Als een schaduw
Onze dagen op aarde zijn als een schaduw 1 Kron. 29 : 15 m.
Daar is niets op aarde zo bestendig als het onbestendige.
Noem maar eens iets van deze aarde, dat eeuw in eeuw uit onveranderlijk heeft stand gehouden. Gij zult het niet kunnen, want de dingen van deze wereld gaan zonder uitzondering alle onherroepelijk voorbij. Sedert de toegang tot de hof van Eden achter ons gesloten is, draagt het aardse leven het kenmerk van het veranderlijke. Van al het aardse geldt tenslotte, dat de dingen die verschijnen, ook weer verdwijnen ; hun ondergang is gewis en hun verdwijning zeker.
Vergeet echter niet, dat dit óók geldt van ons leven.
Job zegt het met zulk een ontroerende ernst: de mens, van een vrouw geboren, is kort van dagen en zat van onrust. Hij komt voort als een bloem en wordt afgesneden, ook vlucht hij als een schaduw en bestaat niet. Toch doet Gij Uw ogen over zulk een open, en Gij betrekt mij in het gericht met U.
Daarin is ons leven naar de werkelijkheid getekend. Het is nietig, het is vluchtig, het is veranderlijk, het is kortstondig ; maar niettemin wordt het door het alziend oog des Heeren onderzocht. En daarom is dat nietige mensenleven van het hoogste belang, omdat daarin de grote beslissing valt voor de eeuwigheid.
Ons leven wordt in de Heilige Schrift herhaaldelijk voorgesteld onder het beeld van de schaduw, om daarmede de krachteloosheid van dat leven aan te duiden. En, hoe pijnlijk juist is dat beeld in zijn weergave. Immers, niets heeft minder kracht in zichzelf dan een schaduw. Zij kan op zichzelf niet eens bestaan. Zij is in alle opzichten volkomen afhankelijk van allerlei andere factoren.
Om maar iets te noemen : als er geen licht is, kan er ook geen schaduw zijn. Daarom mogen wij wel zeggen, dat de schaduw het beeld is van de meest volstrekte afhankelijkheid.
Welnu, zó afhankelijk als dé schaduw zijn nu ook onze dagen op aarde. Ons leven heeft niet de minste kracht in zichzelf. Het bestaat alleen doordat, en zolang als God het wil. Wanneer de Heere Zijn alvermogende hand van ons aftrekt, dan zinken wij neer in 't stof des doods.
Ach, het is er verre vandaan, dat wij bewust in die afhankelijkheid leven. Daarom komt de Heere ons telkens weer bij die krachteloosheid van ons leven te bepalen ; hetzij door Zijn Woord, hetzij door hetgeen in het dagelijks leven rondom ons gebeurt. En dat is nodig, omdat wij van nature daar heel anders over denken. Wij leven maar al te vaak voort alsof ons leven kracht bezit in zichzelf, en alsof onze gezondheid waarborg is voor een lange, levensduur. Wij gevoelen ons wel groot en sterk, maar de werkelijkheid is anders. Daarom zingt de psalmdichter zo volkomen terecht:
Uw oppermacht, die wij ootmoedig eren,
Kan door Uw wenk de mens zijn broosheid leren;
Uw wenk alleen, al schijnt ons niets te deren.
V erbrijzelt ons, doet ons tot aarde keren.
Zie, lezer, zo is de werkelijkheid : onze dagen op aarde zijn als een schaduw, zo krachteloos.
Vervolgens kunnen wij de schaduw ook zien als beeld van de onbestendigheid van ons leven. Daar is niets op aarde zo krachteloos als de schaduw, maar daar is ook niets op aarde zo rusteloos als de schaduw. Daar zijn wel dingen, die zich veel sneller voortbewegen dan de schaduw, maar daar is geen enkel ding, dat nimmer eens tot stilstand komt, en stilstaan doet de schaduw nooit. Doordat de aarde rusteloos voortsnelt langs haar baan, wenden zich ook altijd de schaduwen zonder rust of duur. En, als de schaduw, zo is nu ook ons leven ; het gaat rusteloos voort. Schier ongemerkt glijden wij van het ene jaar in het andere; van het ene jaargetijde in het andere — van de lente in de zomer van ons bestaan, van de zomer in de herfst en van de herfst in de winter.
Ons leven kent geen stilstand; het glijdt ongemerkt maar zeker voort, en eenmaal daalt de avond van ons leven.
En daarom — als onze tekst zegt: onze dagen op aarde zijn als een schaduw — dan herinnert dat ook aan de kortstondigheid van ons leven. En wat ligt daarin een diepe ernst. Immers, een schaduw blijft geen vierentwintig uren. Ver beneden die tijd wordt zij opgelost in het duister van de nacht. En zo is het nu ook in ons leven.
Gelijk een schaduw gedoemd is om des avonds te verdwijnen — zo is het de mens gezet eenmaal te sterven en daar na het oordeel. Gelijk het bestaan van een schaduw niet verlengd kan worden, zo is het ook onmogelijk, dat wij de slaap des doods niet eenmaal zullen slapen.
Och, hoevelen worstelen in de avond van hun leven nog om verlenging van levensduur te ontvangen. Het leven is zo snel voorbijgegaan. Het einde is gekomen voor men er op bedacht was. Doch dit zal niet baten. De tijd des levens heeft nu een eind. En gelijk de schaduw is gedoemd zich op te lossen in het duister van de nacht, zo eindigt het menselijke bestaan op aarde met de dood.
Schaduw is eigenlijk een tussentoestand tussen donker en licht.
In de hemel, waar de Heere troont, en de gezaligden zich bevinden, daar is het volkomen licht; maar in de hel, waar satan en de verlorenen zijn, daar is het volkomen donker. En nu zegt onze tekst: onze dagen op aarde zijn als een schaduw. Dat wil ook zeggen: het is hier beneden niet volkomen donker en niet volkomen licht.
Ach, eens was het hier beneden wèl volkomen licht. Eens kon van onze dagen op aarde niet gezegd worden, dat zij als een schaduw waren. Voor de zondeval waren onze dagen als een wandelen in het lieflijk licht van Gods welbehagen. Maar door de zonde is dat anders geworden. En eigenlijk hebben wij God er voor te danken, dat het voor de mens niet terstond en volkomen voor eeuwig nacht is geworden, maar dat de Heere ons nog weer is gaan opzoeken met de blijken van Zijn zondaarsliefde.
Daardoor alleen zijn onze dagen op aarde nog bij een schaduw te vergelijken. Doch met dat al is de mens van nature dan toch verduisterd in het verstand en vervreemd van het leven Gods. Hij heeft van God wel het woord des levens ontvangen — maar zonder het licht des Geestes verstaat hij dat woord niet; zonder dat licht blijft dat woord toch nog duister voor hem. Zonder de onderwijzing des Geestes blijft dat woord en blijven ook de wegen des Heeren voor de mens een raadsel. De mens moge misschien het leven wel doorgaan in het besef van het bestaan van een almachtig God, Die alle dingen bestuurt naar de raad van Zijn heilige wil, — maar hij gaat het leven niet door, bezield met het geloof in een God, Die alle dingen doet medewerken ten goede dengenen, die naar Zijn voornemen geroepen zijn.
En dan — de mens wordt dag aan dag overladen met Gods weldaden, zegeningen en gunstbewijzen. Maar zonder de werking van de Heilige Geest brengen zij hem niet met een hart vol dankbaarheid aan de voeten van Hem, Die alle dingen zo onverdiend heeft willen schenken.
Dat wil volstrekt niet zeggen, dat met de inwoning van de Heilige Geest in ons hart de gelukstoestand van voor de zondeval is hersteld. Dat zeker niet. Ook dan nog blijft in zekere zin nóg een wandelen in schaduwen, omdat het licht, dat in Christus over de ziel is opgegaan, door de zonde en het inwonend bederf wordt verdonkerd. En zo geldt ook in dit opzicht: onze dagen op aarde zijn als een schaduw. Dat wil zeggen: hier is alles ten dele.
Als een schaduw. Ziedaar, ons leven getekend in zijn aard, in zijn gang, in zijn duur en in zijn armoede.
Als een schaduw. Dat woord stelt ons ineens de gevolgen van de zonde in al haar jammer voor ogen. En zelfs meer dan dat. Want dit woord spreekt niet alleen van het heden, maar het profeteert ook van de toekomst. Immers, onze tekst spreekt van onze dagen op aarde. Daar komen dus ook nog andere dagen. Dagen, die wij niet op aarde, maar in de eeuwigheid zullen doorbrengen. En in de eeuwigheid is alles volkomen. Wanneer dus onze dagen op aarde als een schaduw zijn, dan zal ons bestaan in de eeuwigheid het tegendeel daarvan wezen. En wat dat inhoudt, dat wordt terstond duidelijk als wij letten op 't tegendeel van de kenmerken van de schaduw. Dit tegendeel kan zijn: of volkomen licht, of volslagen duister. Als er niets is, dat de lichtstralen ondervangt, dan valt er geen schaduw; maar — als er geen licht is, dan is er ook geen schaduw.
Nu zal in de dag der eeuwigheid alles volkomen zijn; dus ook ons leven.
Dat is een rijke troost voor Gods volk. Want als de zonde volkomen is uitgebannen, dan is ook alle zwakheid, alle onvolkomenheid, alle broosheid verdwenen. De verloste gemeente van Christus geniet alzo in de dag der eeuwigheid een volkomen zaligheid, die haar door niemand en niets kan worden ontroofd. Die zaligheid is hecht en sterk, alzo het tegendeel van een schaduw.
Maar nu is er ook nog een ander tegendeel van schaduw. In de eeuwige nacht der rampzaligheid zal er ook van geen schaduw meer sprake zijn. Alle smarten zullen daar voor eeuwig moeten en kunnen gedragen worden.
De zaligheid moge hecht en sterk zijn, de rampzaligheid is dat ook. Als een schaduw — dat woord is profetie : óf van zaligheid, óf van oordeel. Voor de gemeente van Christus zal het een bron van eeuwige vreugde zijn.
Ach, hier op aarde heeft zij soms rijke juichensstof, maar een ogenblik later moet zij weer klagen en zuchten. Maar van die onbestendigheid zal in de hemel geen sprake meer zijn. Daar is het altijd een water scheppen met vreugde uit de fonteinen des heils. Altijd juichen rondom de troon van God en van het Lam. Eeuwig zingen van Gods goedertierenheên. En zo vinden wij in het hemelleven het tegendeel van schaduw.
Maar nu de keerzijde. Ook in de rampzaligheid zal de onbestendigheid van een schaduw niet meer worden gevonden. Daar is er geen verblijden na het lijden. Zonder onderbreking brandt er het vuur, en zonder verademing dragen de verlorenen de toorn van God tegen de zonde. Het verderf is een eeuwig verderf. Ook daar geen einde, want de dood zal niet meer zijn. Hij wordt als de laatste vijand teniet gedaan. Dat houdt van de gemeente van Christus eeuwige zaligheid in — maar voor de verlorenen eeuwige rampzaligheid.
Onze dagen op aarde zijn als een schaduw — kortstondig van aard; maar het leven in de eeuwigheid heeft nimmer een einde — óf ten goede, óf ten kwade.
In de eeuwigheid zal ook niet meer de schemering van de schaduw worden gevonden. En dat is voor de gemeente van Christus wederom tot rijke troost. Hier beneden wordt haar leven nog zo vaak door de zonde verduisterd. Doch daarboven is geen duisternis meer. De schaduw is er geweken voor 't eeuwige licht.
Daar is echter ook nog een andere mogelijkheid, waardoor de schaduw verdwijnt — wanneer namelijk niet de duisternis wijkt, maar het licht. En dat zal zo zijn voor hen, die de tijd der genade hebben veracht. Hier op de aarde zijn zij nog omringd geweest door een oneindig getal blijken van goddelijk ontfermen. Hier ontvingen zij nog tal van zegeningen; hier werd de toorn nog over hen ingehouden en werden zij veelszins nog in hun zondegang geremd, maar daar nemen al die zegeningen een einde. Het licht wijkt geheel. De schaduw lost zich op in een zwarte nacht. Daar geen sprank meer van goddelijk ontfermen. Daar geen inhouden meer van de goddelijke toorn. Daar geen remmen meer van de gevolgen der zonde. Het is er eeuwig nacht. Onze dagen op aarde zijn als een schaduw, maar het leven in de eeuwigheid zal zijn óf volkomen licht, óf volslagen duister. Dat is de profetie van onze tekst. Die profetie ligt in het beeld van de schaduw gegeven.
Schaduw kan niet blijven wat zij is. Zij is krachtens haar aard gedoemd tot verdwijnen — maar dit kan geschieden op tweeërlei wijze. Het kan zijn, dat het licht doorbreekt in steeds helderder glans, maar het kan ook zijn, dat de schaduw zich oplost in de donkerheid van de nacht. En wat zal het voor u nu straks worden, lezer, eeuwig dag, of eeuwig nacht ?
Onze dagen op aarde zijn als een schaduw. Dat spreekt van de broosheid, van de onbestendigheid en van de kortheid van ons leven.
Maar wat is het dan nodig Christus te kennen als Borg voor uw ziel en als Leidsman van uw leven. Want ons leven is zo kort van duur, onze dagen op aarde zijn als een schaduw — gedoemd om een einde te nemen. Want het is de mens gezet eenmaal te sterven, en daarna het oordeel. Maar daarom ligt er in onze tekst ook een ernstige vermaning.
God heeft in Zijn ondoorgrondelijke genade in en door Christus een weg ter verlossing gebaand. Neem dan de toevlucht tot Hem om onder de schaduw van de vleugelen van de Zon der gerechtigheid genezing te zoeken voor uw arme, doodkranke ziel, opdat de schaduw van uw leven niet eenmaal overga in de donkerheid van de eeuwige nacht.
Alleen wanneer Christus over u gaat lichten — dan wordt het in beginsel dag. Dan moogt gij wandelen in het licht van Gods gunstrijk aangezicht.
Strijdt dan om in te gaan, en haast u om uws levens wil. Want wie in de Zoon gelooft, die heeft het eeuwige leven, maar wie de Zoon ongehoorzaam is, die zal het leven niet zien, maar de toorn van God blijft op hem.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 november 1957
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 november 1957
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's