GODDELIJKE ROEPING
Uit Egypte heb Ik Mijn Zoon geroepen. Mattb. 2 : 15c
Waarde lezer. Wij kennen het verband van onze tekst. Jeruzalem was in opschudding gebracht door de Wijzen uit 't Oosten. Zij beoefenden de sterrekunde. En daar in het verre Oosten, te midden van duisternis en afgoderij, werd een lichtstraal gezien van de Ster van Jacob, door de openbaring des Heeren. Nu komen die Wijzen, geleid door die ster, in Jeruzalem. En welk een ontroering brengt hun komst in Jeruzalem en bij Herodes. Hij meent, dat zijn koninkrijk een einde zal nemen, en gekweld door zijn ontruste consciëntie, vreest hij de geboren Koning der Joden. Maar de Wijzen, de vreemdelingen der verbonden: O! hoe is hun ziel van hemelse vreugde vervuld! nu zij de geboren Koning der Joden hebben gevonden. Zij waren uit verre landen gekomen, om die Scepter te kussen, die de hemel uit Israël deed opgaan. En dat is de grote zaak, het éne nodige voor een verloren zondaar. Kust de Zoon, welgelukzalig zijn allen, die op Hem betrouwen. En nu brengen zij de kostelijke geschenken van hun land, de Koning der ere waardig: goud, wierook en myrre. En neen, nu keren zij door goddelijke openbaring gewaarschuwd, niet weder tot Herodes terug. God Zelf brengt de Zoon Zijns Welbehagens in veiligheid, toen de kindermoord in Bethlehem aanving.
Op aansporing van de engel des Heeren neemt Jozef het Kindeke en Zijn moeder tot zich in de nacht en trekt naar Egypte en blijft daar tot de dood van Herodes; opdat vervuld zou worden hetgeen van de Heere gesproken is door de Profeet, zeggende: „Uit Egypte heb Ik Mijn Zoon geroepen".
Die profetie des Heeren is vervuld in Christus Jezus, de Zone Gods, opdat Hij verloren zondaren zou roepen uit Egypte, het diensthuis der zonde, en hen zou overbrengen in Zijn goddelijk Koninkrijk.
Aan Israël had de Heere God zich heerlijk geopenbaard, om uit dat volk, door ceremoniën, afschaduwingen en instellingen afgebeeld. Zijn Eèngeboren Zoon, Zijn Gezalfde te verwekken. Want de zaligheid is uit de Joden; uit welke Christus is, zóveel het vlees aangaat, dewelke is God boven allen te prijzen in der eeuwigheid. De Heere God had geen lust tot hetzelve, noch had het verkoren om Zijn veelheid boven alle andere volkeren, want het was het minste van alle volken. Maar omdat de Heere het had verkoren, omdat Hij de eed hield, die Hij de vaderen gezworen had, had de Heere het met een sterke hand uitgevoerd en verlost uit het diensthuis, uit de hand van Farao, de koning van Egypte.
Tot Farao moest Mozes dan ook zeggen: „Alzo zegt de Heere: Mijn Zoon, Mijn Eerstgeborene is Israël". En dat volk zou in verdrukking komen naar de uitspraak des Heeren tot Abraham: „Voorzeker, uw zaad zal vreemd zijn in een land, dat het hunne niet is, zij zullen hen dienen, en zij zullen het verdrukken: 400 jaren. Doch ik zal het volk ook rechten, hetwelk zij dienen, daarna zullen zij uittrekken met grote have".
Egypte vertegenwoordigt het rijk der duisternis. De eerstgeboren zoon is de bevoorrechte, de beminde. En zo was onder de volkeren Israël het beginsel van Gods kracht. De Heere God had voorgenomen alle geslachten der aarde in Abraham en zijn zaad te zegenen; maar nu was Israël Zijn zoon. Zijn eerstgeborene. En nu zochten de machten der hel, Farao en de zijnen, dat volk uit te roeien en te verdelgen van de aarde. Maar zij vermochten niet Gods werk te keren en Gods Raad te vernietigen, die dit volk had uitverkoren. En het volk zelf verstond niet, wat de Heere met hen voor had. En zij verwierpen de Verlosser, hun toebeschikt, en verzetten zich tegen Mozes en Aaron. Maar niet tegenstaande alle verdrukkingen, in weerwil van de tegenwerking van het volk, werd Israël verlost. Omdat Israël het volk des Heeren was, is het niet omgekomen in Egypte. Daarom zegt de Heere bij Hosea: , , Als Israël een kind was, toen heb Ik hem liefgehad". Die liefde Gods was dus de oorzaak, dat het volk niet uitgeroeid, niet verdelgd kon worden van de aarde, dat het toenam tegen de verdrukking in. Maar toen ook heeft de Heere God een krachtig werk gedaan, dat Hij Israël, Zijn zoon, uit Egypte geroepen heeft. Die daad der verlossing wordt voorgesteld als een roepen, dat God gedaan heeft, een roepen uit het diensthuis der zonde; een roepen uit de gevangenschap, waarin het gevangen was.
En toen God Zijn zoon Israël riep, toen konden Farao en Egypte het niet langer houden. Toen moesten zij Israël laten gaan, laten trekken door de kracht huns Verbonds-Gods. Toen toog het uitverkoren volk uit, in een groot heir, en werd het woord des Heeren vervuld: „Uit Egypte heb Ik Mijn Zoon geroepen".
Maar dit profetisch woord heeft dieper betekenis dan de roeping van het volk Israël onder de Oude Bedeling. De, Heilige Geest past het op Christus toe. Ja, in Christus is de profetie eerst volle werkelijkheid geworden. Want ziet, de Verlosser is tot Zion gekomen. Hij is gekomen tot het Zijne, en hoe ontvangt Hem nu Zion?
Daar is geen plaats voor Hem, de Spruite Davids. Hij moet vluchten uit het land Kanaan naar Egypte. En ziet, nu is Hij dan in Egypte met Jozef en Zijn moeder. De Heere God heeft gezegd dat er verlossing wezen zal. Maar de Satan woedt om de Gezalfde des Heeren van de aarde te verdelgen. De Ster uit Jacob zal ondergaan in Egypte. Het zwaard van een Herodes flikkert als van een andere Farao, boven Zijn hoofd. De vorsten beraadslagen tegen de Gezalfde des Heeren, zó, dat er niets schijnt te komen van de verlossing, door Zacharias voorspeld.
Die vlucht van het Kindeke Jezus naar Egypte was het bewijs, dat Satan, wereld en hel de dood gezworen hadden aan het volk Gods en hun Koning, gelijk eenmaal Farao aan Israël.
Maar zie hier de bewarende almacht Gods, die de Zoon Zijns Welbehagens niet zal begeven, noch verlaten. Ja, de Heere God sprak: „Hij zal leven en Zijn volk zalig maken". Zie hoe thans de overwinning werd behaald over Satan, wereld en hel, toen in dit Kindeke het profetisch woord werd vervuld: , , Uit Egypte heb ik Mijn Zoon geroepen".
Maar het verblijf in Egypte was voor de Zoon Gods een begin van Zijn Middelaarslijden, een voorspel van de verdrukking, die Hem te wachten stond.
Gelijk Israël in Egypte eenmaal zwaar en diep werd verdrukt, gelijk het eenmaal een brandende braambos was, zo Is óók de Zoon Gods zwaar verdrukt en geworpen in diepe duisternis en bange lijdensnacht, in bittere vernedering.
Gewis, de Satan heeft Hem zwaar verdrukt, want Hij is afgesneden geweest uit het land der levenden; om de overtreding van Gods volk is de plaag op Hem geweest. En toen Hij de schuld Zijns volks droeg, toen Hij de ganselijke last van de goddelijke toorn over de zonde van Zijn volk moest dragen, hoewel Hij de geliefde Zoon was en bleef, toen Hij verhoord is uit de vreze, toen Hij uit alle ellende, uit lijden en dood is wedergebracht in 't land der levenden als de hoeksteen Zions, was 't toen geen roepen uit Egypte, waardoor Hij Zijn eniggeboren Zoon in ons menselijk vlees uit dat Egypte terug riep, waarin Hij was verzonken om de zonde Zijns volks? Zie, zo was het roepen van de Zoon Gods uit Egypte, dat wederbrengen van het Kindeke Jezus uit Egypte door de machtige stem van God, een afschaduwing, dat de Heere God de steen, door de bouwlieden verworpen, tot een hoofd des hoeks zou zetten.
Maar niet alleen van Christus geldt dit profetisch woord, maar ook van alle gelovigen, die leden zijn van het lichaam, waarvan Christus het Hoofd is.
Wel Is er verschil van roeping. Christus, de énige, de eeuwige, de eniggeboren Zoon van God, is éénswezens met de Vader, want Hij is de waarachtige God en het eeuwige leven. De gelovigen daarentegen zijn uit genade, om Zijnentwil, om Zijn voldoening aan het recht Gods, als kinderen aangenomen. Hij alleen, de schuldovernemende, de schulddragende, de schulduitdelgende Borg, is uit Egypte geroepen. Hij alleen, beladen met de ongerechtigheden van al de Zijnen, heeft de gramschap en de toorn Gods alleen, volkomen gedragen in Egypte, in het land der schaduwen des doods. Hij alleen heeft de eer, Egypte gekend te hebben als een land, gans van de Heere verlaten; als een land, liggende onder de toorn Gods. Hij alleen heeft de eer dat land der schaduwen des doods, in al zijn lengte, in al zijn breedte doorwandeld te hebben. Hij alleen heeft de grote eer gehoorzaamheid betoond te hebben tot in de diepste diepte, en daardoor Zijn volk een eeuwig Kanaän verworven te hebben, toen het woord in vervulling trad: „Uit Egypte heb Ik Mijn Zoon geroepen".
Maar Gods kinderen zijn toch één met Hem. Hij nam hun vlees aan. En alzo ging Hij hun ellende in, hun dood, hun verderf, hun Egypte, het land der schaduwen des doods, waarin zij eeuwig hadden moeten verzinken onder de macht des Satans. Toen Hij daaruit geroepen werd, in Kanaän wortelen schoot, toen had Hij dat voorrecht voor al Zijn gunstvolk verworven, waarvan de apostel getuigt: „En heeft ons mede opgewekt, mede gezet in de hemel in Christus Jezus". En nu blijft het hier op aarde, in de tijd, door de werking des Heiligen Geestes, dat de Heere Zijn volk, geworteld in Christus Jezus en in Zijn Middelaarswerk, óók krachtdadig roept uit Egypte, uit het diensthuis der zonde. Want van nature zijn zij allen kinderen des toorns, in ongerechtigheid geboren en in zonde ontvangen; in de éérste Adam, de tijdelijke en eeuwige dood onderworpen. Dat is de toestand van de natuurlijke mens, die niet begrijpt de dingen, die des Geestes zijn, en ze niet verstaan kan, omdat zij geestelijk onderscheiden worden. Het genadelicht des Heiligen Geestes is nodig om de hartveranderende, hartvemieuwende genade in de ziel te ervaren. Het is niet voldoende de Waarheid toe te stemmen, neen, de Waarheid moet beleefd, en een macht der vernieuwing in onze ziel geworden zijn. Daarom is het nodig te weten, met volle zekerheid te weten door de werking des Heiligen Geestes, of wij uit 't Egypte der duisternis en der blindheid door Gods genade reeds bij aanvang ontkomen zijn. Daarom is 't nodig het apostolisch woord aan de ziel te ervaren: „Want God, Die gezegd heeft, dat het licht uit de duisternis zou schijnen, is Degene, die in onze harten geschenen heeft, om te geven verlichting der kennis der heerlijkheid Gods, in het aangezicht van Christus Jezus".
Daarom M.L.: Is de Heere Jezus alrede het licht voor uw ziel geworden ? Als dat nog niet het geval is, dan wandelt gij nog in de duisternis van Egypte, in de schaduw des doods, en zal eenmaal de nacht des doods over u komen. Als dat nog niet zo is, dan is uw leven nog niet wat het zijn moet, en dan kent gij nog niet de enige troost, beide in leven en in sterven. Dan is er niets dan donkerheid en nacht vóór uw oog, en dan gaat gij ongetroost de tijdelijke en eeuwige dood tegemoet, waarin gij de bezoldiging der zonde zult moeten dragen. Alleen de Heere Jezus is de Zonne der gerechtigheid. Hij moet schijnen in uw harten, zal het wél met u zijn, voor tijd en eeuwigheid. En dat is niet een verstandelijke verlichting in de geestelijke dingen, maar het is herscheppende genade, waardoor de zondaar tot God wordt bekeerd. Dan worden de banden der zonde gebroken, dan worden de knopen der ongerechtigheid losgemaakt. Rampzalig de ziel, die volhardt in de werken van Egypte, die blijft wonen in Egypte met al zijn verleidingen, maar die eenmaal een ontzettende dood zullen baren.
Egypte met de stok des drijvers, die de kinderen Israels aanzet, die toch hun werk niet kunnen volbrengen, is een beeld van de zondaar van nature, die zelf de Wet tracht te volbrengen.
Maar ontruste, voortgedrevene, geplaagde zielen, aanmerkt hoedanig een Verlosser Christus is, uit zulk een Egypte, uit het diensthuis en de dienstbaarheid der zonde. Uw schuld wordt dagelijks groter, en gij hebt geen penning om te betalen. Uw armoede, uw naaktheid, uw blindheid voeren u het eeuwig verderf tegemoet. Maar wendt u in uw ar moede, in uw onmacht, voortgedreven door de stok dtes drijvers, door de slagen des Satans, tot Hem, die al het werk der Wet volbracht heeft, alle schuld betaalde, en dat voor zó grote zondaren. Schuilt onder Zijn vleugelen van gerechtigheid en liefde en neemt de toevlucht tot Zijn bloed. Verlaat u enkel en alleen op Hem, die uit het gevangenhuüs voert degenen, die in duisternis zitten. Dan zult gij vrede vinden in uw onrust der ziel, dan zal het licht worden in de duisternis, dan zult gij door het geloof Hem aanschouwen, die het Licht der wereld is; en geroepen uit Egypte door de stem des Heeren, ingaan in Kanaan, om eenmaal voor eeuwig in Zion plaats bereid te vinden door de Middelaar, Jezus Christus, de Zoon des levenden Gods.
Kinderen Gods! Zo lang gij hier op aarde zijt, ondervindt gij telkens dat het hier het land der ruste niet is, dat gij in een wereld van zonde levende, ook nog zelf de zonde in u omdraagt. Och, dat gij dan het hoofd maar omhoog mocht heffen, om de Heere te zien, die in Zijn lieve Zoon de volkomene verlossing schenkt. Als ge dan steun vindt in Zijn almacht, liefde, en trouw, o! dan is er een trekking, weder een stem des Heeren, die u uit Egypte roept om u een voorsmaak te geven van het hemelse Kanaan.
Dan moet gij het met de psalmist belijden, ziende op de leidingen van uw trouwe Verbonds-God :
Welzalig, die' Gij hebt verkoren.
Die G' uit al 't aards gedruis
Doet nad'ren en Uw heilstem horen,
Ja, wonen in Uw huis.
Dan moogt gij het rijkelijk ervaren aan uw ziel, de vervulling der profetie: „Uit Egypte heb Ik mijnen zoon geroepen".
Ja, dan is de Zone Gods dierbaar aan de ziel, ook in de verdrukkingen van Egypte, omdat Hij Borg is voor al uw zonde en schuld.
Eenmaal zullen allen, die de verschijning van onze Heere en Zaligmaker, Jezus Christus, in onverderfelijkheid hebben liefgehad, verlost worden van alle overblijfselen van Egypte, van alle verdrukkingen, van alle strijd, van alle moeite, verdriet en pijn, door de genade van Immanuël, Die als het hoofd voor al de Zijnen in al hun benauwdheden is benauwd geweest: maar ook daarom hun Leidsman kan zijn tot de levende fonteinen der wateren. .
Welzalig, onuitsprekelijk zalig, als er stof gevonden mag worden, om de Vader te danken. Dié ons bekwaam gemaakt heeft om deel te hebben in de erve der heiligen in het licht.
Die ons getrokken heeft uit de macht der duisternis en overgezet heeft in het Koninkrijk van de Zoon Zijner liefde, die Hij uit Egypte geroepen heeft, opdat de Zijnen vrij zouden ingaan in het Vaderhuis met de vele woningen. Dan zult gij het lied der verwachting vervuld zien, dat gij zo menigmaal mocht aanheffen op uw vreemdelingsreis door Mesech naar Zion:
, , Zo zullen wij, de schapen Uwer weiden In eeuwigheid Uw lof Uw eer verbreiden. En zingen van geslachten tot geslachten. Uw trouw, Uw roem. Uw onverwinb're krachten".
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 januari 1958
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 januari 1958
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's