ADVENT Het verlossende Woord
In de beginne was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was God. Johannes 1:1.
We leven in een alles beroerende tijd. Indien wij er een hart voor ontvangen hebben, kunnen we met een geestelijke ontroering erop wijzen, dat het Woord Gods ons betuigt, dat de tijd, voorafgaande aan de komst van het Woord Gods in het vlees, ook een tijd was van angstige beroering. En dit zal ook zo zijn in de Adventstijd, voorafgaande aan de wederkomst des Heren. Ziende op wat heden in de wereld gebeurt, worden velen dan ook beklemd door de schrikwekkende producten van het menselijk vernuft, en de technische wonderen van deze tijd. Het lijkt of de aarde te klein wordt voor de , , grootheid" van het menselijk geslacht. Onder de toelating Gods schijnt het wel of het zondig menselijk geslacht geen grenzen meer zijn gesteld. Een afschuwelijk machtsvertoon van duivel, zonde en dood wordt openbaar. Het is als ten tijde van het Oude Verbond, toen het volk Israël schijnbaar uitzichtloos leed in het diensthuis van Egypte. Zelfs toen de God des Verbonds, de God van Abraham, Izaak en Jacob Zijn verlossend woord gesproken had, door bemiddeling van Zijn dienstknechten Mozes en Aaron, deden de Farao en zijn tovenaars, voor de ogen van een ellendig en onderdrukt volk, nog wonderen van macht. Immers op het Woord dès Heeren werden voor die aardse machthebber goddelijke wondertekenen, sprekende van het genadige voornemen Gods ter verlossing, gedaan, maar op het woord van Farao en zijn duivelse tovenaars werden ook wóndertekenen daartegenover gesteld.
En voor de ongelovigen, maar ook de kleingelovigen en de twijfelenden, scheen het of er aan de duistere zondemachten geen grenzen waren gesteld.
En zo ook nu : lang gekoesterde denkbeelden van het zondig mensengeslacht, worden tot woorden en tot wetenschappelijke formules. Ja, zij worden metterdaad een werkelijkheid. En bij de verwerkelijking van de schrikwekkende bedenkselen van de machthebbers der wereld, wordt bruut machtsvertoon ontplooid en wordt een duivels hoongelach géhoord. En dit alles schijnt daartoe te leiden dat de hele wereld, meer dan ooit, een diensthuis wordt van ellendige onderdrukking en zondedienst voor alle naties en volkeren en rassen.
De wereld en de wereldling, indien zij weigeren acht te geven op het verlossende woord des fïeeren, leven dan ook in de angstige adventstijd van de komende anti-christelijke macht. En in die duisternis wordt er angstig geroepen: „Wie zal het verlossende woord spreken en wie zal over ons heersen". Echter diegenen, die eenmaal en andermaal een woord hebben gehoord dat niet van deze wereld is, mogen zich gelukzalig prijzen. Zij zullen mogen hopen dat er voor hen een verlossing bereid is en er zal een andere verwachting in hun hart levend gemaakt worden, die niet ten dode is. Zie slechts op het geschreven Woord Gods, dat getuigt dat het verlossende Woord reeds in de beginne gesproken is door de Christus, die in de beginne het Woord was bij God, en Die ook het laatste woord zal spreken, ja metterdaad de verlossing heeft teweeggebracht. Die Christus, de eeuwige en enig geboren Zone Gods Die spreekt: , , Ik ben de Alpha en Omega, de Eerste en de Laatste", van Hem wordt door Paulus gesproken: „Die alle dingen draagt door het woord Zijner kracht, nadat Hij de reinigmaking onzer zonden door Zichzelven teweeg gebracht heeft, is gezeten aan de rechterhand der Majesteit, in dê hoogste hemelen".
Hij is de voleinder der geschiedenis dezer gevallen wereld. Enerzijds naar Zijn macht om het rechtvaardig oordeel Gods over de ongehoorzame zondaren te voltrekken en anderzijds naar de betoning Zijner genade tot vergeving van zonde voor hen, die alleen op Hem hopen. Tegen Hem kan geen enkele macht stand houden, ook de satan uiteindelijk niet, de tovenarijen zijner boosheid zijn een grens gesteld.
Hebt gij Hem, o lezer, dat woord des levens, ook al leren kennen ? Heeft Uw zoekend zielsoog ook al mogen bespeuren het lichtend spoor van de weg des heils van die Christus, die zich aftekent in de geschiedenis der wereld, waarvan profeten en apostelen getuigden, en reeds aan Noach geopenbaard, toen de regenboog hem als teken werd gesteld van de trouw des Heeren aan Zijn woord en Zijn beloften des heils. En is dat licht van die zalige hoop ook al in uw hart te bespeuren ?
Laten wij dan gaan in de richting van Bethlehem, waar de eeuwige en enige Zoon Gods gekomen is in het vlees, opdat aan Zijn vlees het gericht voltrokken zou worden, opdat ons vlees behouden zou worden. Als gij daar eenmaal aanbidders en lovers van dat vleesgeworden woord Gods geworden zijt, zult gij door de Geest Gods tot nog een grotere troost en bewaring geleid worden. En dan zult gij met de evangelist Johannes geleid worden tot het naspeuren van de oorsprongen van het Goddelijke verlossingsvoornemen voor een verloren wereld, Dan zult gij teruggaan achter Bethlehem tot de verkiezing van, en de belofte aan Israël en dan zult gij daarachter met Johannes zien de beloften gedaan aan Adam en Eva na hun val in het paradijs, aangaande de Christus. En zo teruggaande zult gij de Zone Gods al aanbiddend aanschouwen ter tijde der schepping, ja daarvoor was Hij al in eeuwigheid de Zone Gods, Johannes rust niet voor hij gevonden heeft de eeuwige uitgangen van het woord dat vlees werd, en welks heerlijkheid hij aanschouwd heeft, „In de beginne was het woord, , ." met deze woorden wijst de evangelist aan, dat het woord Gods, de Christus, er was vóór de tijd aanving, vóór de schepping in het aanzijn kwam, ja dat het woord bestond van eeuwigheid. Christus was voor alle dingen. Zijn uitgangen zijn van ouds, van de dagen der eeuwigheid.
Kent gij schoner evangelie-beschrijving dan deze, die de oorsprong der genade in Christus Jezus aanwijst in de eeuwigheid ? Immers, indien wij onszelf zien in ons natuurlijk leven en in ons zondig bestaan en beseffen dat voor de mensheid in zonden viel in het paradijs, Christus daar al gereed stond ter verlossing, van eeuwigheid al, dan is hier alle roem van mensen uitgesloten. Want hier blijkt dat genade al te schenken stond, voordat de gevallen mens daarom ging vragen en er alreeds een ontferming was die ons menselijk verstand verre te boven gaat. Hier blijkt de genade eeuwig te zijn, eeuwig bij en uit God. Het scheppingsleven heeft nog een begin en de zonde heeft een begin, maar de genade is zonder begin. Nog meer : de genade Gods is er altijd geweest. Bij. zo'n overstelpende openbaring van wat de genade Gods wezenlijk is, is er ook voor de grootste zondaar nog hoop. Als er iemand is, die meent, dat het voor hem of haar geen Kerstfeest kan worden en er geen verlossing kan zijn, wegens een te grote jarenlange hardnekkige zondedienst, wegens een te grote schuld, wegens een te grote gehechtheid aan het kwaad, ja dan kan de wereld niet helpen en zelfverlossing baat niet, maar dan is er door de genadige bediening van bovengenoemd evangelie nog hoop! Immers hier is genade, die al bestond voor de mens zich van God losrukte, ja zo is er bij de kribbe van het vlees geworden woord in Bethlehem nog genade en gratie zelfs voor de grootste zondaar!
En ook is hier tegelijk een rijke troost voor het volk van God. Dat volk heeft zijn zonde en schuld voor de Heere leren zien en dat blijft altijd pijn geven in het hart, en bij toenemende heiliging en kennis van de noodzaak van dagelijkse' vernieuwing, zal de Heilige Geest steeds meer licht werpen op uw onheilig en bedorven bestaan, zoals ook David klaagde: „'t Is niet alleen dit kwaad dat roept om straf, maar ik ben in ongerechtigheid geboren". Maar dan blijft het hier niet bij, maar de geest Gods zal u nog verder terugvoeren naar de oorsprong van die ongerechtigheid, zoals dat in het paradijs openbaar is geworden. Nog verder voert de Geest u terug naar de schepping, toen de Geest Gods zweefde over de wateren.... , , en stelt dan uw bekommerd hart voor de waarheid: , , In de beginne was het woord", opdat er weer nieuwe grote troost zij om het kindeke van Bethlehem te mogen terugvinden in Zijn eeuwige oorsprong.
En zo zult ge, kleingelovige, u zelf weer mogen terugvinden knielend bij de kribbe, ervarende tot uw onuitsprekelijke vertroosting dat voor gij in zonde ontvangen en geboren werd, het hart van uw God in eeuwige ontferming over u bewogen was. En gij zult belijden dat in de beginne uw leven in zonde begon, maar dat in de beginne het woord er reeds was, dat voor u vlees zou worden, opdat uw vlees verzoend zou zijn. Dan is dit het verlossende woord voor u. Dan is Hij de Eerste en de Laatste van uw leven en wat er dan ook gebeure in heden en toekomst, dan zult gij door de geest Gods geleid worden tot de belijdenis, die ook de belijdenis van Job was: „Ik weet dat mijn Verlosser leeft". En dan vouwt ge in aanbidding de handen en u zegt dan: „O God! hoe oud en hoe groot is mijn schuld reeds, maar milde handen, vriendelijke ogen zijn bij U van eeuwigheid".
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 december 1957
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 december 1957
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's