Licht over enkele Hervormde Psalmberijmingen
Prof. dr. G. J. Thierry heeft in het Herv. Weekblad „De Gereformeerde Kerk" (okt. '56-okt. '57) kritiek geoefend op de „Hervormde Psalmberijming" (de jongere dichters).
De Commissie voor de Psalmberijming werd benoemd door de Algemene Synode der Ned. Herv. Kerk op 25 maart 1950, met de volgende opdracht:
1. de melodieën worden beschouwd als een onaantastbaar bezit van de kerken van Geneve de opdracht der Synode bond de commissie aan deze (Geneefse) melodieën;
2. de Hebreeuwse grondtekst moet in het algemeen zo getrouw mogelijk worden weergegeven ;
3. stoplappen moeten zoveel mogelijk worden vermeden ;
4. als ook gedachten die in het oorspronkelijk niet voorkomen ;
5. ook modernisering van gevoelens en gedachten moet worden vermeden ;
6. de oorspronkelijke vorm en bezieling onverkort weer te geven is niet mogelijk, maar iets daarvan moet niettemin te speuren zijn;
7. in hoevere mag de psalmtekst worden verchristelijkt ? De psalmen zijn bestemd voor de eredienst der christelijke gemeente: de tekst moet dus nieuw testamentisch kunnen worden verstaan — (b.v.) psalm 22 moet zó worden vertaald (lees : berijmd), dat de gemeente aan het Kruis kan denken, psalm 45 zó, dat zij de schoonheid van haar Heer kan bezingen ;
8. vóór alles moet worden gestreefd naar een getrouwe vertolking van de grondtekst. (Deze regel, reeds onder no. 2 gegeven, wordt enkele regels na no. 8 nóg eens gegeven).
Het ligt in ons voornemen op deze zaak nog nader terug te komen, doch thans willen wij een paar voorbeelden van psalmberijming onder de aandacht van onze lezers brengen met de beoordeling van prof. Thierry, wiens kritische opmerkingen wij van harte onderschrijven.
Onze lezers zullen wel zo verstandig zijn de oude berijming uit het psalmboek naast deze „Hervormde" te leggen en te vergelijken.
PSALM 3.
1.
O Heer, de vijand stelt
zijn overmacht in 't veld
en staat mij naar het leven.
Ook hoor ik overal
dat niets mij baten zal,
daar God mij heeft begeven.
Maar, Heer, Gij zijt mijn schild.
Ik heb bij U geschuild met opgerichten hoofde.
Uit Slons heilig oord kwam steeds uw wederwoord,
als ik U riep en loofde.
2.
Ik legde mij en sliep.
Ik wist, - dat Wie mij schiep
voor mijn behoud zou waken.
De morgen is gekeerd
en ik mocht ongedeerd
dank zij Gods trouw, ontwaken.
Nu is mijn vrees voorbij, God ondersteunde mij
en blijft mij vergezellen.
Zo treed ik in het perk, hoe dreigend ook en sterk
tienduizenden zich stellen.
3.
Sta op, verlos mij. Heer,
Gij sloegt reeds menig keer*
met uw geduchte handen
mijn vijand op de kaak,
ja. Gij vergruisde vaak
der goddelozen tanden.
O Helper, help ook nu.
Elk heil berust bij U.
Wees met ons en strijd mede.
Dan daalt uw zegen neer,
want uw triomf, o Heer
omgeeft uw volk met vrede.
De berijming van III *) verbreekt de structuur van de oorspronkelijke tekst, zij houdt niet voldoende rekening met de melodie, zij heeft verscheidene fouten in de gedachten en bewoordingen.
Deze psalm is in de oorspronkelijke tekst zeer regelmatig opgebouwd ; hij bestaat uit 4 strofen, die elk 2 bijbelverzen tellen :
Ie str. — veel tegenstanders (2), veel spotters (3) ;
2e str. — de HERE beschermt mij (4), de HERE antwoordt mij (5) ; , . .., , ._, .
3e str. — ik had een rustige nacht (6), ik vrees geen vijand (7) ;
4e str. — HERE, verlos mij (8), de HERE verlost mij (9).
De grote moeilijkheid bij het berijmen van deze psalm bestaat hierin, dat de melodie (waaraan men gebonden is : Instructie no. 1) niet past bij de hebreeuwse strofen-bouw. ledere strofe van de proza-tekst bevat te weinig stof voor ieder couplet van de melodie. Men kan dit bezwaar op twee manieren trachten te overwinnen : (a) men kan aan elke strofe van I één volledig couplet in de berijming wijden ; maar dan zijn, op grond van de melodie, allerlei aanvullingen volstrekt nodig; men moet dan nauwlettend toezien dat die onvermijdelijke aanvullingen geheel in de geest van de psalm zijn. Deze oplossing (a) is toegepast o.a. in de thans gangbare berijming van 1773.
(b.) Men kan ook telkens 2 strofen van I in één enkel couplet der berijming onderbrengen. — Maar men mag niet, op tweeslachtige manier, (a) en (b) dooréénhaspelen ; strofe 1 en 2 samenvatten in één couplet, en dan aan strofe 3 en 4 ieder een afzonderlijk couplet geven ; zodoende wordt het evenwicht in de opbouw verstoord, vooral met het oog op de aanvullingen. Dit laatste is het geval in III.
De bestaande melodie van ieder couplet bevat 4 muzikale zinnen, die met een duidelijke pauze eindigen — vooral óók de 2e zin. Zal de berijming zingbaar wezen, dan moet de zinsbouw der woorden rekening houden met die eindpunten in de melodie. Het 3e couplet van III heeft: „Gij sloegt reeds menig keer met uw geduchte handen" — hier is een gemarkeerde muzikale pauze (de grondtoon), dus zoveel als punt! De melodie maakt een nieuw begin, maar de woorden gaan gewoon door: „ mijn vijand op de kaak". Dit is verkeerd.
Doch ernstiger zijn de bezwaren tegen gedachten en bewoordingen van III.
Couplet 1. I spreekt van „tegenstand", maar zinspeelt nergens op een veldslag. Trouwens „in het veld stellen" is geen fraai Nederlands.
Regel 5, 6. De levendige spotwoorden-zelf „Hij vindt geen hulp bij God" worden omgezet in een mededeling : Ik hoor dat God mij niet zal helpen — dus in een verhaal over die spot, i.p.v. de directe woorden-zelf (de indirecte rede i.p.v. de rechtstreekse spotwoorden). Dit is een verslapping.
R. 7-9. „Maar, Heer, Gij zijt mijn schild, ik heb bij U geschuild met opgerichten hoofde". „Geschuild" rijmt niet op „schild". Voorts : I zegt „Gij zijt een schild dat mij dekt", d.i. Gij dekt (beschermt) mij : „Gij heft mijn hoofd op". III zegt daarentegen : „ik heb geschuild, ik richt mijn hoofd op" (dit is, in het zinsverband, de betekenis van met opgerichten hoofde). D.w.z. III schuift de mens en zijn handelingen naar voren, waar I spreekt van God en diens daden. Dit gebeurt herhaaldelijk ; het is een zeer ernstig bezwaar. Ten derde : „schuilen met opgerichten hoofde", d.i. in fiere (opgewekte) houding ? ! I noemt wel de woorden „hoofd, opheffen, (oprichten)", doch in een totaal andere betekenis. Hier is, op de uitwendige klank af, wat gerijmd.
De voor de psalmen zo karakteristieke zegswijzen „mijn eer" en (r. 12) „met mijn stem", d.w.z. „luide", zijn zonder meer weggelaten. Daarentegen is „steeds" (r. 11) opvulsel en „loofde" (r. 12) foutief opvulsel: hier gaat het niet over een lofzang, maar over hulpgeroep. Er moest een rijmwoord zijn bij „hoofde"
Couplet 2. „Ik legde mij" is een germanisme : der Sturm legte sich. In goed Nederlands moet er iets bij staan, b.v. „ter ruste", „in hinderlaag" en dergelijke,
R. 2. „Ik wist". I heeft „de HERE schraagt mij". Hier staat (a) weer de mens als onderwerp i.p.v. God, (b) een subjectief-psychische toestand van de mens i.p.v. een daad Gods.
„Wie mij schiep" is een verslappende omschrijving van HERE. De inhoud van de Israëlietische Godsnaam JAHWE (zie de opmerking bij Ps. 24) met het daarin vervatte openbaringsbegrip is met het woord „Schepper" zeer onvolledig weergegeven. Er moest een rijmwoord zijn bij „sliep".
.^R; 4. „De morgen is gekeerd". Bedoeld is „de morgen keerde weer" (of : „terug") ; keren in deze betekenis is bedenkelijk Nederlands.
R. • 9. „God blijft mij vergezellen". Louter opvulsel; er moest een rijmwoord zijn bij „stellen" (r. 12).
R. 10. „Zo treed ik in het perk". Het beeld van een middeleeuws tournooispel past hier niet.
R. 11, 12. „Zich dreigend stellen, zich sterk stellen" is geen goed Nederlands, als bedoeld wordt (zoals hier) : een dreigende houding aannemen, doen alsof men sterk is.
C o u p 1 e t 3. „Menig keer, vaak" : deze woorden komen in I terecht niet voor ; zie beneden.
R. 2-4. „Op de kaak slaan" is een daad van belediging of krenking. Zie I Kon. 22 : 24 ; Job 16 : 10 ; Klaagl. 3 : 30 ; Micha 4 : 14 (vgl. hierbij Ps. 2:9); ook Markus 14 : 65 ; Joh. 18 : 22, 19 : 3.
Daarvan moet worden onderscheiden (het j a in r. 5 geeft een gradatie van hetzelfde aan, hetgeen fout is ; 't is iets anders) het onschadelijk maken van wilde dieren, b.v. slangen of leeuwen, door hun de tanden uit te rukken of stuk te slaan. Vgl. o.a. Ps. 58 : 7, waar de goddelozen worden voorgesteld onder het beeld van roofdieren.
„Uw geduchte handen". I spreekt niet van „geduchte handen", alsof men, om iemand een krenkende, smadende kaakslag te geven vervaarlijke knuisten moet hebben.
„Gij verguisde vaak" is een onpoëtische overdrijving. Om tanden tot gruis te maken lieeft men een mortier-met-stamper nodig. En als die tanden eenmaal gruis zijn, kan men ze kwalijk vaak vergruizen. Er moest een rijmwoord zijn bij „kaak".
R. 11, 12 : fantasie, er staat niets van in I.
Tenslotte een kort woord over de rijmtechniek in III.
Op SCHILD rijmt niet geSCHuiLD. Er zijn meer voorbeelden van zo'n rijm-nood. Men behoort een woord niet te laten rijmen op zichzelf, b.v. zijn-zijn (Ps. 92 : 3), brengen-volbrengen (21 : 6), waken-ontwaken (3 : 2) ; zo iets bewijst géén dichterlijke kracht! Evenmin kan men goedkeuren jUK-verdrUKt (81 : 12), verhEUGEN-vrEUGdEN (45 : 3) ; beefT móest rijmen op gelaaT (97 : 2).
Op lAtER moet- „rijmen" vAdER (niet het duitse Vater) (45 : 6) ; en in 4 : 1 leest men verkOREN-tOREN, het tweelettergrepige „toren", waar bedoeld is „toorn, gramschap". Deze fout van de berijming van 1773 (51 : 3) had III moeten verbeteren!
Als een geleerd of een invloedrijk persoon een fout maakt, dan is die fout daarmee niet goed te praten.
Als de psalmberijming van 1773 „toren" gebruikt i.p.v. „toorn", dan is en blijft dit : onpoëtische willekeur, onvermogen om iets beters te vinden. Dus niet na te volgen !
*) Met III wordt de hier besproken berijming bedoeld ; met I de proza-tekst van de Nieuwe Vertaling van het Nederlands Bijbelgenootschap.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 januari 1958
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 januari 1958
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's