemand, die God kent in zijn leven en iemand, die Hem niet kent.

Het gaat hier namelijk om twee woorden, die uitgesproken werden bij de ontmoeting tussen Jakob en Ezau, Na twintig jaar van scheiding is dit ogenblik nu aangebroken.

En het voorafgaande verhaal vertelt ons, dat Jakob aanvankelijk tegen deze ontmoeting heeft opgezien. Allerlei vragen waren in zijn onrustig hart opgeklommen, vooral toen hij hoorde, dat Ezau hem met vierhonderd man tegemoet trok, Hoe zou hij Ezau ontmoeten? Zou het zijn in toorn of in vrede?

En in zijn nood had hij toen zijn maatregelen genomen. Allereerst had hij aan zijn broer een rijk geschenk gestuurd in de vorm van vijf kudden vee, om te laten zien, dat zijn hart uitging naar vrede en verzoening. En vervolgens had hij zijn vrouwen en kinderen en alles, wat hij bezat over de Jabbok laten trekken, om zelf aan deze kant achter te blijven.

En daar bij die Jabbok heeft Jakob toen zijn strijd met God gestreden in de eenzaamheid van de nacht. Heel zijn schuldig verleden is daar op hem afgekomen. Hij, die zo vaak allerlei listige wegen gegaan was vol zonde en bedrog, werd hier door God Zelf in het nauw gebracht, opdat hij het leren zou geheel af te zien van zichzelf, en te vertrouwen op dé Heere alleen.

En gelukkig heeft Jakob dit ook begrepen. Hij heeft het gevoeld, dat hij met God Zelf te maken had. God, Die heilig en rechtvaardig is. Want terwijl hij gebukt ging onder het zelfverwijt van zijn ziel en onder de bedreiging van Gods toorn, heeft hij het toch uitgeroepen : , , Ik laat U niet los, tenzij dat Gij mij zegent!" En Jakob heeft ook overwonnen. God heeft hem Zijn genade bewezen. En getroost en gesterkt is Jakob opgestaan, bij het opgaan van de zon, om zijn broer tegemoet te gaan.

En zie. God maakt het bij deze ontmoeting voor Jakob alles wèl. Want op vriendelijke wijze komt Ezau hem tegemoet en verzekert deze hem van zijn gunst. Alleen het geschenk, dat Jakob hem gestuurd heeft, wil hij niet aanvaarden. Met een breed gebaar zegt hij : , .Ik heb veel mijn broeder; het zij het uwe, wat gij hebt!" Maar tenslotte bezwijkt hij, als Jakob blijft aandringen. Want zegt Jakob : , , Neem toch mijn geschenk, dat u gebracht werd, want God is mij genadig geweest, en ik heb alles !"

„Ik heb veel !" — „Ik heb alles !", Dat zijn dus twee woorden, die uitgesproken werden bij de ontmoeting tussen Jakob en Ezau,

En als wij dan bij het woord van Ezau beginnen, dan valt niet te ontkennen, dat dit een opmerkelijk woord is. Hier zegt Ezau toch : , , Ik heb veel".

En dat hoor je niet zo heel vaak zeggen. Over het algemeen hoor je de mensen klagen: „Ik heb maar zo weinig !" Of: , , Ik heb lang niet genoeg !" Maar hier wordt gezegd, en dat nog wel door iemand, die God niet dient: ', , Ik heb veel!"

Is dit niet beschamend voor allen, die zo vaak zeggen, dat zij niet genoeg hebben, of die altijd maar weer denken, - dat zij van alles tekort komen ? Alsof God niet op rijke wijze voor ons zorgt!

Immers, van wie ontvangen wij het leven ? En aan wie hebben wij de gaven te danken, die wij elke dag mogen genieten ? Komt dit alles niet tot ons van God, Die het niet moe wordt om voor ons te zorgen?

Wat durven wij dan vaak te klagen, alsof God niet voldoende voor ons zorgt? Is er soms een gave, waar wij recht op hadden ? Als wij klagen, moeten wij dan niet klagen over onze zonden ?

En zie, — als wij dat waarlijk verstaan, als wij door Gods Geest een open oog ontvangen hebben voor de eigenlijke nood van ons leven, voor onze armoede en verlorenheid, maar tevens voor de rijkdom van Gods gaven, bovenal voor de gave van Zijn Zoon, — dan zullen wij het woord van Ezau overnemen. Ja, dan zullen wij in ons belijden zelfs boven dit woord uitgaan.

Want al zegt Ezau dan in zijn vermeend geluk : „Ik heb veel!", toch erkent hij daarin niet de hand van God. Dat vindt hij blijkbaar niet nodig. Hij meent genoeg te hebben aan wat hij bezit. Daarin zoekt hij zijn troost en geluk. En in dit opzicht heeft Ezau heel wat navolgers gehad en heeft hij die nog. Er zijn toch heel wat mensen, die alleen maar voor het zichtbare leven en daarin opgaan. En onder deze mensen kom je er ook nog weleens een tegen, die aardig tevreden is over zichzelf en met wat hij bezit, en net als Ezau zegt: , , Ik heb veel!"

Maar, als wij niets meer kunnen zeggen dan dit, wat hebben wij dan nog ? Dit is toch niet genoeg met het oog op de eeuwigheid. Dit kan ons geen troost geven in het leven en geen uitzicht bij het sterven. Want dan missen wij nog het voornaamste, dat onmogelijk gemist kan worden, dat is : de vrede met God door Jezus Christus,

Maar daar heeft Ezau geen oog voor. Dat wil hij niet erkennen. Hij leeft alleen maar voor het zichtbare en beroemt zich op het vele, dat hij bezit.

Maar al heeft hij dan nog zoveel, Jakob kon van nog heerlijker dingen getuigen. Hij bezit oneindig veel meer dan geld en vee. Hij bezit immers God in zijn leven en met Hem de belofte van de komende Verlosser, En daarbij vergeleken zinken alle aardse dingen in het niet. Zij zijn dan slechts een genadevolle toegift van de hemel.

Dat zien wij, als Jakob zegt tegen Ezau : „Neem toch mijn geschenk, dat u gebracht werd, want God is mij genadig geweest, en ik heb alles !"

Jakob erkent dus, dat alles, wat hij heeft, te danken is aan de genade en de trouw van zijn God.

En dat is een wonder !

Hier zien wij immers een andere Jakob dan vroeger. Toen ging hij maar al te vaak zijn eigen weg en probeerde hij vaak op listige wijze zijn doel te bereiken. Maar op de leerschool van Gods genade heeft Jakob veel geleerd. Daar heeft God dat eigen werk van Jakob afgebroken, om hem te maken tot een Israël, een strijder Gods.

En die verandering is heerlijk!

Jakob kent nu toch die God, Die machtig is om alle dingen te schenken. Hij bezit nu dat ene nodige, dat de mens waarlijk rijk maakt, en hem doet zeggen: „Ik heb alles !"

En welk een zegen is het, als wij dat mogen bezitten, als wij God mogen kennen in ons leven en ons door Christus met Hem verzoend mogen weten.

Toen ik dat had leren kennen, zegt Bunyan ergens, was ik als die mensen, die wel wat kleingeld op zak hebben, maar die hun eigenlijke schat thuis hebben, veilig weggeborgen.

Bunyan bezat namelijk een schat in de hemel, dat was Christus, zijn gerechtigheid. En al wat hij hier genoot en ondervond van Gods goedheid was wel heerlijk en troostvol, maar het was tenslotte wat kleingeld, dat genomen werd uit die schat in de hemel, maar dat spoedig weer op was.

Maar onaangetast bleef zijn schat in de hemel, waarheen hij telkens met al zijn nood en armoede de toevlucht mocht nemen.

En hierin had Bunyan gelijk. In Christus ligt voor een zondaar, die zijn wezenlijke nood is gaan kennen, alles. In Hem ligt er rijkdom, die nooit uitgeput raakt. Want Hij, Die rijk was, is toch arm geworden, opdat Hij armen in zichzelf door Zijn armoede zou rijk maken.

En nu is dit maar de vraag : Kent ook gij die rijkdom in uw leven ? Bezit gij met Jakob alles ? Dat is alleen mogelijk, als gij, net als Jakob, de Heere hebt leren kennen in uw leven, als gij, net als hij, geworsteld hebt, om het behoud van uw ziel. Dan hebt gij het door Gods genade geleerd af te zien van uzelf en te belijden, dat gij in uzelf arm en verloren zijt. Maar dan hebt gij in de nood van uw leven ook Ieren vragen naar de weldaden, die Christus voor de Zijnen verworven heeft. Dat zijn weldaden voor dit en het eeuwige leven.

En met die weldaden is 'n mens waarlijk rijk en gelukkig. Daarmee bezit hij werkelijk alles. Want hij is dan rijk in God door Jezus Christus.

En dan is het nog wel zo, dat het leven ook dan nog vaak donker en moeilijk kan zijn. Ook dan kunnen de zorgen ons nog dikwijls drukken of de zonden ons benauwen. Ja, het kan zelfs zo ver komen, dat wij met Jakob zeggen, wat hij elders zegt: , , Alle dingen zijn tegen mij!"

Maar dan is dit het heerlijke, dat God ons dan vasthoudt, ons telkens opnieuw het uitzicht geeft op Zijn rijke beloften in Jezus Christus.

Daarom :

Zalig hij, die in dit leven,

Jakobs God ter hulpe heeft,

Hij, die door de nood gedreven.

Zich tot Hem om troost begeelt,

Die zijn hoop in 't hachlijkst lot.

Vestigt op de Heer', zijn God!"

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 november 1957

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Veel of . . . Alles ?

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 november 1957

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's