De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

HET HERVORMD GEREFORMEERD APPÈL

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

HET HERVORMD GEREFORMEERD APPÈL

IV Optreden

9 minuten leestijd

Een van de hoofdvragen inzake het hervormd gereformeerd appèl is, hoe te bereiken dat de niet-gereformeerden van zo een appèl nota nemen. Het is niet zo maar aan te geven, hoe dit probleem zou kunnen worden opgelost. Het wordt daarom in de warme belangstelling van alle betrokkenen aanbevolen.

Is het eigenlijk wel mensenwerk? Wat zijn wij ook hierin toch afhankelijk. Bidden wij wel eens om de vrede in Jeruzalem, om de vrede in onze Hervormde kerk? Wij'geloven dan, dat het acht geven op een appèl een zeer subtiele zaak is, die zich niet vooraf in een menselijk project laat vangen.

Hoe uitermate belangrijk is het dan, dat wij zo in de Kerk optreden, dat wij de uitwerking van een. appèl niet in de weg staan.

Enige punten kunnen hier worden genoemd.

Ons optreden moet bescheiden zijn. Niet alleen omdat, naar een wellicht door Pil. 4 : 5 ingegeven Duitse zegswijze, bescheidenheid een sieraad is en dus in het algemeen in het maatschappelijk verkeer beoefend dient te worden, maar ook omdat die ons op kerkelijk terrein wel zeer past. Immers, als het hervormd gereformeerd appèl in wezen een vertolking van het appèl van de belijdenis op de gehele Kerk wil zijn, wordt daarmee dan niet te veel gepretendeerd?

Het is wel zo, dat men onder de gereformeerde hervormden over de hele linie in beginsel een bereidheid vindt om Schrift en belijdenis de plaats te geven in het kerkelijk leven die ze toekomt, omdat de religie der belijdenis, hoe dan ook, onder hen weerklank vindt. Tot bescheidenheid maant echter de vraag, of deze bereidheid-in-beginsel ook altijd en overal metterdaad leidde en leidt tot een geestelijk leven dat in de Reformatie wortelt. In de eerste plaats heeft de prediking in onze gemeenten in het verleden — en waarschijnlijk nog wel —- niet altijd en niet overal even zuivere trekken vertoond, en de verbetering die hier gelukkig aanwijsbaar schijnt, pleegt in de gemeenten zelf langzamer door te werken dan in de prediking die er wordt gebracht. In de tweede plaats klemt de vraag, of de prediking, ook waar die dan wel , , goed" kon worden genoemd, gemeenten heeft gekweekt die toonbeelden zijn van gemeenschappen in een levend geloof. Wij moeten ons ervoor hoeden, aanleiding te geven tot het misverstand, dat wij zouden menen dat de Kerk klaar zou zijn als ieder maar met het verstand de belijdenis der Kerk zou beamen. Tenslotte ontneemt het besef, dat de schuld der Kerk ook onze schuld is, ons elk recht om ons boven anderen te verheffen.

Wij moeten evenwel beslist zijn in ons optreden, en kunnen dat ook zijn door onze overtuiging, dat de Kerk als geloofsgemeenschap wordt gebouwd door een prediking die het goud van de boodschap des Evangelies, zoals dat schitterde in de nieuw-testamentische Kerk en in de Kerk der Reformatie, in geen enkel opzicht verdonkert.

Dit gaat in betekenis zo ver uit boven beuzelingen, waar men in het min of meer officieel kerkelijk gesprek soms mee aankomt (, , ds. X. of godsdienstonderwijzer Y. preekt wel zus en zo raar"; , , In gemeente Z. kun je dit en dat meemaken"), dat wij door die beuzelingen — hoewel zij dus tot bescheidenheid nopen — niet in het minst in onze beslistheid van optreden mogen worden geremd.

Men moet in een gesprek zulke zaken ook direct als onbelangrijk terzijde stellen, na ze hoogstens tot hun ware verhoudingen te hebben teruggebracht, als dat mogelijk is zonder er een eindeloze discussie over te ontketenen.

Altijd reëel blijven is een trek, die ons moet kenmerken. Als wij, gereformeerden, op iets willen aandringen, of iets moeten afwijzen, zullen wij dit zakelijk moeten doen en niet vanuit vals sentiment. Dit betekent allerminst, dat onze gevoelens niet zouden mogen meespreken, integendeel zal ons betoog temeer klemmen, indien daarin doorklinkt dat we er met hart en ziel achterstaan; maar dit zal moeten opkomen uit de overtuiging van het goed recht en uit een kennis van zaken van wat we voorstaan. Sentiment op zichzelf leidt tot hol gepraat, kreten en stichtelijkheden.

De niet-gereformeerden doorzien dat, en we moeten er blij om zijn dat ze dat doorzien, want het is een bewijs dat de Kerk ook buiten de gereformeerde groep niet dood is. Het moderne levensgevoel met zijn moment van sterke onzekerheid doet , , de anderen" dikwijls onbewust uitzien naar wat wij op te merken hebben, waardoor ze door een getuigen-terwillevan-een-forum worden teleurgesteld.

Enige zin voor realiteit zal ook voorkomen, dat wij in , , de anderen" helemaal niets goeds kunnen (of willen? ) ontdekken. De groei van de Geref. Bond ook daar, waar nooit een appèl aanwijsbaar weerklonk, maant ons, ook in dezen op het werk des Heeren te letten. Wij zullen dan beseffen, dat juist de goede dingen die wij in anderen vinden, even zovele aanknopingspunten zijn waarop zij kunnen worden aangesproken. Wij zullen trachten aan te sluiten bij resten van de gereformeerde theologie die wij bij hen aantreffen. Dat deze mogelijkheden er blijkbaar liggen, is een oer-sterk punt tegenover de gescheiden kerken, die immers door hun daad van afscheiding het niet-gereformeerde deel der Kerk voor dood meenden te kunnen verklaren.

Wij moeten ook voorzichtig zijn met het staan op rechten. Waar wij in de minderheid verkeren, komt men bij pogingen om ruimte te krijgen voor de gereformeerde prediking er licht toe, te vragen: waarom zij wel en wij niet? Wij hebben toch evenveel recht als andere leden der Kerk? Dat is niet gelukkig uitgedrukt, omdat in de Kerk een democratisch gelijk-recht-voor-allen, of liever: voor elke mening, niet op zijn plaats is. De rechte leer heeft niet een gelijk recht met de dwaalleer, maar meer recht, ja zelfs het alleenrecht. Bij de pogingen, hiervoor in de gehele Kerk erkenning te vinden, moet deze gedachte evenwel alleen indien dat strikt nodig is, en niet dan met de grootste voorzichtigheid worden gehanteerd, omdat we niet voorbij mogen gaan aan de ontredderde toestand van onze Kerk, waarbij wij immers — in de lijn der geslachten gerekend — niet vrijuit gaan, en die zulk een erkenning van het alleenrecht der reformatorische prediking sterk bemoeilijkt.

Nuchter zijn is, als overal, ook in de Kerk van groot belang, Niet alleen in de erkenning van eigen richting-zwakheden, alsmede van de betrekkelijke betekenis daarvan, maar ook in de waarde­ring van het effect van een hervormd gereformeerd appèl, wanneer daar in bepaalde, concrete gevallen van kan worden gesproken. De tegenwoordig in de Kerk heersende modaliteiten-idee brengt mee, dat men nog wel eens luisteren wil waar men dat vroeger niet wilde, zonder dat dit nochtans een toenadering inhoudt. Men kan dan zelfs wel , , dankbaar" zijn, dat , , de donder van Dordt weer eens heeft gerold" en uitspreken dat , , zulk een geluid toch ook moet worden gehoord", maar als men daarmee de zaak als afgedaan beschouwt en die verder onder de tafel werkt, is daar toch niemand mee gediend. Als wij zulk een schijn-aandacht voor de gereformeerde zaak als zodanig doorzien, voorkomt dat teleurstelling over het anders onbegrijpelijk geringe beslag, dat het hervormd gereformeerd appèl op de niet-gereformeerden heeft.

Hoe moeilijk de practische situaties waarin wij worden geplaatst, ons dit ook maken, steeds moeten wij trachten, geduldig te zijn. Wij moeten begrijpen, dat een Kerk die ruim anderhalve eeuw geleden alle remmen los. gooide, maar niet in een handomdraai weer in alle opzichten op het goede spoor kan zijn.

Daarenboven moeten wij de moeilijkheden bij een hervormd gereformeerd appèl wel niet kleiner, maar toch stellig ook niet groter zien dan zij zijn. Wel ondervinden wij veel overlast van een bovendrijvende partij in de Kerk, die de gereformeerden bepaald niet welgezind is, maar deze partij is in zoverre een koning zonder onderdanen, dat wat die partij uitbroedt, onder haar eigen kerkvolk doorgaans ternauwernood leeft. Dat kerkvolk praat natuurlijk wel graag haar leiders na, om zich aan een appèl in eigen oog met recht te kunnen onttrekken, maar in feite weten ze van de hervormd gereformeerden en van wat die willen óf niets (, , Ik kom niet in de kerk, want ik ben hervormd en ze hebben me verteld dat het hier een kerk van de Gereformeerde Bond is"), óf alleen zonderlinge dingen {, , Ik heb er zelf tussen gezeten en weet er dus alles van"). Men kan deze mensen in zekere zin zien als slachtoffers van hen, die ze tot hun afkerige houding hébben gebracht. We moeten dus maar niet al te boos worden bij alle merkwaardigheden die ons worden toegedicht of — in ergere, helaas lang niet zeldzame gevallen — alle onrechtvaardigheden die we te verduren krijgen. We kunnen beter als een hond de druppels van de stortbui maar eens van ons af schudden en welgemoed voortgaan met wat ons in de gegeven omstandigheden te doen staat.

Zo hebben we dan getracht enkele punten aan te geven met betrekking tot een hervormd gereformeerd appèl op het geheel der Hervormde Kerk. Er is op gewezen, dat zulk een appèl in de huidige kerkelijke, situatie zinvol is; het wordt door ons kerkbegrip vereist; het opent perspectieven voor de toekomst van Kerk en volk; de hervormd gereformeerden moeten met de gedachte, dat van hén een appèl behoort uit te gaan, nog vertrouwd raken; het gesprek zal daarbij een rol kunnen spelen, de hervormd gereformeerden zullen niet anders dan aan hun opvatting van het gesprek vast kunnen houden; en hun optreden dient de ontwikkeling van het appèl niet te belemmeren.

De behandeling van deze stof was wel zeer summier en onvolledig. Veel werd slechts in grote trekken aangeduid, nog meer in het geheel niet behandeld. Bij weer andere zaken, waaronder zeer belangrijke als de verhouding Kerk/geloof/ belijdenis moest kortheids- en. duidelijkheidshalve bijna hinderlijk worden geschematiseerd.

Er is echter ook in het geheel niet naar volledigheid gestreefd. De bedoeling was slechts, door deze min of meer losse notities deze of gene werkzaam te maken met de toestand van onze Kerk, en te doen zoeken — ondanks ellendige narigheden die dit streven doorkruisen — naar wat de gehele Kerk het Woord indachtig kan maken, dat haar is toebetrouwd.

Van beslissende betekenis is daarbij de gesteldheid, waarin wij hier te werk gaan. Activisme is uit de boze. Wij moeten de Heere vragen, ons wegen te willen tonen. Zo de Heere het huis, niet bouwt, tevergeefs arbeiden de bouwlieden daaraan ; zo de Heere de stad niet bewaart, tevergeefs waakt de wachter.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 december 1957

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

HET HERVORMD GEREFORMEERD APPÈL

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 december 1957

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's