VRIJZINNIGHEID EN RECHTZINNIGHEID
Over de voortgezette Briefwisseling
In de voortzetting begint dr. Buskes met op de bedoeling van deze briefwisseling te wijzen: n.l. „het aan de orde stellen van de verhouding van orthodoxen en vrijzinnigen, in onze kerk".
Derhalve zo iets als een test, zijn wij al enigermate gevorderd op de weg naar een belijdende kerk? Tot nu toe was die vordering niet bijster groot, zoals wij gezien hebben, zelfs niet in de richting van de , , midden-orthodoxie" volgens de zo tegemoetkomende opvatting van dr. Buskes.
Indien er al van een weg naar een belijdende kerk sprake kan zijn bij de vrijzinnigheid, — er zijn toch vrijzinnigen, die helemaal geen belijdenis wensen —, dan zal die belijdenis, zoals wij gezien hebben, van de Christus, die ons in de Schrift wordt voorgesteld als Middelaar en Zaligmaker en mitsdien van de heilsfeiten moeten afzien. Zij zal zó algemeen zijn, dat de vrijzinnigheid in haar nuanceringen er mede kan tevreden zijn.
Wij kunnen ons voorstellen, dat deze ontdekking dr. Buskes wat teleur stelt. Hij schijnt althans andere verwachtingen gehad te hebben, al moest het ook hem toch wel wat te zeggen hebben, dat er , , orthodoxen en vrijzinnigen" waren, die om principiëele redenen niet mee deden, zoals hij zelf opmerkt.
Mogelijk heeft hij zijn verwachtingen gevestigd, op de saamgroeiïng van z.g. midden-orthodoxen en vrijzinnigen, (of moeten wij hier eigenlijk rechts-vrijzinnigen lezen? ) en behoorde hij ook tot degenen, die ter wille van deze verwachtingen á priori niet alleen de „principiëele" vrijzinnigheid, maar ook de „principiëele" orthodoxie negeerdenen bereid zijn die zo mogelijk af te snijden of uit te werpen.
Hoe dit zij, het moet hem en degenen, die de vrijzinnigheid zo vlijtig zijn tegemoet gekomen, toch wel pijnlijk treffen, dat zij om tot de (voorgestelde? ) „belijdende" kerk te kunnen komen, de belijdenis van de Heere Jezus Christus zullen moeten prijsgeven voor die van een godsdienst-wijsgerige idee, welke men trouwens niet belijdt maar bedenkt.
, , De laatste jaren ontkom ik niet", zo schrijft dr. Buskes, , , aan de Indruk, dat de verschillen groter zijn dan wij, toen we aan de nieuwe K.O. werkten, dachten en hoopten. Jullie vrijzinnigen — ik denk nu niet aan de Zwinglianen, maar aan jou en Smits — zo dat wij orthodoxen ons schuldig maken aan oneerlijke knoeierijen en heilloze restauratiepogingen en zo aan het in het besef van de verantwoordelijkheid der kerk voor het heden tekort doen."
, , En wij orthodoxen — nu denk ik niet aan de Gereformeerde Bond, maar aan wat men de midden-orthodoxie gelieft te noemen — vragen ons af, of jullie vrijzinnigen niet telkens door woorden en daden blijk geven, geen ernst te makën met het in gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift en het in gemeenschap met de belijdenis der vaderen."
Merkwaardigerwijze meent dr. Buskes te moeten toegeven, , , dat er bij ons orthodoxen (denk er om lezer, dat hij gezegd heeft daarmede de z.g. middenorthodoxie te bedoelen) een pogen is om aan bepaalde consequenties van onze eigene overtuigingen te ontkomen en dit moet wel tot gevolg hebben, dat wij op jullie telkens de indruk maken theologische knoeiers te zijn, terwijl dr. de Wilde het gebruik van deze term van zijn kant afwijst, en ook het verwijt, dat de vrijzinnigen geen ernst zouden maken met de gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift."
Wij laten in het midden, welke consequenties dr. Buskes op het oog heeft, maar mogen opmerken, dat gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift alleen tot gemeenschap en overeenstemming van belijden kan voeren, als men één is in de waardering van de Heilige Schrift als Gods Woord en in het geloof in haar goddelijk gezag. Zo wij hebben kunnen opmerken, mankeert daaraan nog al wat. De vrijzinnigen spreken liever niet van Heilige Schrift, maar prefereren het woord bijbel, terwijl de midden-orthodoxie niet onder stoelen of bankensteekt, dat zij het ten opzichte van de belijdenis aangaande de Heilige Schrift met de gereformeerde confessie niet eens is, en zich daarover op een wijze uitlaat, die van willekeur niet kan worden vrijgepleit.
In de briefwisseling Berkhof-Boer is dit niet onduidelijk aan de dag getreden. Men leest op blz. 41 de volgende passage aan het adres van dr. Berkhof: , , De bijbel benadert de mens van uit de openbaring, , U, zo richt ds. Boer zich tot dr. Berkhof, , ,benadert de bijbel te veel van uit de situatie, waarin de moderne mens staat. Hier is de prioriteit van de Schrift in het geding, omdat wij het Woord Gods willen bedienen in deze tijd en u van uit deze tijd tot het Woord Gods poogt te komen "
Wat dr. Boer zeker niet ten onrechte aan het adres van de z.g. , , midden-orthodoxie" schrijft, kan in veel meerdere mate van toepassing zijn op de vrijzinnigheid, en wel in dit opzicht, dat de situatie van de moderne mens bij haar zo mogelijk nog meer plaats inneemt, gelet op zijn wetenschap, zijn wetenschappelijke veronderstellingen en wijsgerige beschouwingen, aan welke in verband met haar openbaringsbegrip een niet mindere waardering wordt toegekend dan aan de bijbel, zodat van prioriteit niet of slechts in zeer betrekkelijke zin kan gesproken worden.
Daarom komt de kerk zo weinig verder met het z.g. gesprek en met correspondenties als deze en die van Berkhof- Boer, indien men daaruit toch niet de voor de hand liggende conclusie trekt.
Dr. Buskes is van oordeel — en terecht —dat wij niets gewonnen hebben, als de oude firma wordt voortgezet in de vorm van een soort modus-vivendi. Wij vragen, wie bevordert sterker, dat in die richting gedreven wordt, dan de Synode zelf en met name de middenorthodoxie ? Men denke slechts aan de , , overgangsbepaling" 238 en haar toepassing!
Wat kan echter gewonnen worden door correspondenties als deze, waarbij men elkander bevecht over de hoofden van Barth en Schweitzer, omdat de ene partij deze, de andere die als de gezaghebbende voor zijn theologische inzichten en gevoelens erkent ?
Buskes tracht dr. de Wilde te overtuigen op het stuk der Drieëenheid, de belijdenis van Jezus Christus en de Bijbel. Hij toont daarbij niet de minste behoefte om de belijdenis der kerk ook maar te noemen en maakt zelfs de indruk meer de opvattingen van Karl Barth dan de confessie der kerk te verdedigen, terwijl wij toch geen ogenblik mogen twijfelen, of dr. Buskes weet zeer wel, dat Barth op verschillende punten, en zeker op de zoeven genoemde hoofdstukken, sterk afwijkt van de belijdenis der kerk, — en in deze fundamentele stukken dermate een eigen visie verdedigt, dat het theologisch beschouwd niet wel verklaarbaar is, dat Buskes hem verheft tot de allergrootste der orthodoxen. De gemeenschap met het belijden der vaderen is blijkbaar voor dr. Buskes een zeer rekbaar begrip, dat zich mijlen ver buiten , , overeenstemming" kan uitstrekken.
Op die wijze is het indertijd, toen voor , , overeenstemming" gepleit werd, nooit voorgesteld. Dr. Buskes en dr. de Wilde schijnen het er over eens te zijn, dat art. X een compromis zou wezen en als zodanig bedoeld. Indien dat juist is, hoe kon iemand dan steeds maar weer beweren, dat gemeenschap niet alleen overeenstemming insloot en veel meer omvatte, althans iets in die zin ? Indien zij, die zo spraken, en zij, die het geloofden, een compromis zouden bedoeld hebben, dan zou men er haast toe neigen aan misleiding te denken. En wat betekende dan de telkens gehoorde leuze van voorstanders der nieuwe orde: naar de belijdenis terug ! ?
Kan men er zich over verwonderen, dat met deze methode van doen niets bereikt wordt, en het kerkelijk leven allerminst gediend ? Het is, alsof de kerk er mede gered zou zijn als Barth en Schweitzer tot een theologisch-wijsgerig conglomeraat zouden kunnen worden versmolten, of èèn van beiden radicaal door de andere partij kon worden overgenomen als leidsman van het kerkelijk geloof.
In stede van de zaak principieel aan te grijpen b.v. ten aanzien van de Godsopenbaring en wat men dienaangaande denkt en gelooft, want hierop zit het vast tussen , , midden-orthodoxie" en vrijzinnigheid, blijven zij over Barth ea Schweitzer praten of liever schrijven en dan b.v. in deze stijl: als Schweitzer predikant in de Hervormde Kerk was, zou je hem voor je laten preken en denk je dat Barth door een goed confessionele broeder zou worden aangeklaagd om zijn opvattingen over de algemene openbaring of om zijn praedestinatie-leer ? Intussen kan de vrijzinnigheid het met Barth's opvatting van openbaring ook niet eens zijn, en wel even weinig als de goede confessionele broeder van dr. de Wilde, want de vrijzinnigheid stelt de algemene openbaring zo algemeen en in alles sprekend, dat er bij haar nauwelijks sprake kan zijn van een bijzondere openbaring. De sterrekunde, de praehistorie, de wereldgodsdiensten, zijn voor haar openbaringsbronnen, welke zoveel nieuw licht verspreiden over de kennis van God en over het leven der religie, dat de gehele oude theologie met al de vastigheden van het traditioneel geloof aan de theorie ener godgeleerde relativiteit zouden moeten worden overgegeven volgens deze scribent.
Onder die , , grondige vernieuwing" wordt ook verstaan, dat we meer , , bijbels-naief-reëel" spreken en niet b.v. van natuur (de twee naturen leer), , , substantie" en „-heid", maar „het Woord, ontmoet de persoon, n.l. het Woord en de Persoon Gods , , Jezus was mens en in deze Mens erkent het geloof het Woord van God, het Woord van genade en waarheid, dat onder ons gewoond heeft, het Woord uit het Hart van God tot een zondige mensheid ." Zie hier een voorbeeld van „bijbels-naïef-reëel', door dr. de Wilde genoemd. , , Wat zou 't kerkelijk gesprek opschieten, als wij de resten van antieke filosofie eens konden kwijt raken", voegt hij er aan toe.
Dit klinkt schier orthodox-gereformeerd. „Het geloof erkent". De Schrift zegt: , , Door het geloof verstaan wij, dat de wereld door het woord Gods is toebereid enz." (Hebr. 11 : 3).
, , Het Woord, vol van genade en waarheid", dat is bijna een voorbeeld van , , fundamentalistisch citeren", dat elders door dr. de Wilde als , , machteloos" wordt gewezen van de hand. , , Het Woord „uit het Hart van God tot een zondige mensheid." (cursiv. van mij S.). Als dat een exempel is van het Evangelie onder een nieuw , , coördinatiestelsel", schijnt het nogal klassiek. Dr. de Wilde moet het dus toch van de Bijbel hebben. Hij wil niet van , , natuur" en , , substanttó" gesproken hebben. Dr. Buskes spreekt meer in navolging van Barth van „zijnswijze". Wij zouden haast willen vragen, als de Heere Jezus Christus spreekt van de heerlijkheid, die Hij bij de Vader had, eer de wereld was, (Joh. 17 : 5) en verder van de Parakleet, die de Vader zenden zal in Mijnen Naam {Joh. 14 : 26). Als Hij zegt: eer Abraham was, ben Ik (Joh. 8 : 58); Ik en de Vader zijn één. (Joh. 10 : 30).
Is dat ook , , bijbels-naief-reëel? " zodat het geloof erkent, dat Hij de Zoon des Vaders is, die bij God was, eer de wereld was ? Zeg, eer Hij als het scheppende Woord uitging? Zo zouden wij ook kunnen vragen aangaande de Doop door Johannes in de Jordaan, waar ons wordt medegedeeld, dat de Vader, spreekt, de Heilige Geest nederdaalt en het vleesgeworden Woord als de Christus geopenbaard wordt. Erkent het geloof hier een openbaring van God tegelijkertijd als Vader, Zoon en Heilige Geest? Zo ja, dan is het bezwaar tegen natuur en substantie niet onoverkomenlijk.
Zo zouden we verder kunnen vragen.
Hoever strekt dat , , bijbels-naief-reëele" zich uit? of hoever strekt de erkenning van het geloof zich uit ? Mogelijk moeten wij het ook zo vragen, want ergens moet toch een grens zijn aan die erkenning. Immers waarom zou hij niet het hele Oude- en Nieuwe Testament , , bijbels-naief-reëel" verstaan? Toch is dat niet het geval en moet er alzo meer in de weg zitten dan de filosofische begrippen der theologie. Iets dat het geloof zelf aangaat, waar het geloof niet meer erkent, en dat moet zijn aanleiding in het bijbels getuigenis zelf hebben. Het geloof, dat hier aan het woord is, maakt scheiding tussen wat het uit die getuigenissen erkennen kan en wat niet.
Nu komen de drie punten, waarover de correspondentie nog zal worden voortgezet aan de orde: „drie problemen": de kosmos, de geschiedenis, de wereldgebeurtenissen.
Wellicht brengen de volgende brieven opheldering.
Op één punt is deze briefwisseling echter buitengewoon helder n.l. dat deze woordvoerders als de meest vanzelf sprekende stelling poneren, dat men met dé belijdenis der vaderen heeft afgedaan en dat deze geen enkele functie heeft bij de behandeling van de controversen, zodat het voor iedereen uitgesproken duidelijk kan zijn, dat deze vertegenwoordigers van de z.g. midden-orthodoxie en de vrijzinnigheid met art X van de kerkorde ernstig in conflict staan.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 november 1957
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 november 1957
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's