EEN NIEUW JAAR VOOR DE DEUR
Als dit nummer in de bus wordt bezorgd, zijn de kerstdagen wederom voorbij en de laatste zondag van het jaar 1957 breekt weldra aan. De Oudejaarsavond met zijn eigenaardige sfeer komt in het zicht. In huis, op de weg, in ons werk, overal spreekt het ons aan, droefgeestig als de bewolkte lucht, als de druipende pijnbomen onder de laaghangende wolken en het licht der straatlantaarns dat schemerachtig en triest dringt door de nevelsluier.
Hoe dit komt, dat die sfeer ons zo overal omringt ?
Ook wel een beetje door de somberheid van buiten. Maar toch niet helemaal. Laat de zon maar even doorbreken en haar koesterende stralen het wolkenfloers verjagen om uit de klaarheid van winterse vrieslucht door het glas van ons venster binnen te vallen. Dan klaart het ook bij ons van binnen weer op. Het weer doet heus ook wat. Doch niet alles.
De hoofdzaak ligt anders. De laatste dagen van het jaar herinneren ons aan onze vergankelijkheid. Dat maakt ons droefgeestig en de wereld buiten harmonieert met die innerlijke, welke rouwklaagt over het wegstervend jaar, of eigenlijk over het wegsterven zelf.
Of die herinnering er dan niet altijd is om onze rust te verstoren ? Soms wel, maar toch niet altijd. Wat zou dat de mens zwaar drukken, als hij altijd en overal in de schaduw van de dood verkeren moest. Het zou hem licht te veel worden. Maar de herinnering slaapt dikwijls in. Als de zon de wereld doet baden in haar schitterende gloed en de ganse schepping juicht en zingt de ere en de majesteit Gods. Als vreugde en voorspoed rozen doen bloeien op ons pad. Als die ons gelukkig maken en groot, ja dan kan het hart zo vervuld zijn van blijdschap en leven, alsof wij nergens zover van verwijderd waren als van dood en rouw.
En toch, de harde werkelijkheid is niet anders, de dood omringt ons altijd en overal, maar wij zijn er ons niet altijd van bewust, staan er niet altijd bij stil, en willen er ook eigenlijk niet bij bepaald worden. Alleen op de Oudejaarsavond. Dan is er een soort sentimentele bevrediging voor velen in, herinnerd te worden aan de snelle vlucht onzer jaren en te verwijlen bij het beeld dergenen, die door de dood van ons werden weggerukt.
Op zich zelf is dit toch een merkwaardig verschijnsel, zoals er velen ook heel weinig aan godsdienst en kerk gelegen is, die toch op de Oudejaarsavond in de kerk worden opgemerkt. Ik weet niet, of dit nog zo is, maar tot niet zo heel lang geleden was het zo.
De mens leeft met de natuur mede. Spreekt men niet van de herfst des levens, ziende op de oude dag en op de lente, doelende op de jeugd? Welnu, onder de indruk van dat , , afsterven der natuur", zoals men pleegt te zeggen, en van de sombere aanblik van het winterlandschap laat hij zich meeslepen. Hij vertolkt daarin in feite hetgeen in zijn eigen gemoed wordt ervaren, en hij zoekt om de somberheid te ontkomen, ook al weer door zijn gebondenheid aan de aarde. Immers als de nachten zo heel lang worden en het zonlicht zo schaars, is het keerpunt nabij. Straks lengen de dagen en de eerste voorjaarsbloemen steken hun klokjes door de sneeuw als vriendelijke boden van naderende lente en zonnegloed.
De klaagzang gaat voorbij en men neemt de dood toch weer niet ernstig, maar als een phase, een overgang tussen herfst en lente. Men maakt zich op met het oude heidendom en o(ntsteekt de voorjaarsvuren.
Zou het waar zijn ? Zou er in de Oudejaarsavondstemming heus nog zoveel heidendom schuilen?
Vergeet niet, dat het heidendom heel menselijk is. Juist dat menselijke laat zich zo gemakkelijk ook gelden in het christendom. Let maar eens op de 'feestgebruiken", die in de christenheid gewoon zijn geworden bij de herdenking van Christus' geboorte en opstanding ! Kerstfeest en Pasen zijn getooid met symbolen en gebruiken, die aan het heidendom zijn ontleend en opgemaakt met een beetje , .Christelijk" klatergoud.
Het ouderwetse sobere feest van vroegere generaties trekt zich steeds meer terug in de binnenkamer van huis en hart, — of eigenlijk moest het omgekeerd van hart en huis — want in het hart begint het echte feest. Zelfs begint men de kerkdiensten ook al te besmetten instede vast te houden aan de geestelijke stijl van een echt Christgelovig gedenken en belijden in de kracht van Woord en Geest.
Hoe weinig intussen de oud-heidense symbolen te maken hebben met de geest van het Christelijk geloof, kan een ieder, die niet blind is, opmerken in de wereld, die zich in de donkere dagen voor het stervend jaar kwistig tooit met sparregroen en rood en lichtende kaarsen en vrolijkheid zoekt in de plaatsen van gezelschap, 't Menselijke spreekt er in, als de wereld haar kerstfeest viert op haar wijze en vertier zoekt in de somberheid, moed om voort te gaan in de verwachting van nieuwe lente het menselijke spreekt er ook in, dat Christenmensen verleidt of behoefte geeft om een beetje met de wereld mee te doen — in huis b.v. en voor de kinderen, zolang ze nog zo klein zijn.
En als dan de kindertjes om de kerstboom met vrolijke gezichtjes flonkerend in de glans van de kaarsjes kerstliedjes zingen, van het Kindeke in de kribbe en van de herdertjes in het veld, lief en onschuldig als waren het engeltjes, dan kan een stevige Calvinist geroerd worden.
Een ogenblik later, als het versje uit is, éen en éen en misschien nog éen, komen de chocolade en de geschenkjes van de boom en die kleine engeltjes van zoeven worden kleine tijgertjes — als om ons even te ontnuchteren en te doen zien, wat in de mens is.
Alles zo menselijk.
Hoe weinig echter spreekt in dit alles het Christelijk advent, de Christelijke hope, de verwachting van een eeuwige toekomst in de Heere Jezus Christus.
Ja, zeg mij niet, dat er toch uit alles en uit de algemeenheid van deelneming aan de feestvreugde de wereldoverwinnende kracht van het Christendom openbaar wordt. Het Christendom heeft toch maar ons ganse cultuurleven doorzuurd .. . misschien wilt gij zelfs zéggen: doorzuiverd... ? ! De hele wereld voor Christus ! Het ganse heidendom overtrokken van Christelijkheid!
Het is een onderwerp op zichzelf om over te discussiëren en er zijn verschillende kanten aan. In het algemeen kan men echter wel zeggen, dat het er met de doorzuring van ons cultuurleven door het Christelijk geloof niet zo rooskleurig bij staat. Integendeel zijn de tekenen van voortdurende saecularisering overduidelijk en zelfs ontstellend.
En wat blijft er ook in de kerk over van een echt Christelijk advent ?
Wij hebben de adventsdagen weer achter ons en werden in de prediking geleid naar de kribbe van Bethlehem om daar te aanschouwen de blijde vervulling van de profetie der zaligheid zovele eeuwen door verwacht. Wij werden ingeleid volgens traditioneel program in de verwachting der wereld, van Israël en wij gingen naar de stal onder vermaning, dat wij geen deel aan de zaligheid Gods kunnen hebben, als Christus, de Zaligmaker ook niet in ons hart geboren wordt En wij gingen naar huis, de laatste , , gewone" zondag van het jaar tegemoet en Oudejaarsavond.
Wij willen ze niet missen, die oude traditionele adventsprediking en wij willen op Kerstdag toch even bij de kribbe staan, over de schouders van anderen heen, misschien even een blik werpen op het Kindeke. Het is zo teder en bijzonder. , , Alzo lief heeft God de wereld , , gehad, dat Hij Zijn Eniggeboren Zoon , , gegeven heeft" — en velen komen niet verder.
Toch is dat geen eigenlijk Kerstfeest en blijft het een doodachtig advent. Een stukje geschiedenis, een Kerstverhaal nog daarbij, en als het aan de verwachting komt voor morgen en overmorgen, en voor de dag der eeuwigheid ?
Of dan de geboorte des Heeren te Bethlehem geen geschiedenis zou zijn ? Ongetwijfeld is het dat en wel het allerbelangrijkste stuk in onze geschiedenis: Immanuël, God met ons, en dat in zo nauwe gemeenschap als de vereniging Zijner goddelijke en onze menselijke natuur.
Welk een machtig feit! Doch omdat het zo groot en zo machtig is, bepaalt zijn werking en vrucht zich niet tot de geboorte in Bethlehem. Neen, die geboorte is vervulling van de profetie van ouds en van de verwachting der vaderen, maar ook de profetie en de verwachting der vaderen gingen verder en blikten in het panorama der wereldhistorie tot de uiterste gezichfcseinder, tot in de toekomst der heerlijkheid — ver over Bethlehem heen.
Daarom is het armoede, op de Kerstdag slechts in gedachten op te gaan naar de kribbe zonder het ware advent in de ziel, verwachtende een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, waar gerechtigheid woont.
Het is ook zo weinig Schriftuurlijk en Evangelisch. Niet alleen de oude profetie zag tot in de dag des Heeren, de grote dag des Heeren, aan de horizont van de tijd, maar hebt gij niet gelezen, dat de Heere Jezus ons onderscheidene malen opwekt tot de verwachting Zijner toekomst ?
Telkens wijst Hij op Zijn wederkomst.
Wij kunnen alle dagen leven in adventsgeloof, het geloof en de verwachting van de wederkomst des Heeren, want Gods goedertierenheid is iedere morgen nieuw. Met de geboorte des Heeren is het advent begonnen. Hier ligt de aanvang van het werk van verzoening en verlossing op aarde, hetwelk zijn voleindiging zal vinden in de wedergeboorte van alle dingen.
Straks, als de Zoon des mensen wederkomt om te oordelen de levenden en de doden, zal de oude wereld haar taak hebben uitgediend en zal zij verdwijnen, terwijl de nieuwe eeuw aanbreekt.
De ware Christen behoeft geen armoede te lijden bij de herdenking van Christus' geboorte in de prediking van enkele adventszondagen en op de Kerstdag. Uit die Christusgeboorte leeft hij iedere dag en temidden van de strijd des geloofs en de zorgen van dit aardse vergankelijke leven, koestert hij een levend advent, in de verwachting van Christus' wederkomst, waarvan degenen, die van Christus zijn, door de genade Gods zegevierende getuigen zullen zijn en overwinnaars in Hem.
Zulk een advent gloort luisterrijk uit boven de somberheid van de tijd en trekt een lichtend spoor op hun pad door de dood heen de eeuwige heerlijkheid in.
De ware Christen. Het waarachtig geloof. Daarop komt het aan.
Dat wil zeggen, in Christus ingelijfd zijn. Met Hem één plante geworden zijn. Gemeenschap oefenen met Zijn lijden en sterven en kracht ontvangen uit Zijn opstanding. Afsterving van de oude mens en opstanding van de nieuwe. Dat is ingelijfd worden door Woord en Geest in Zijn leven.
Zulk een leven wordt ons deel niet door onze goede werken, want wij zondigen dagelijks in vele dingen —; , of langs de weg van eigenwillige godsdienstigheid. Alleen in de kennis van die Christus, die ons in de Heilige Schrift wordt voorgesteld als de enige Borg en Middelaar, die voor ons zon- • daren is tussengetreden bij de Vader ligt een gegronde hope voor tijd en eeuwigheid.
Als wij door het geloof in Zijn dood der zonde gestorven en in Zijn opstanding de nieuwigheid des levens aangedaan hebben, zal het menselijke, waarop wij boven wezen, zijn aandoening en sentiment niet afleggen, want wij zijn mensen, maar het verschijnt anders.
De klacht en de vermaning van onze vergankelijkheid komen ons uit Oude en Nieuwe Testament tegen, doch telkens weer onder verwijzing naar het Woord, dat blijft tot in eeuwigheid, en naar de goedertierenheid des Heeren, die zich ontfermt over degenen, die Hem vrezen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 december 1957
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 december 1957
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's