HET HERVORMD GEREFORMEERD APPÈL
I. Situatietekening en uitgangspunt.
Men kan met enig recht beweren, dat de positie van de gereformeerde gezindte in onze Nederlandse Hervormde kerk door de invoering van de nieuwe kerkorde principieel is gewijzigd.
Voordien leefde de Kerk onder een reglementenbundel en onder een besturenorganisatie die zodanig functioneerden, dat van een tot gelding komen van de leer der Kerk niets terecht kwam. De van die leer afvoerende richtingen konden zich in de vorige eeuw onbelemmerd ontwikkelen. De Kerk ontzegde hun niet de pretentie, evenveel recht in de Kerk te kunnen doen gelden als dat deel der Kerk, dat bij een Schriftuurlijke, reformatorische prediking bleef. Dus eiste prompt elke richting die pretentie, de kerk voor eigen meningen te mogen annexeren, voor zich op en gedroeg zich daar ook naar. De theoretisch-principiële scheiding tussen confessionelen-gereformeerden, die de leer der kerk zochten te honoreren en hen, die daar min of meer vrijblijvend tegenover wilden staan, verloor door het van hogerhand toelaten van kerkelijke vrijbuiterij haar practische betekenis. In de practijk kwamen de confessionelen-gereformeerden en de andere richtingen als gelijkwaardige groeperingen naast elkaar te staan. Ieder streed naar hartelust om kerkelijk terrein te winnen of te behouden. Plaatselijk kon dit minder voelbaar worden gemaakt door een modus vivendi in een of andere vorm, maar de tegenstellingen en spanningen bleven daarbij bestaan: het werd hoogstens een gewapende vrede, een zich vastzetten in loopgraven. Hèt kenmerk voor het contact tussen de kerkelijke richtingen was : strijd.
Na de oorlog is eerst de werkorde, daarna de nieuwe kerkorde ingevoerd. In het befaamde artikel X wordt de klassieke belijdenis der Kerk, de drie formulieren, als zodanig genoemd. Verder wordt daarin uitgesproken, dat de Kerk is gehouden, te weren wat haar belijden weerspreekt. Wanneer we nu, hoe moeilijk dit ook valt, daar laten hoe dit in de practijk werkt of niet werkt — daartegen hebben wij principiële bezwaren— dan kan toch niet worden ontkend, dat in principe artikel X een kerkrechtelijke klankbodem vormt voor het appèl, dat van de belijdenis tot de gehele kerk uitgaat. Dit betekent, dat weer iets zichtbaar is geworden van het principiële verschil tussen hen, die geen en hen, die wel reserves tonen tegenover een eerlijk en ronduit functioneren van de belijdenis in het kerkelijk leven. Zij, die deze reserves niet kennen — wat dus de gereformeerde gezindte in onze kerk kan worden genoemd, mits dit niet te beperkt wordt opgevat — kunnen zich daarbij de vertolkers weten van dit appèl, de anderen : de aangesprokenen. Zo is sinds de nieuwe kerkorde de verhouding der richtingen meer bepaald door: het appèl. Dat wil dus zeggen, dat de kerkorde de belijdenis, waartoe de Kerk der Reformatie werd gedrongen, in zekere zin weer tot een appèl of wekroep heeft gesteld, die door de Kerk van heden vertolkt en verstaan moet worden.
Wanneer we zo strijd en appèl tegenover elkaar stellen als kenschetsing van de verhouding der richtingen, dan is daarmee niet bedoeld, dat vóór de invoering van de N.K.O. het appèl nooit zou hebben weerklonken, en erna de kerk geen toneel van strijd meer zou zijn. We weten wel beter. Strijd en appèl vormen echter wel de grondtrekken van het wezen van de oude en de nieuwe toestand.
De Kerk behoort de , , religie der belijdenis" te zien als een richtpunt, waarop zij zich heeft te oriënteren en als een geloofsinhoud, waar zij naar toe moet groeien. De gereformeerde gezindte zal daarbij die religie hebben uit te dragen op een wijze, die dit groeiproces bevordert.
Hoe werkt, dit nu in de practijk ? Het antwoord kan zonder meer luiden: slecht. Het contact der richtingen wordt nog steeds veelal door een streven naar of behouden van macht bepaald.
Wanneer wij daar reserves tegenover willen tonen, dan willen wij daarbij onverkort laten meespreken het onderscheid tussen hen die de belijdenis der kerk wel, en hen die ze niet serieus nemen. Dan wordt elk machtsstreven van de niet-gereformeerden laakbaar, in zoverre het de Kerk van het geloof der belijdenis wil afleiden of afhouden. Bij de gereformeerde gezindte is het doel van een machtsstreven zonder meer goed te noemen. Als methode kan het daar — in geval het namelijk een appèlmoment in zich heeft — wel toelaatbaar heten, maar kan het ook verkeerd en der Kerk onwaardig zijn, indien het geheel der Kerk te weinig in het oog wordt gehouden. Gaat het alleen maar om het verkrijgen of behouden van levensruimte voor zichzelf zonder meer, dan is dat te eng gedacht. Men dient te bedenken, dat er anderen in de Kerk zijn die ook teruggebracht moeten worden tot het waarachtig geloof der vaderen, wat niet door kracht, noch door geweld, maar door de Geest des Heeren zal geschieden.
Het hervormd gereformeerd appèl vindt zijn uitgangspunt in het hervormd gereformeerd kerkbegrip. Daarin wordt de Kerk gezien zowel als de ruimte waarbinnen God Zijn genade wil meedelen door de prediking des Woords, alsook als de gemeenschap der ware Christgelovigen (vgl. Calvijn, Inst. IV, 1, 7).
Noemen we de Kerk de ruimte, waarbinnen God Zijn weldaden aan zondaren wil meedelen door de bediening des Woords en der Sacramenten, dan zijn we daarmee in de lijn van de Schrift, waar onder de oude bedeling geheel Israël als Gods volk wordt aangemerkt, en in het Nieuwe Testament de gemeente als geheel wordt genomen. Deze bijbelse lijn gaat dan. terug op de sluiting met Abraham van het verbond, waarvan vroeger de besnijdenis en nu de doop het teken en zegel is. Zo is dus de Kerk niet te zien als verbondsgemeenschap, eenvoudigheidshalve —• hoewel niet geheel juist — te omschrijven als : allen die gedoopt zijn.
Nu zijn er tweeërlei kinderen des verbonds ; zij die wel in de Kerk, maar niet van de Kerk zijn en zij, die wel van de Kerk zijn, en die men, naar art. 29 N.G.B., aan de merktekenen der Christenen kan kennen, te weten uit het geloof en uit hun werken — bij dit laatste de blijvende zonde in aanmerking nemend. In antwoord 54 van de Catechismus lezen wij van dezulken, dat Christus hen in een gemeente (Kerk) in enigheid des waren geloofs vergadert. Zo is de Kerk dus ook geloofsgemeenschap. Dat ware geloof (antw. 60) kan moeilijk anders zijn dan dat, wat verbindt aan de Christus der Schriften en daarmee ook aan de heiligen aan wie het geloof mede was overgeleverd, die dit in de hoogtepunten van de geschiedenis der Kerk (de Oude Kerk, de kerk der Reformatie) hebben beleden en daarvoor hebben gestreden (Judas: 3). Zo krijgt de belijdenis der Kerk het juiste accent; zij is niet belijdenis-zonder-meer, maar belijdenis des geloofs, van het ware geloof, dat niet opgaat in een beamen van de belijdenis, maar dat Christus en Zijn weldaden aanneemt (antw. 60 H.C.) en daarom met de heiligen uit de Reformatietijd de belijdenis mee-belijdt.
De Kerk is dus zowel verbondsgemeenschap waartoe ieder behoort die gedoopt is, als geloofsgemeenschap, waarin Christus vergadert allen die Hem met een waarachtig geloof aanhangen.
Het kan voor ieder duidelijk zijn, dat tussen deze twee aspecten van het Kerkzijn een sterke spanning bestaat, dezelfde spanning als die tussen verkiezing en roeping., Immers de doop vraagt om een bevestiging van dit teken in een leven des geloofs, waarbij de Heilige Geest ons toeeigent wat wij al „verbondsmatig" ontvangen hebben. Ook waar de practijk uitwijst dat deze bevestiging van de doop in het latere leven niet plaats vindt, daar behoorde dit wèl plaats te vinden ; dat is juist de klem die de doop op ons legt, de prediking die van dit sacrament uitgaat. Door deze spanning tendeert de Kerk als verbondsgemeenschap naar de Kerk als geloofsgemeenschap.
Het is kenmerkend voor het kerkbegrip van de hervormd gereformeerden dat het die spanning ten volle wil laten gelden.
De niet-gereformeerden in de Hervormde Kerk trachten de spanning te verminderen of weg te nemen, door ook meningen, die gereserveerd staan tegenover het belijden der Kerk of zelfs daar van af willen voeren, te verklaren tot aspecten van een in wezen onkenbare Waarheid. Zo kan zo ongeveer ieder voor een gelovige worden gehouden. De belijdenis der Kerk speelt bij dit oordeel geen of slechts een ondergeschikte rol, en is hoogstens een weergave van reformatorische „aspecten". De richtingen worden dan tot onderling gelijkwaardige modaliteiten, een gevaarlijke benaming die de gereformeerden zich niet moeten laten aanleunen.
De gescheiden kerken meenden de spanning tussen verbondsgemeenschap en geloofsgemeenschap te kunnen oplossen door het deel van de Kerk, dat de belijdenis niet mee-beleed, eenvoudig af te knippen. Tegenover de uitspraak van dr. Hoedemaker : de Kerk is daar, waar Woord en sacramenten zijn, stelde dr. Kuyper: de Kerk is daar, waar de gelovigen zijn.
De hervormd gereformeerden menen voor het eerste te moeten kiezen, daaraan toevoegend : met het doel, dat zondaren gelovigen wórden.
Het kerkbegrip der hervormd gereformeerden brengt mee, dat de niet-gereformeerden in de Hervormde kerk niet ten volle serieus kunnen worden opgenomen, omdat hun reserves tegenover het belijden der Kerk suspect (verdacht) zijn. Als gedoopten evenwel verdienen zij als ieder alle zorg en aandacht, opdat ook zij hun doop zullen gaan verstaan en bevestigen door het geloof dat naar de Schrift, en niet alleen in gemeenschap, maar ook in overeenstemming met de belijdenis der Kerk is. Zij hebben die zorg evenzeer nodig als zij, die de belijdenis wel toestemmen en daarom gereformeerd kunnen heten, doch de levende band aan Christus toch nog niet kennen. Tussen deze beide categorieën is niet zo'n wezenlijk verschil. Natuurlijk wel in dit opzicht, dat de bewust niet-gereformeerden van deze zorg als regel allerminst gediend zijn. Maar laten wij daarom nooit van die zorg aflaten. Immers ook voor ons is, indien wij in Christus' koninkrijk zijn overgezet, Hij gestorven als wij nog zondaars waren. God antwoordde ook ons eer wij riepen. Ook wij waren en zijn nog al te vaak 'n onwillig en tegenstrevend volk. Wij hebben van onszelf niets om op te roemen, ook niet onze getrouwheid. Tenslotte : de schuld der Kerk is ook onze schuld. Dat de Kerk de schatten der Reformatie niet beter bewaard, is mede onze nalatigheid.
Zo is het alleszins op zijn plaats, dat èn , , de anderen" èn wij luisteren naar het appèl dat van de belijdenis van onze Kerk uitgaat en dat wij dit appèl verder uitdragen, opdat het Koninkrijk Gods uitbreke en het worde niet alleen één doop, maar ook één geloof (Ef. 4:5). Dit zou ook buiten de Kerk niet onopgemerkt blijven.
Dat wij die de belijdenis liefhebben hierbij bijzonder betrokken worden kan duidelijk zijn.
De Heere schenke ons kracht en wijsheid en vervulle ons met Zijn Geest, zonder wie dit alles immers dood en dor zou blijven.
(Wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 november 1957
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 november 1957
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's