OVER VRIJZINNIGHEID EN RECHTZINNIGHEID III
Een briefwisseling
In de twee vorige nummers werd een gedeelte van de briefwisseling tussen dr. Buskes en dr. De Wilde opgenomen, omdat wij ons overtuigd houden, dat velen onzer lezers er prijs op stellen kennis te nemen van deze discussie.
In twee uitvoerige brieven, gepubliceerd in , , Woord en Dienst" d.d. 2 nov., wordt deze discussie voortgezet. Deze brieven geheel of grotendeels over te nemen, wordt een weinig bezwaarlijk vanwege de plaatsruimte, die dit zou vragen. Eerlijk gezegd is dit nog niet het voornaamste bezwaar, maar wij vrezen, dat zij voor velen te lang van stof zijn om gelezen te worden.
Vandaar, dat wij een enkele opmerking willen wijden aan deze op zichzelf genomen interessante gedachtenwisseling.
Het gaat dan over rechtzinnigheid en vrijzinnigheid, waarbij het intussen wel heel duidelijk wordt, wat vrijzinnigheid is, terwijl het beeld der rechtzinnigheid, dat hier wordt gegeven, zoveel van de echte orthodoxie heeft prijs gegeven, dat het verweer zwak is en men —•behalve een enkel krampje van rechtzinnigheid bij dr. Buskes — meer de indruk krijgt van een vriendschappelijk samenspel dan van een ., , theologisch" debat tussen twee kampioenen, respectievelijk der orthodoxie en der vrijzinnigheid.
Dat is intussen heel erg jammer, want op deze wijze kan er heel weinig verwachting zijn, dat deze discussie bevorderlijk zal zijn aan een heldere onderscheiding in de kerk tussen rechtzinnigheid en vrijzinnigheid.
Het maakt niets uit, dat men elkander over en weer van negentiende-eeuwse of Barthiaanse gezindheid beschuldigt. Daarmede wordt het onderscheid tussen rechtzinnig en vrijzinnig niet duidelijker, om de eenvoudige reden, dat noch het één, noch het ander normatief kan zijn als criterium tussen die twee.
Het enig criterium ligt in het Christelijk geloof zelf, zoals dit door Woord en Geest wordt beleefd en beleden.
En nu hebben wij er aan de ene kant begrip voor dat dr. Buskes nog altijd met Assen overhoop ligt, d.w.z. met de tucht van Assen, en als hij daaraan toevoegt , , de bijbelbeschouwing van Assen", zal dat daarmede wel samenhangen.
Verder spreekt hij van , , fundamentalisme", voor sommigen een soort modewoord geworden. Maar hoe staat het nu met de Bijbelbeschouwing van dr. Buskes ? Hij wil klaarblijkelijk opkomen voor rechtzinnigheid tegenover vrijzinnigheid. Opdat wij enigermate verstaan mogen, wat hij voor rechtzinnig houdt, mogen wij wel vragen, of zijn Bijbelbeschouwing met die onzer gereformeerde Confessie overeenkomt.
Men kan n.l. lang en breed over vrijzinnigheid en rechtzinnigheid discussieren, als men dat doet op de manier van deze beide heren. Rechtzinnig en vrijzinnig hebben toch ergens wat met elkander te maken. Vrijzinnigheid zet zich af tegenover, wat zij als rechtzinnig waardeert en niet kan of wil aanvaarden. Vrijzinnigheid gaat daarbij van bepaalde onderstellingen uit, die zich niet verdragen met, wat de rechtzinnigheid, welke zij bestrijdt., leert of belijdt.
En de rechtzinnigheid, welke een conflict, althans verschil van mening, beschouwing, leer of belijdenis opwekt bij de vrijzinnigheid, zet zich niet af tegen vrijzinnige veronderstellingen, beschouwingen en leringen, waarmede zij het niet eens kan zijn. Dat kan althans haar bestaansgrond niet zijn. In dit opzicht is de vrijzinnigheid minder gebonden. Zij kan leven bij, wat zij meent te moeten bestrijden, en in de theologie doet zij dat zonder twijfel en altijd.
Wat zou de vrijzinnigheid theologisch weinig te beweren hebben, indien er geen kerkelijke dogmenhistorie en kerkelijke belijdenisgeschriften waren. Haar , , theologie" zou in niets verschillen van algemeen-wijsgerige beschouwingen aangaande de Godheid, of wat daarvoor zou gehouden worden.
Laat de vrijzinnigheid nu niet tegenwerpen, dat bij die onderstelling de rechtzinnigheid ook geen theologie zou hebben en eveneens op de algemene wijsgerige beschouwingen zou zijn aangewezen, met andere woorden, dat er dan althans in dogmatische zin ook geen rechtzinnigheid zou zijn.
Wij ontkennen deze logica niet, en geven toe, dat wij elkander zouden ontmoeten in wijsgerige gedachtenwisseling.
Toch is daarmede ons argument niet omver gestoten. Maar laat ons dan beginnen bij het begin, als God zich niet had geopenbaard, zouden wij van theologie niet weten, maar Hij heeft Zich geopenbaard, heeft Zijn Woord gegeven. Zijn Kerk tot getuige op aarde gezet. Die Kerk heeft haar strijd op aarde tegen allerlei machten, belijdt haar geloof, verdedigt dat tegenover ketters en bestrijders, nam haar beslissingen in geloofszaken.
Heel deze geschiedenis draagt een bijzonder karakter, aangezien zij haar diepste oorsprong heeft in het Middelaarswerk van Christus en Gods genadeopenbaring in een gevallen wereld. De Kerk leeft uit het geloof en uit dat geloof wordt de theologie geboren. Zo waarlijk die Kerk haar geloven en belijden gebonden weet aan het Woord, zal ook haar theologie theologie des Woords zijn.
Met andere woorden, alles komt aan op de waardering van het Woord, dat haar is overgeleverd, n.l. de Heilige Schrift. Welnu, de Kerk der eeuwen ontvangt de Heilige Schrift als Gods Woord.
Vandaar onze vraag, hoe staat het met de Bijbelbeschouwing van dr. Buskes, want deze kan alleen duidelijk maken of hij zich met goed recht kan opwerpen als verdediger van de rechtzinnigheid, en in hoeverre.
Wij zouden een antwoord op deze vraag kunnen vinden, als wij wisten, wat hij met , , fundamentalisme" bedoelt. Is dat volgens hem b.v. ook het standpunt van de Nederlandse Geloofsbelijdenis ? Valt dat onder , , fundamentalisme" ?
Indien hij dat er voor houdt, verwerpt hij volgens zijn eigen getuigenis met de vrijzinnigheid, door dr. De Wilde voorgestaan, de confessie, die nog altijd confessie der Kerk is, op dit punt. Dan is in dit allervoornaamste stuk de gemeenschap met het geloof der vaderen gebroken en is er van overeenstemming op dit punt geen sprake.
Nieuwe vraag : Kan men voor zich met recht de waardering orthodox, d.i. rechtzinnig, opeisen, als men op het meest fundamentele stuk het rechtzinnig geloof verwerpt ?
Deze vraag stelt niet alleen en zelfs niet in de eerste plaats een theoretische kwestie aan de orde, welke theologisch, Schrift-critisch of wijsgerig kan worden beantwoord, omdat het vóór alles een geloofsvraag is.
Het is niet onmogelijk om een theologische bewijsvoering te geven door verwijzing naar verschillende uitspraken der Schrift, die zeggen, dat de Heilige Geest aan het Woord gebonden is, dat diezelfde Geest het geloof werkt en dat ook dit aan de Schrift gebonden is, dat de Christus zegt, dat de Schrift niet kan gebroken worden, enz. enz., om zo haar goddelijk gezag voor het geloof aan te tonen. Doch zulk een theologische bewijsvoering geldt alleen voor het geloof, ja, zij wordt door het geloof in haar waarheid doorschouwd.
Ongeloof kan men met redebewijzen noch met Schriftbewijzen overtuigen. Immers, wat baat zulk een bewijsvoering tegenover iemand, die aan zijn verstand, gevoel en wil de vrijheid veroorlooft om de Heilige Schrift als een mogelijk wel merkwaardig boek, maar toch een boek onder de boeken te beschouwen, een gewrocht van de menselijke geest ?
Wat helpen theologische redenen tegenover een vrijzinnige Christusbeschouwing, een idee op algemeen godsdienst-wijsgerig plan ? Dr. Buskes komt daartegen dapper in het geweer, doch blijkens het antwoord van dr. De Wilde zonder hem tot andere gedachten te brengen.
Mogelijk zou dr. De Wilde hierop antwoorden, dat de erkenning van het goddelijk gezag der Heilige Schrift volgens onze eigen woorden een zaak van geloof is. Misschien zou hij zelfs zeggen : niet van theologie, maar van geloof, want vergis ik mij niet, dan maakt hij onderscheid tussen die twee.
Dat zou er op neer komen, dat hij kon zeggen : dat is nu mijn geloof aangaande de Christusopenbaring en omtrent de Christusgestalte in de historie, terwijl deze naar mijn geloof niet gebonden is aan de Evangelische voorstellingen.
Indien dit zo is, dan zou de Christusopenbaring als zodanig een voorwerp des geloofs, of een geloofsinhoud vertegenwoordigen, welke zich verheft boven de voorstelling, die ons door de Schrift geboden wordt. Want deze wordt door dr. De Wilde als Joods en in Joodse denkbeelden ingekleed, van de hand gewezen.
Nu is hierin één ding duidelijk, n.l. dat de Christusopenbaring, waarover dr. De Wilde spreekt, zich in allerlei gestalten in de geschiedenis zou voordoen, maar waarbij dan de concrete historische openbaring van Gods Zoon in de vleeswording des Woords van haar geheel enig karakter en haar betekenisvolle werkelijkheid als openbaring van de Middelaar Gods en der mensen wordt beroofd.
Waar blijft de waarde en de vrucht van de heilsfeiten, waaruit de Kerk leeft, bij zulk een beschouwing?
Ondanks de tegemoetkomende houding, welke hij jegens dr. De Wilde en zijn beschouwingen inneemt, wordt dr. Buskes hier tot ernstig protest gedreven. Wij geven hem zelf het woord :
„Met de tegenstelling tussen de Joodse Jezus en het Christusbeeld zet je een stap op een weg, waarop ik je onmogelijk volgen kan. De Kerk belijdt niet haar geloof in de Joodse Jezus en al evenmin haar geloof in het Christusbeeld, dat zich uit deze Joodse Jezusgestalte heeft losgemaakt, zij belijdt — in gemeenschap en in overeenstemming met het belijden van Paulus — haar geloof in Jezus Christus, gestorven om onze zonden en opgewekt om onze rechtvaardiging". En enige regels verder: „Christus is geen idee, maar een levendmakende Geest".
Daarin spreekt inderdaad een stuk orthodoxie. Dr. Buskes komt op voor de belijdenis der heilsfeiten en hij schaart zich daarmede aan de zijde ener gematigde orthodoxie, welke men vroeger o.a. bij de „etischen" aantrof. Zij beleden Jezus Christus, zoals zij die zagen, en de heilsfeiten, en maakten deze belijdenis tot kenmerk van rechtzinnigheid. Overigens verbonden zij daaraan een vrijheid ten aanzien van de Heilige Schrift, die niet alleen een critisch standpunt tegenover haar veroorloofde, maar sommigen deden het voorkomen, alsof dit geloof gepaard ging met een onderscheidingsvermogen, dat het goddelijke van het menselijke in de Heilige Schrift wist te onderkennen.
Voor wat de belijdenis van de Christus aangaat, heeft de Heilige Schrift voor dr. Buskes klaarblijkelijk goddelijk gezag, hoewel hij zich daarop niet bepaald beroept. Daarin is toch iets vreemds, ook al kan dr. Buskes wijzen op een verschijnsel, dat zich midden-orthodoxie noemt.
Men krijgt de indruk, dat de Schriftwaardering en de theologische beschouwingen in deze kringen veeleer worden bepaald door het beeld, dat men zich van Christus en Zijn Middelaarswerk heeft gevormd; zij het ook met behoud van de heilsfeiten, dan dat men zich onderwerpt aan het Woord als de enige regel des geloofs. Dit laatste zou dan alleen van toepassing zijn in zoverre het betrekking heeft op het Christusbeeld, althans daarop betrokken wordt. Het gevaar lijkt ons zelfs niet denkbeeldig, dat de Christusvoorstelling of het Christusbeeld, waarvan men uitgaat, tot maatstaf wordt gemaakt van het geloof en van het goddelijk gezag der Heilige Schrifti Alleen, wat men Messiaans verstaat, zou dan kracht van openbaring hebben, terwijl toch volgens het eigen getuigenis van Christus de ganse Schrift van Hem getuigt en derhalve Messiaans is.
Ofschoon men het Christusgeloof, met name het geloof in de heilsfeiten, gaarne als een kenmerk van zijn rechtzinnigheid doet gelden — en wij willen de betekenis daarvan niet onderschatten — zal men toch moeten toegeven, dat dit soort rechtzinnigheid slechts zeer ten dele kan roemen op de overeenstemming met het belijden der vaderen.
Wij denken alweer aan het Schriftgeloof der vaderen en vragen wat dr. Buskes eigenlijk bedoelt, als hij zegt in de stellige overtuiging te leven, „dat de Kerk haar geloofswaarheid zonder meer uit de bijbel afleidt en dat het bijbels getuigenis in dit opzicht voor de Kerk bindend is".
Overigens, waar haalt dr. De Wilde zijn Christusidee vandaan ? Om in zijn taal even te spreken : als de Joden niet op Joodse wijze van Christus hadden gesproken en de Griekse vaderen en de Westerse theologen op hun wijze, hoe zou de vrijzinnigheid aan haar Christusidee gekomen zijn ?
Tenslotte is deze Christusidee een uit de Schriftgegevens. afgeleide idee, met verwerping van de concrete, door de Schrift geopenbaarde werkelijkheid van de historische Christus. En het maakt toch sterk de indruk, dat de vrijzinnigheid, welke hier aan het woord is, zou wensen, dat de Kerk haar geloof in de Christus der Schriften zou inruilen voor deze idee.
Het geloof aan of in deze Christusidee is toch grondig onderscheiden van het geloof der vaderen, naar hetwelk Art. X der kerkorde verwijst. Het is heel iets anders en heeft met dit laatste dan ook geen gemeenschap. Dat blijkt in deze discussie klaar en duidelijk, aangezien zij buiten alle twijfel stelt, dat inzake het geloof in de Christus ook tussen dr. Buskes en dr. De Wilde van gemeenschap niet kan gesproken worden, ondanks het feit, dat dr. Buskes zo grote toenadering tot hem betoont en ondanks ook het feit, dat dr. Buskes — hetgeen wij intussen betreuren — met het belijden der vaderen, waarnaar hij een en andermaal verwijst in verband met Art. X, ook niet in alle delen gemeenschap oefent of daarmede instemt.
Als het de bedoeling is om met deze discussie aan te tonen, dat het belijden der vrijzinnigheid niet kan worden beschouwd zich te bewegen binnen art. X der kerkorde, dan is het zonder meer duidelijk.
Het nieuwe nummer van , , Woord en Dienst" biedt nog een voortzetting van deze discussie. Wij willen daarvan ook kennis nemen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 november 1957
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 november 1957
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's