ANGST VOOR LEERTUCHT IN 1961 OVERBODIG
Wij lezen in het Utrechts Nieuwsblad d.d. 26 november j.l. het volgende :
Verdraagzaamheid in N. H. Kerk. Angst voor leertucht in 1961 overbodig. „Tolerantie tegennatuurlijk".
Het is bepaald niet onmogelijk, dat de leertucht die volgens de kerkorde van de hervormde kerk in 1961 in werking treedt, in de eerste plaats inzet in een orthodoxe vleugel van de kerk, waar het evangelie der vergeving verduisterd wordt door de te sterke nadruk op de kennis der ellende. Het kan heel wel zó gaan, dat deze tucht niet in eerste instantie wordt toegepast op vrijzinnige en katholiserende hervormden, — waarvoor gevreesd wordt. Het is overigens nog de vraag óf er in 1961 veel veranderen zal; bij de nieuwe kerkorde van 1951 is het, als overgangssituatie, mogelijk dat een ambtelijke vergadering een afkeurend oordeel uitspreekt over de ideeën van een predikant ten aanzien van prediking en catechese.
Aangezien van deze dusgenaamde judiciële leertucht, die voor de persoon van de predikant geen enkele consequentie heeft, nog nooit gebruik is gemaakt, ligt het in de lijn der dingen, dat de in 1961 in de voeren justitiële leertucht, waarbij de betreffende ambtsdrager afgezet kan worden, niet dan in uiterste noodzaak toegepast zal worden.
Aldus jhr. L. de Geer te Zeist, secretaris van het college van visitatorengeneraal van de hervormde kerk, in zijn zondagmiddag op De Horst te Driebergen gehouden rede over tolerantie en leertucht. Jhr. De Geer hield deze toespraak in het kader van de conferentie over , , Grenzen der verdraagzaamheid", die in het afgelopen weekend voor belangstellenden was belegd door de afdeling cursus- en conferentiewerk van Kerk en Wereld te Driebergen.
Spreker wees er op, dat de leertucht primair ziet op de zaak en niet op de persoon. Het gaat om het zuiver houden van het evangelie. Wat giftige ketterij is voor de kerk is ook vergif voor de wereld. Daarom achtte hij tucht ook een apostolische zaak ; leertucht is het teken, dat kerk noch wereld aan zichzelf worden overgelateji. Het nieuwe element van de kerkorde van 1951 is dat alle belijden geschiedt met het oog op de wereld.
Belijdenis een wegwijzer.
De in de kerkorde opgenomen zin: de kerk weert wat haar belijden weerspreekt, moet volgens jhr. De Geer zo verstaan worden, dat het belijden alle uitspraken omvat die de kerk van het begin af gedaan heeft en die voor een goed deel ook gecodificeerd zijn. Het zijn de wegwijzers op het pad dat de kerk door de eeuwen gegaan is. De grondelementen van de openbaring - de fundamenten - zijn de accenten van die openbaring die zich op bepaalde wijze tot elkaar verhouden, wanneer deze verhouding verstoord wordt is tucht noodzakelijk, zo zei de heer De Geer.
Hierbij doet zich de volgende vraag voor : kan een in de hervormde kerk afgezet predikant weer predikant worden in een andere kerk, of dient dat onmogelijk te zijn, zodat de hervormde kerk met haar leertucht dus een plaatsvervangend oordeel uitspreekt ? Spreker zei, dat het — afgezien van de onmogelijkheid om hierop nu reeds antwoord te geven — wél de bedoeling is, dat de leertucht een zaak van de wereldkerk is en niet een particulier-hervormde aangelegenheid.
Jhr. De Geer wees er op, dat het bij de leertucht in de kerkorde ging om de fundamenten, het getuigenis van apostelen en profeten. Wanneer er stond : fundament zou de zaak veel duidelijker komen te liggen, omdat het enkelvoud slaat op Christus.
Overigens is de vraag van de tucht slechts een element en niet de spil van de kerkorde. In dit „reglement" heeft men geen uitspraken opgenomen die kunnen dienen als Geigerteller voor het aanwijzen van een onjuiste leer. De kerkorde schept slechts het instrumentarium waarmede de ambtelijke vergaderingen moeten werken wanneer het op toepassing van leertucht aan komt.
De omstandigheid, dat de hervormde kerk tot 1951 door de veelheid van richtingen te zeer , , hotelkerk" was, gaf de synode destijds aanleiding de invoering van de justitiële leertucht uit te stellen tot 1961.
Vrijzlnnige visie.
De heer R. Remmelts uit Den Haag, voorzitter van de Vereniging van vrijzinnig hervormden in Nederland, achtte de justitiële leertucht onjuist omdat deze zaak zijns inziens een gewelddadige achtergrond heeft.
Ook verwierp hij de officiële judiciële leertucht. Als alternatief stelde hij het voortdurende gesprek met de ander, ook al tast hij de fundamenten aan. Spr. zei er wel rekening mee te houden, dat de kerk grenzen heeft.
Keuze voor absolute tolerantie of absolute intolerantie is onaanvaardbaar. Wij moeten intolerant zijn tegen degene, die het belijden der kerk weerspreekt, maar tegelijkertijd moet men in „Toleranz der Liebe" (Brunner) contact met hem blijven houden.
Leertucht moet een zaak van de wereldkerk zijn. Wanneer het een particuliere hervormde aangelegenheid wordt vervalt men tot sectarisme.
Zending en tolerantie.
Zaterdagavond sprak prof. dr. H. Kraemer te Driebergen, over zending en tolerantie. De door hem uitgewerkte grondgedachte was, dat de mens van nature intolerant is : tolerantie is derhalve een verovering op die natuur.
, , Ieder mens heeft de godsdienst en de godsdienstige expressie die het meest past bij zijn temperament, zodat allen tegelijkertijd gelijk eh ongelijk hebben". Deze verklaring van bijvoorbeeld de Hindoes voor hun geestelijke tolerantie is typerend voor het oosters relativisme.
Zo gauw echter een heterodoxe geestelijke stroming sociale en economische invloed gaat uitoefenen, die de officiële levensgang van een land in gevaar brengt, wordt men intolerant.
Prof. Kraemer noemde hierbij het voorbeeld van de boeddhisten, die indertijd in China vervolgd werden, omdat te veel Chinezen in kloosters verdwenen, daarmee celibatair werden en zo het maatschappelijk bestel verstoorden omdat het aantal geboorten lager werd. De Romeinen verzetten zich tegen de christenen omdat dezen in hun weerstand tegen keizerverering de landsorde in gevaar brachten.
Stootkracht van boeddhisme.
Naast het geseculariseerde Westen, dat leeft in een godsdienstige apathie, staat onder meer het oosters boeddhisme, dat als sociaal-politieke ideologie een enorme stootkracht heeft en ook in het Westen, dat binding zoekt, aanhang vindt.
Wij moeten niet praten over tolerantie of intolerantie, zo zei spreker, 't Gaat erom dat elk getuigenis recht heeft. Ieder dient de volle vrijheid te hebben om door overreding zijn getuigenis ingang te doen vinden bij anderen. Dit getuigenis, geloof, wordt tot ideologie wanneer bepaalde zaken verplichte geloofsobjecten worden, zoals dogma's in de tijd na Constantijn de Grote.
Men is volgens de hoogleraar op verkeerd spoor, wanneer men het christendom maakt tot object van een politiek program. Ideologie is dan een stelsel van beginselen. Dit noemde spreker ook een van de redenen waarom hij christelijke partijvorming, als C.H. en A.R., veroordeelt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 december 1957
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 december 1957
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's