De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Alle dingen nieuw

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Alle dingen nieuw

11 minuten leestijd

Ziet, Ik maak alle dingen nieuw. Openbaring 21 : 5

Het nieuwe heeft voor ons grote bekoring. Een nieuw huis, om een voorbeeld te noemen, nieuw ingericht, alles gaaf en schoon, nog zonder geschiedenis, welk een genot.

Zonder geschiedenis. Ja, daar zegt ge wat. De geschiedenis. Is dat niet juist het bijzondere, het aantrekkelijke, het vertrouwde en beminnelijke van het oude huis, inzonderheid het ouderlijk huis met die gezellige ouderwetse meubelen, die ons ieder voor zich wat hebben te vertellen? Die leunstoel van vader en moeders plekje achter de familie-tafel, het oude kabinet, die rustige oude friese staartklok met zijn deftige tik, die altijd de tijd en nooit haast schijnt te hebben ?

'Kijk, dat heeft alles geschiedenis gekregen en spreekt tot ons in al de rijkdom van het leven, soms vrolijk en vol blijde herinnering, maar ook droef en nog altoos te smartelijke naklank. Het draagt alles de kenmerken van moeders zorgende hand en van vaders arbeidzaamheid, maar ook van ouderdom en gebreken en slijtage. En deze zijn het die gemakkelijker door de anderen dan door de jongeren gedragen worden.

Het jonge geslacht leeft nog niet bij de geschiedenis, maar bij de verwachting van het nieuwe.

Welk een moedgevend begin voor de jeugd: een nieuwe cursus, een nieuwe klas, nieuwe leerboeken — en hoevele goede voornemens om alles te vernieuwen en ook nieuw te houden in het nieuwe schooljaar. Nieuwe ijver, nieuwe toewijding en vlijt. Gij kunt 't waarnemen aan de wijze, waarop de nieuwe schriften en boeken worden ingewijd. Een schrift met een net etiket. Daarop naam en bestemming meer getekend dan geschreven. De boeken voorzien van nieuwe omslagen en keurige opschriften. Er zijn er, die het langer of korter volhouden. Maar kom eens over drie maanden kijken. Bij de meesten is het weer precies als het vorige jaar.

Hoe dat komt ?

Het nieuwe is wel aantrekkelijk zolang het nieuw is, maar dan is het nog niet van ons zelf. Zodra wij het nieuwe gaan gebruiken, wordt het een deel van ons leven en ontvangt het de stempel van ons zelf. Het wordt onderworpen aan onze persoonlijkheid, aan ons karakter. En — bij de jonge mensen tekent zich dat ook reeds af —•, dat wij de geschiedenis, onze geschiedenis van gisteren en eergisteren meedragen in de nieuwe omgeving, de nieuwe situatie, de nieuwe woning, het nieuwe jaar. Het nieuwe blijft altijd slechts een ogenblikje nieuw. Zolang blijft het nieuw, als het nog vreemd van ons is. Maar iedere handeling maakt het nieuwe oud.

Zo is het bij de ouderen en zó begint het ook bij de jongeren. Wij kunnen nooit iets nieuw houden, als de dingen bij ons betrokken worden. De dingen veranderen met ons, als wij ze aan ons zelf trachten te onderwerpen.

Dat beproeven wij ook met de tijd, die wij beschouwen als onze tijd. En dat is ook zo. Tijd is zeer betrekkelijk. Ieder mens en ieder ding heeft zo zijn eigen tijd. Wij hebben slechts een gemeenschappelijke tijd, zolang wij gemeenschap met elkander hebben en op elkander zijn .aangewezen: in huis, in de school, in de werkplaats. Als wij weer op ons zelf zijn, hebben wij weer onze eigen tijd.

Het nieuwe jaar? Ook onze eigen tijd?

Wij gaan gemeenschappelijk het nieuwe jaar in. 1958 Nieuwjaar voor ons allen, die het beleven. Maar, of het gehele jaar 1958 ons gemeenschappelijk jaar zal zijn, kunnen wij niet zeggen. Het is slechts ons jaar, voorzover wij het mogen medeleven.

Want de tijd is niet in onze hand. De tijden zijn in Gods hand. Tijd is genadegave Gods. Dat kunnen wij reeds daaruit weten, dat wij verouderen in de tijd, die wij de onze noemen. Nog eens, tijd is gegeven goed. Tijd is een objectieve werkelijkheid, schepping Gods. De tijd, onze tijd, de tijd op aarde wordt bepaald door de ordeningen des hemels. Wij lezen in Genesis 8 : 22 : Voortaan al de dagen der darde zullen zaaiing en oogst, en koude en hitte, en zomer en winter, en dag en nacht, niet ophouden.

Ziedaar de belofte Gods, dat de ordeningen des hemels al de dagen der aarde niet zullen ophouden. Hoevele al de dagen der aarde zijn, weet niemand. Het getal is echter niet oneindig. Immers in het boek der Openbaringen wordt ons medegedeeld, dat er geen tijd meer zal zijn. (Openb. 10 : 6).

Dan zijn de dagen der aarde ten einde. De ordeningen des hemels worden veranderd. Deze wereld gaat voorbij en wij verwachten een nieuwe hemel en een nieuwe aarde.

Onze tijd is alzo de tijd der aarde. Onze dagen zijn de dagen op aarde. De aardse dag is een enige dag, zoals deze door de ordeningen des hemels wordt bepaald. Zo is het ook met onze maany dèn en jaren op aarde. Die zijn enig in hun soort. Ergens anders in de wereld b.v. op de planeten is het alles anders, ook al weer tengevolge van de ordeningen des hemels.

De aardse tijd is dus een geheel eigen tijd, door God voor de aarde verordineerd, zoals de aardse dagen, maanden en jaren.

De aardse tijd is de tijd, welke God voor het mensdom heeft besteld, het is onze tijd, onze van God gegeven tijd, ja onze van God gegeven genade-tijd, want wij' zijn zondaren en kinderen des doods.

Daarom, omdat wij kinderen des doods zijn, verouderen wij in de tijd. Voor ons is tijd verslijting, afslijping en versterving. Wij zeggen tijd slijt. Wij zeggen dat met het oog op geleden smart, maar ook met het oog op de hoge bergen, die hun granietrotsen hoog in de lucht verheffen en langzaam worden verteerd.

De Schrift zegt: , , Stof zijt gij en tot stof zult gij wederkeren". (Gen. 3 : 19) en toch is er een groot onderscheid tus­sen de hoge bergen, die de eeuwen trotseren en de kleine mens, die zijn huis bouwt in de valleien aan hun voet. Groot onderscheid krachtens de schepping en groot onderscheid onder de genade. Een mens is geworden tot een levende ziel. Hij is dat geworden door de adem Gods en met een bestemming der eeuwigheid. Zoals hij uit de hand van zijn Schepper is voortgekomen, behoeft hij niet te verouderen in de tijd. Die hoge bergen wel, al zijn ze voor ons een beeld van tartende standvastigheid geworden, omdat onze dagen als een schaduw voorbijgaan. De mens echter is door God de Heere geschapen met een eeuwige bestemming. Daarom behoeft hij niet te verouderen krachtens zijn schepping, en onze dagen zouden niet als jachtschepen voorbijgaan, ware het, dat wij staande gebleven waren in gerechtigheid. De scheppende kracht Gods kan de vergankelijkheid van het schepsel overwinnen, zodat de tekenen zelfs van onze vergankelijkheid niet worden gezien.

De Schrift onderricht ons daarin met het sprekende voorbeeld van Mozes, die een hoge leeftijd bereikte zonder tekenen der veroudering.

Mozes staat voor ons als een voorbeeld van de herscheppende genade Gods.

Hij is echter ook een bewijs voor, wat wij zoëven opmerkten: onze tijd is genade-tijd. Mozes is gestorven en alle heiligen van Oud- en Nieuw Testament zijn gestorven, ook al zijn zij evenvele getuigen van de vernieuwende kracht der genade Gods.

De Heere houdt de ordeningen des hemels in stand alle de dagen der aarde om de wereld genade te bewijzen en — zich een volk tot Zijn lof te bereiden, dat Hem in de tijd zal eren en vrezen en in de eeuwigheid Zijn goedertierenheid zal grootmaken.

De wisseling der tijden, d.i. de ordeningen des hemels, het feit, dat de jaargetijden elkander in blijvende gang opvolgen, dat iedere dag de zon weer over de aarde opgaat en dat we weer een nieuw jaar mogen ingaan, heeft ons alzo een dubbele vermaning indachtig te maken.

Of, om deze spraak duidelijk te doen klinken in menselijke taal van goddelijke oorsprong: de wisseling des jaars wil ons bepalen bij het gebed van Mozes: (Psalm 90) Zij spreekt ons van onze vergankelijkheid, ja van onze veroudering in de vergankelijkheid, omdat wij zondaren en kinderen des doods zijn krachtens onze geboorte uit een gevallen en zondig geslacht.

Zij getuigt echter ook van genade en roept tot bekering, aangezien onze tijd genade-gave des Heeren is.

De tijd gaat voorbij, omdat de wereld voorbijgaat. Onze tijd gaat voorbij, vanwege de toorn Gods. Daarom kan nieuwjaar voor ons nooit echt nieuw jaar zijn. Wij kunnen nooit eens helemaal nieuw beginnen, zoals de scholier de nieuwe cursus begint met nieuwe blanco cahiers en boeken, die de geur van de nieuwigheid dragen.

Zó kunnen wij nooit een nieuwjaar beginnen om maar te zwijgen van het nieuwe jaar nieuw te houden.

Wij gaan mee het nieuwe jaar in met onze oude bagage. Het woord is eigenlijk te uitwendig. Met onze oude geschiedenis. Ons leven is onze geschiedenis. Ons willen, gevoelen, verstaan, overwegen, handelen, het heeft alles in ons leven onuitwisbare sporen nagelaten. En dat is ons levende geschiedenisboek. Dat is ons leven. Dat zijn we zelf. Levende geschiedboeken. Niets is er in ons leven geweest, of het heeft zijn spoor daarin getrokken.

Het ontgaat onze aandacht dikwijls in de vlucht van het drukke leven. We zijn ons van veel niet eens bewust. We zijn het vergeten en menen, dat het daarmede ook vergeten is en niet meer terugkomt. Doch dat is mis. Onze geschiedenis is nauwkeurig gegrift in onze memorie.

Dat kan ieder toch weten. Of gebeurt het u dan nooit, dat die memorie u tot kwellens toe weer terugvoert in een hoek van uw leven, die gij maar liever voor altoos afgesloten hield ?

Denk er maar eens rustig over na, wat het betekent, dat wij met ons zelf, met ons leven, onze geschiedenis meedragen, niet als een slak haar huis. Niet op zulk een wijze, dat wij ook uit ons verleden zouden kunnen uitkruipen. Om het naar gelieven weder te betrekken. Neen, wij zijn onze geschiedenis. Ons leven is een stuk levende geschiedenis en deze wordt gedragen door ons verantwoordelijke ik.

Nieuwjaar is al weer één of twee dagen oud, als gij dit leest. Het is al weer oud en wij zijn dezelfden als gisteren en eergisteren. Wij kunnen ons zelf niet vernieuwen en wij kunnen de wereld niet vernieuwen.

Doch Hij, die alle dingen geschapen heeft. Hij kan alle dingen vernieuwen en Hij kan ook een nieuwe hemel en een nieuwe aarde maken.

De Heere is er trouwens mede bezig. Het werk der vernieuwing is in volle gang. Wie oren heeft om te horen, kan het vernemen uit de zuchting, die door de schepping gaat. De apostel Paulus heeft ons er opmerkzaam op gemaakt. En — zoals gezegd — er zijn er, die het ook horen. (Rom. 8 : 22).

Die vernieuwing, de wedergeboorte van het heelal, omvat ook de schepping van een nieuwe mensheid uit de oude. Die in Christus is, is een nieuw schepsel. Ook daarmede is de Heere bezig. De Heere Jezus is geboren, gestorven, begraven en opgestaan ! Wat meerder is, zegt de apostel, opgestaan ! Een nieuwe mens in Hem ! Hij de eersteling onder vele broederen. Derhalve vele nieuwe mensen in Hem.

Er zijn mensen, die deel hebben aan die vernieuwing. Mensen, die er bij betrokken worden. Gij kunt ze herkennen aan hun geloof, aan hun getuigenis aangaande de uitnemende kennis van Christus Jezus en de kracht van Zijn opstanding.

Ze kunnen geloven en kunnen getuigen, omdat zij de kracht van Zijn opstanding in eigen leven ontdekken.

Ze hebben de ernst ingezien van ons leven, dat zijn eigen geschiedenis bewaart en vertegenwoordigt.

De vernieuwing der dingen gaat gepaard met gericht over ons leven. Hoe kunnen wij dan met ons leven, met onze geschiedenis, voor Hem bestaan, die ons in gerechtigheid geschapen heeft ?

Gij ziet. Het is een zware last, dat wij, dat ons leven, een levend geschiedboek is, hetwelk wij zelf hebben geschreven en waarin niets verborgen is voor Hem, met Wien wij van doen hebben.

Zolang dat boek voor onze rekening ligt, kan het nooit echt nieuwjaar worden voor ons. Het veroordeelt ons.

Maar als God de Heere dat ganse boek uitdelgt, omdat Hij met ons van nieuwsaan wil beginnen ... Als Hij met ons een nieuwe geschiedenis gaat aanvangen, om Christus' wil ons vrij spreekt aangaande die oude. Zie, dan begint bij ons de glans der eeuwigheid door te breken in de tijd.

Dan is en blijft het nog altijd genade, als wij met de onzen het nieuwe jaar weer mogen ingaan, maar dan is er wat heel nieuws in ons leven gekomen, dat boven de wisseling der tijden uitgaat, wijl Christus ons door Zijn Woord en Geest is geworden tot een overste Leidsman en Voleinder des geloofs en Hij als weleer bij Israël ons door een wolk des daags en een vuurkolom des nachts geleidt en beschermt in de woestijn van dit leven.

S.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 januari 1958

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Alle dingen nieuw

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 januari 1958

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's