De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De catechismuspreek

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De catechismuspreek

11 minuten leestijd

II

R. BARTLEMA

Toen in 1901 hier te lande het ministerie Kuyper was opgetreden, zeide de liberale afgevaardigde, prof. van der Vlugt bij de begrotingsdebatten het .merkwaardige woord: „Dat er hier een christelijk ministerie zit, hebben de rechtsche partijen te danken aan den Heidelberger catechismus" (Dr. B. Wieienga. Onze Catechismus, deel I, blz. 18).

Dat was zeer zeker een loflijk getuigenis over de invloed, welke van de Heidelberger catechismus is uitgegaan in ons volksleven. Maar het zegt ook iets over het gehalte en de geestesgesteldheid van ons volk, met name van dat deel, dat in zijn kerkelijk leven nu bijkans vier eeuwen dit leerboek als het tweede zijner drie symbolen heeft erkend en geëerd.

Is de invloed, waarover het in bovenaangehaald citaat gaat, te danken aan de catechismuspreek ? Deze is uit de aard der zaak het middel geweest, waarvan God de Heere Zich heeft willen bedienen. Maar daarmede is waarlijk niet alles gezegd, wat er in dit verband te zeggen valt.

Prof. Doumergue, de levensbeschrijver van Calvijn, moet eens in een lezing, in ons land gehouden, gezegd hebben: "Gij, Nederlanders, zijt geschapen om calvinisten te wezen" (Wielenga a.w. blz. 18).

Afgaande op dit getuigenis, zou het voor de hand gelegen hebben, dat in de tijden, dat de reformatorische beweging zich in ons volk consolideerde in de lijn, door de kerkhervormer van Geneve gewezen, hier ook zijn leerboek, de Catechismus van Geneve, of een zijner andere catechismi als leerboek der kerk was ingevoerd. En dat is nu juist niet geschied. Men kan de oorzaak hiervan zoeken in het feit, dat de catechismus in ons land is geïntroduceerd door Petrus Dathenus. Hij is genoemd de „vertrouwensman der kleine luyden" (Wielenga a.w. blz. 17).

Natuurlijk heeft het gezag, dat Datheen hier had op de aanvaarding van de catechismus door de kerken alhier invloed gehad. De 2e druk van het leerboek is in Embden in het Nederlands vertaald om hier ingevoerd te worden. Doch deze heeft het niet gedaan. Eerst de vertaling van Datheen — zij was er een van de 3e druk — vond ingang. Toch is die aanvaarding van het leerboek niet uitsluitend aan Datheen's gezag te danken. De ingang, welke de Catechismus in de kerken van Nederland vond, heeft mede zijn oorzaak, en niet voor een gering deel, in het feit, dat hij zo paste bij de aanleg en de aard van ons volk. , , De natuur van ons volk", zo is gezegd, „is streng en gemoedelijk, dogmatisch en practisch" (Wielenga a.w. blz. 18).

De catechismus vertoont dezelfde grondtrekken. En zulks doordat hij , alle goede eigenschappen van de stromingen der reformatie bevat. Hij kan in de eigenlijke zin als bloeisel en vrucht van de gehele Duitse en Franse hervorming aangezien worden; hij heeft de innigheid van Luther, de klaarheid van Melanchton, de eenvoud van Zwingli en de vurigheid van Calvijn tot een eenheid versmolten" (M. Göbel, Geschühte des Christlichen Lebens, geciteerd door Wielenga a.w. blz. 17).

Zo vinden we in ons leerboek , , de zeldzame samenvoeging van nauwkeurigheid en gemoedelijkheid, van klaarheid en innigheid, van voorwerpelijke beschrijvingskunst en persoonlijke getuigeniskracht.

, , Dit is de taal der vroomheid met haar schone veelzijdigheden" (Wielenga a.w. blz. 5).

Gegeven nu onze volksaard, hiervóór getypeerd — en hij is geen vrucht van toeval, maar het werk van de Schepper aller dingen — en gezien het karakter van de Heidelberger, is het te verstaan, dat hij hier in de kerken een ingang vond als, nergens elders. Dat is het wondere werk des Heiligen Geestes, Die al die factoren zo heiligde, dat het grondtype van ons volk in zijn religie gereformeerd is geworden. Het hart van ons volk in zijn grote meerderheid resouneerde op het gereformeerd belijden. Of het dit nu nog doet, en in hoeverre, ga ik in dit verband niet beoordelen. Wel moet vastgesteld worden, dat dit alles middelijk mede bewerkt is door de geregelde prediking van de catechismus, door welke , , onderrichting zowel van de herders als van de schaapkens" velen hier , , gemaakt zijn tot leerlingen van de Heilige Geest". (Bastingius, Verklaringen van de catechismus der christelijke religie, geciteerd door Wielenga a.w. blz. 19).

De catechismus en ons volk hebben elkander alzo gevonden in een gans bijzondere weg. Ook hier kan het psalmwoord gelden: „Dit is van de Heere geschied en het is wonderlijk in onze ogen". (Ps. 118 : 23). De Heere heeft tot de door­werking van die invloed Zich willen bedienen van de geregelde onderwijzing in de , , namiddachsepredikatiën". Dit voorschrift is niet alleen door Dordt gegeven. Ook in voorafgaande synodes was deze zaak aan de orde geweest. Nationale — o.m. die van 's-Gravenhage in 1586 — en particuliere synodes — te noemen zijn in dit verband die van Dordrecht (1574 en 1578) — hebben meerdere besprekingen over dit punt gevoerd. En hoezeer de noodzakelijkheid van die prediking gevoeld werd, kan blijken uit het feit, dat de laatstgenoemde synode in punt 68 vaststelde, dat , , op den Zondag, wanneer des morgens het Heilig Avondmaal was bediend, ook des namiddags de Catechismxis gepreekt zou worden" (Hoekstra Homiletiek blz. 370).

Dordt heeft in 1619 op deze besluiten het zegel gezet, door nogmaals de eis in dezen te stipuleren met aanvaarding en sanctionnering van de bewoordingen in het slot van ons eerste artikel afgedrukt, een clausule, welke ook reeds op de hiervóór genoemde synodes was gebezigd. Deze bezegeling door de Nationale Synode — ze geschiedde, gelijk gezegd, nadat de buitenlandse afgevaardigden vertrokken waren — kan ook gezien worden als een antwoord op wat in de slotzitting der gehele synode ten opzichte van de , , Leer der waarheid" in de Kerk alhier te lande beleden — het geldt dus ook de catechismus —en de Nederlandse, kerken plechtig op de harten was gebonden. Het gebeuren, waarop ik doelde, is ons als volgt beschreven:

„Op 30 April 1619 is men er namelijk, blijkens die Acta, in de 146e zitting toe overgegaan, om het oordeel der Buitenlandsche Godgeleerden te vragen over de Leer der waarheid, gelijk die door de Nederlandsche Gereformeerde kerken beleden werd.

Deze, hieraan voldoende, hebben toen allereerst, eenpariglijk, verklaard, dat in deze leer niets was, „met de waarheyt in de H. Schrifture uytgedruckt strijdende, " maar dat zij , , ter contrarie in alles met deselvige waarheyt en met de confessiën van andere Gereformeerde kerken accordeerde".

Maar hierbij lieten deze representanten der buitenlandsche kerken het niet.

Ze voegden aan hun verklaring een wensch, een ernstige bede toe.

Immers, vlak na dit oordeel, lezen we in de Acta der Synode dit:

„Daarenboven zijn de inlandsche vermaent van de uytheemsche theologen, in deze rechtsinnighe, Godsalighe ende eenvoudige confessie des geloofs stantvastelick te willen volharden, deselve den nacomelinghen onvervalscht te willen naar laten, ende tot de comste onzes Heeren Jesu Christi, onvervalscht te willen bewaren."

Dit nu is de bede, die door de Gereformeerde wereldkerk op de Synode van 1619 tot onze Nederlandsche Gereformeerde kerken gericht is.

Onze vaderen hebben toen te Dordrecht de belofte afgelegd, dat ze na zouden komen wat van hen begeerd werd. Er volgt toch in de Acta: „Hebben oock de inlandsche eendrachtelick verklaert, dat haar voornemen was, in de professie deser rechtsinnighe Leere, standvastelick te volharden, ende deselve in deze Nederlandsche Provinciën suyverlick te leeren, naerstelick voor te staen, ende voorts onvervalscht door de ghenade Gods te bewaren."

Geen uitvlucht baat hier dus.

De bede was: „Bewaar deze leer onvervalscht tot de wederkomst van Christus op de wolken." En op die bede is de daartoe strekkende belofte door onze kerken afgelegd." (Dr. A. Kuyper, EVoto Dordraceno, Voorwoord.).

Met het oog op dit gebeuren betitelde Kuyper zijn magistrale verklaring van de Heidelbergschen Catechismus: E Voto Dordraceno d.i. , , In overeenstemming met den wensch, die op de Dordtsche Synode is uitgesproken."

Maar daarom is het temeer begrijpelijk, dat de Synode, nadat de , , uytheemsche" theologen vertrokken waren, nadrukkelijk de eis stipuleerde van de geregelde onderwijzing uit de Catechismus in de , , naemiddachse predikatiën".

Wie enigszins thuis is in de geschiedenis van de catechismuspreek, weet, dat deze stipulatie geen overbodige weelde was. De predikanten schijnen hier, evenmin als in Luther's tijd in Duitsland, bijzonder gebrand te zijn geweest op het preken over de catechismus.

De Synodes vóór Dordt hebben niet voor niets op de noodzaak van dat onderwijs in de prediking de nadruk gelegd. Nu schijnt het na Dordt wel beter te zijn gegaan, alleen dat ze ook toen niet meermalen , , suymachtig" waren zou ik niet durven beweren. Kon dat dan zo maar? Was er niet tucht in de kerk onder de republiek? Was er betreffende de prediking, ook inzake de catechismus prediking, geen orde op zaken gesteld?

Ja, zeer zeker. In meerdere steden zijn in de lijst der predikbeurten bepaalde avonddiensten aangewezen, voor de catechismusprediking.

Dat is m.i. wel een nawerking van het in vroeger tijden bepaalde. Doch daarin is ook een aanwijzing, dat er reeds toen weerstanden waren, waardoor niet in alle , , naemiddachse predikatiën" de catechismus werd onderwezen. Hoe het ook zij, , , een dominee is een machtig man", zo hoorde ik het door een zeer bevoegde eens uitdrukken. En daarmee is het begrijpelijk, dat de predikanten als het hun niet zinde, met de catechismuspreek de hand lichtten. Zo is het ook lang daarna. wel geweest, gelijk me bleek toen ik hoorde, dat een predikant gedurende heel zijn diensttijd in een bepaalde gemeente er niet toe te krijgen was de catechismus te preken. En het was nog wel een , , Bondspredikant". Dat zulks in die tijd kon voorkomen is ook wel een gevolg van het , , oude reglement, dat in Art. 22 , , Reglement van de Kerkeraden" bepaalde, dat .... bij de leiding der openbare godsdienstoefeningen .... in het bijzonder met betrekking tot het gebruik van den Heidelbergschen Catechismus .... zij (de predikanten) naar eigen oordeel te raden gaan met de godsdienstige behoeften hunner gemeenten." De nieuwe K.O. spreekt in deze betere dingen, (zie Art. XI K.O. 9.5.2 en Ordin. 6.3.1; 7.19.3).

Maar ter zake: de geregelde prediking van de catechismus was voorheen eis, en het nalaten hiervan was, ook al kwam het voor, uitzondering. Dat heeft goed gewerkt. Ook onder het , , Reglement van 1816" waren er tal van ge­meenten, waarin de catechismuspreek in de namiddag- of avonddienst regel was. Zo is het nog.

Afscheiding en Doleantie hebben dat mede bevorderd, juist doordat in de kerken daaruit ontstaan, met de Dordtse regel ernst werd gemaakt.

Er zat misschien in onze gemeenten in het in ere houden van die regel ook wel iets in van om in geen enkel opzicht de scheidende broederen aanleiding te geven, tot de veronderstelling als zou bij ons met de leer der waarheid niet nauw genomen worden. Indien mijn veronderstelling juist is, zou er in dit opzicht van een zegen, uit de , .scheiding" geboren, zijn te spreken. Toch moeten we eerlijk erkennen, dat er bij ons, hervormden wel ook bij het kerkvolk weerstanden waren en zijn tegen de geregelde catechismuspreek.

Men heeft liever , , vrije stoffen", menend, dat het bij de herhaalde catechismuspreek, wel vaak immers hetzelfde is, zo weinig , , fris", gelijk men het wel betitelt. Dat kan. Dan ligt het niet aan het leerboek, maar aan ons, omdat we te weinig ijver aan die preek besteden en te weinig ons verdiepen in het leerboek, ja wat erger is in Gods Waarheid, in de Bron, de Heilige Schrift. Vele , , oudere schrijvers", waren hier getrouwer, in huir catechismuspreken, voor hun tijd, frisser en actueler. En dat heeft vrucht afgeworpen. Er was een tijd, dat een Friese kerkeraad uit dat deel der provincie waar van ouds Gods Woord in ere was, bij het horen van een te beroepen predikant van hem ook altijd een catechismuspreek wilde horen vóór men besliste. Of het nu nog zo is, weet ik niet.

Daarin gold •—• en het was niet iets, dat van , , Afgescheidenen" of kerken uit de Doleantie geleerd was — lang voordat Kuyper zijn werk schreef: e votO' Dordraceno, in opvolging van de wens van Dordt. Zo moest het meer zijn onder ons. Het zou de doorwerking der , , reine leer" ten goede komen, en de gemeenten bewaren voor allerlei, dat niet naar het Woord is.

R.B.

Naschritt.

Een welwillende lezer schreef mij, na het Ie artikel, dat de invloed van de Catechismus in Amerika lang zo groot niet was, als ik aangegeven heb. Ik dank hem zeer voor die opmerking. Ik heb, afgaande van mijn zegsman in Heidelberg, die zaak te optimistisch voorgesteld.

R.B.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 januari 1958

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

De catechismuspreek

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 januari 1958

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's