HET GEZIN EN HET KERKELIJK LEVEN*)
A. De verhouding van gezin en kerk draagt een profetisch-sybolisch karakter.
Als we de verhouding gezin en kerk als een profetisch-symbolische bepaald achten, hebben wij het oog op een door God gewilde en geopenbaarde heenwijzing van het gezinsleven naar het leven van Christus' gemeente, welker leden versierd worden met de titel kinderen Gods of huisgenoten Gods. (^f. 2 : 19).
Van God verordineerd en door Hem geopenbaard, is deze betrekking in de instelling van het huwelijk.
Wij weten n.l. dat het huwelijk in de scheppingsorde is gegrond, en hoewel tussen de reine schepping en onze situatie de zondeval verstorend is ingekomen, kan er geen twijfel aan zijn, of God heeft deze orde, ondanks de zonde, bevestigd.
Hij deed dit, toen Hij de mens na de val kwam opzoeken om Zijn woord van gericht en genade te spreken. Immers als Hij, zoals ons geopenbaard is, in het derde hoofdstuk van het boek Genesis, in de z.g. moeder-belofte of 't prot-evangelie spreekt van het zaad der vrouw, kan dat niet anders dan Zijn voornemen en besluit involveren, het huwelijk in stand te houden. Daarbenevens werd in deze profetie ook openbaar, dat de huwelijksorde een functie zou volbrengen in de vervulling dier belofte, n.l. de komst van de Verlosser.
Hebben wij zoëven de verhouding gezin en kerk een profetisch-symbolische genoemd, dit laatste verdiept de betekenis daarvan niet weinig, aangezien de genoemde verhouding binnen het kader van Gods scheppende kracht zelfs ontologisch van aard blijkt te zijn.
De gemeente van Christus toch wordt verkoren en vergaderd uit het menselijk geslacht, dat langs de weg van het huwelijks- en gezinsleven tot zijn volle ontplooiing komt. In dit licht gezien is de aardse mensheid de ontologische voorwaarde voor de hemelse. Deze relatie wordt door de Apostel Paulus opmerkelijk als zodanig aangewezen, waar hij sprekende over de aardse en de hemelse mens, zegt; dat het natuurlijke ernst is, daarna het geestelijke. Hij stelt dit als een door God gegeven orde. (1 Cor. 15 : 46).
Deze orde wordt dan wel op heel bijzondere wijze openbaar in de vleeswording des Woords. De Zoon moest uit ons geslacht geboren worden, opdat de gemeente Gods uit Hem geboren zou worden. Hij moest een natuurlijk lichaam aannemen, opdat Hij een geestelijk lichaam zou voortbrengen.
Geven wij ons rekenschap van deze betrekkingen, dan moet het in het oog vallen, dat het aardse huisgezin en het hemelse Vaderhuis schier in sacramentele verhouding verschijnen, als teken en betekende zaak. Hier kan in ieder geval de Roomse waardering van het huwelijk als een sacrament worden benaderd, al zijn wij niet geneigd deze-over te nemen.
Het sacramentele element, dat in het huwelijk of liever in de huwelijksorde aangewezen kan worden, is op zichzelf ernstig genoeg om de heiligheid des huwelijks hoog te houden en met alle kracht de heiligschennis te bestrijden, welke de moderne opvattingen van het huwelijk aankleeft.
B. De verhouding gezin en kerkelijk leven in het licht van het verbond.
De eigenlijke grond van het verbond ligt in de wil Gods aangaande de schepping van de mens naar Gods beeld. Het kan toch duidelijk zijn, dat het schepsel aan zichzelf overgelaten er nimmer in zou slagen in tijd of eeuwigheid het beeld Gods te kunnen weerspiegelen en te vervolmaken. Vooreerst is de schepselmatige gestalte van het beeld van de eeuwige God geen menselijk gewrocht, maar een goddelijk kunstwerk.
God zelf kan alleen Zijn beeld in schepselmatige gestalte formeren, levend houden, verdiepen en uitbreiden. De afstand van de mens op aarde tot God in de hemel is voorts zo groot, dat de instandhouding, groei en volmaking van Gods beeld in de schepselmatigheid slechts in voortdurende gemeenschap met 'God en door God kan geschieden.
En 't zij nog eens, wellicht ten overvloede, opgemerkt, dat geldt niet alleen voor de gevallen en van God vervreemde mens, doch ook voor de reine en rechtvaardige mens. Schepping en onderhouding van Gods beeld zijn een goddelijk en niet een menselijk werk, al wil God de mens daarbij in de orde van het verbond en in het geloof betrekken.
Het ligt toch voor de hand, dat de mens geen spiegel van het goddelijk deugdenbeeld kan zijn, indien de Heere niet met hem in gemeenschap treedt, Zich aan hem openbaart, en gestalte geeft aan die openbaring.
Nu dan, deze dingen kunnen genoegzaam aantonen, dat het goddelijke overleg om mensen te scheppen naar Zijn beeld en gelijkenis, (Gen. 1 : 26) het voornemen Gods involveert om met die mens in gemeenschap te treden en die gemeenschap te onderhouden.
In dat voornemen Gods ligt alzo de grond van het verbond in zijn meest algemene vorm. Want wat is het verbond anders dan de openbaring van Gods wil om Zijn Raad aangaande de mens te vervullen en derhalve die mens aan zijn bestemming te brengen, welke in de schepping naar Zijn beeld is aangeduid.. Het verbond is derhalve de vorm, waaronder God in gemeenschap wil treden met de mens.
God wil in de mensheid, zoals Hij die in Zijn Raad ziet. Zijn goddelijk deugdenbeeld als in een spiegel aanschouwen.
Wij hebben zo straks stilgestaan bij de profetisch-symbolische betekenis van het huwelijk en bij de functie, welke het huwelijk heeft te vervullen in de realisering van de nieuwe mensheid in Christus, m.a.w. in de verwerkelijking van het Godsrijk.
Het huwelijk en heel de mensheid staan in dienst van de vervulling van Gods Raad aangaande de mens. Reeds uit dien hoofde gaat het verbond in zijn meest algemene vorm of gestalte over heel de mensheid en zelfs reikt het nog verder, zoals wij weten uit het verbond met Noach, dat ook het dierenrijk en de ordeningen des hemels binnen de sfeer van de beloften des verbonds betrekt. (Gen. 9 : 17).
Het kan daarom o.i. niet moeilijk zijn te verstaan, dat het huwelijk valt onder de kracht der verbondsbeloften wegens zijn goddelijke bestemming en functiebepaling. Onze vaderen hebben daarvoor een geopend oog gehad, zoals blijkt uit de huwelijks-catechese van het betreffende formulier, dat o.m. opmerkt, dat God de gehuwden Zijn hulp en bijstand altijd wil bewijzen, ook als zij dit het allerminst verwachten.
De verbondsbeloften rusten op de geslachten en daarom op het huwelijk. „Van geslacht tot geslacht" is een bijbelse uitdrukking, als gesproken wordt van Gods trouw. (Ps. 100 : 5).
Het huisgezin deelt dientengevolge in de algemene beloften en zegeningen des verbonds.
Zodra onze beschouwingen binnen het gebied van de heilsorde vallen, d.w.z. als wij in het heiligdom komen, verschijnt dit alles, met name ook het verbond, in geheiligde gestalte.
De beloften gaan uit tot de verkorenen en hun zaad. (Gen. 17 : 9 ; Deut. 10 : 15; Jer. 30 : 10).
Het is een geheiligd zaad, al komen er ook Ismaëlieten en Edomieten uit. Het verhindert God ook niet om Rachab en Ruth daarbij te betrekken. In de orde des verbonds is Israël geheiligd als volk, verkoren tot een bijzondere bestemming, we zouden mogen zeggen met een volksbestemming, welke Israël maakt tot drager der Godsopenbaring onder de volkeren en scheiding maakt tussen Gods volk en het heidendom.
Ook hierin spreekt weer een profetische symboliek, welke de zin van een teken in de wereld verkrijgt en zoals reeds opgemerkt voor Israël ook een functie ziet weggelegd in de vervulling van Gods Raad, n.l. de drager der Godsopenbaring te zijn.
De diepste grond der heiliging Israels ligt echter in het feit, dat de Christus, zoveel het vlees aangaat, uit Israël geboren zou worden, gelijk ook geschied is. De zaligheid is uit de Joden. (Joh. 4 : 22).
Het één hangt trouwens met het andere samen. Omdat God Israël verkoren had om de Messias naar het vlees uit zijn schoot voort te brengen, werd Israël als volk tot drager van de Godsopenbaring geordineerd.
In de verbondsmatige beschikking Gods is Israël geheiligd en in de het ganse Israëlitische volk omvattende functie in de verwerkelijking van de Raad Gods is iedere Israëliet geheiligd.
Hoezeer dit ook op huwelijk en gezin van betrekking is, kan uit zo menig getuigenis der profeten worden aangetoond, ook buiten de in dit opzicht zo bijzonder sprekende profetie van Hozea.
Een nieuw teken en een nieuwe gestalte des verbonds ontstaat in de openbaring van het lichaam des Heeren in de nieuwe bedeling. De belijdende gemeente van Christus verschijnt in de wereld als de uitverkorene Gods om niet slechts bewaarster en draagster der Godsopenbaring te zijn, maar ook om uit die openbaring te leven.
De gemeente des Heeren is niet alleen teken van het lichaam van Christus. Zij is niet slechts symbolisch, hoewel dit ook, maar zij is ook openbaring van het lichaam van Christus.
Zoals de profetie in Israël, en in nog machtiger zin, de geboorte van de Christus uit Israël in het genadebestier Gods -een reële ontologische grond is van de heiliging van het volk Israël, zo is de levendmakende, daad Gods in de Zijnen ook de eigenlijke grond van de heiliging der gemeente, zoals die op aarde verschijnt. God zelf heiligt zich een volk tot Zijn lof. Hij zelf komt Zijn uitverkorenen door Zijn Woord en Geest vergaderen.
In de heiligende daad Gods wordt heel de gemeente afgezonderd van de wereld, gelijk het volk Israël werd afgezonderd van het heidendom. Zo heeft het verbond Gods in zijn verschillende gestalten en vormen, een heiligende daad Gods tot werkelijkheidsgrond.
Vanwege die heiligende daad Gods, de gave der profetie, de geboorte van Christus, de wedergeboorte der Zijnen, wordt het ganse volk Israël onder het Oude Verbond en de gemeente als openbaring van het lichaam van Christus in het Nieuwe Verbond geheiligd. Heel sterk is in dit opzicht de uitspraak van 1 Cor. 7:14: Want de ongelovige man is geheiligd door de vrouw, en de ongelovige vrouw is geheiligd door de man want anders waren uw kinderen onrein, maar nu zijn ze heilig.
Het geldt hier derhalve een heiliging, die buiten het persoonlijk geloof van de geheiligde omgaat. De ongelovige is geheiligd door de gelovige. In dit geval door de band des huwelijks, maar dat kan ook zijn door de band van het verbond krachtens de gestalte van het verbond en dus altijd, omdat God het zo ordineert en niet, omdat wij het zoeken of aan enige voorwaarde voldoen.
De Israëliet staat in het verbond, omdat hij uit Israël geboren is. God heeft Israël verkoren om drager van de Godsopenbaring te zijn en de Messias voort te brengen, voor zover het vlees aangaat. Daartoe is het volk Israël geheiligd, afgezonderd, geordineerd.
Het verbond wordt door God in deze organische gestalte gezet. Het omvat het volk Israël als volk. Ieder die tot dat volk behoort door geboorte of krachtens enig recht, valt onder het verbond. (Gen. 17 : 12 v.v.).
Het verbond heeft trouwens altijd een organische gestalte. Het verbond met Noach omvat de mensheid, zodat ieder lid van ons geslacht onder het verbond Gods met Noach valt en daaruit leeft. Het verbond met Abraham omvat ook zijn zaad. Over Israël werd reeds gesproken.
God stelt zulk een organisch geheel dienstbaar aan de vervulling van Zijn Raad, inzonderheid aan de openbaring van Zijn Koninkrijk.
Het verbond is alzo de wijze, waarop God met de mens wil omgaan, welke nader bepaald wordt door het organisch verband, dat Hij ordineert in de onderscheidene vormen van het verbond.
Zulk een organisch geheel, juist, omdat het organische kenmerk van het geschapen leven is, wordt als geheel bij de dienst van het verbond betrokken en daarom zijn al zijn leden van Godswege door de dienst van het verbond geheiligd.
Als God vreemdelingen bij het verbond met Israël en in de dienst des verbonds wil betrekken, in die dienst en beloften wil doen delen, betrekt Hij ze in het organisch geheel (vgl. Rachab en Ruth).
De afzonderlijke Israëliet draagt derhalve tot zijn heiliging niets bij. Hij is geheiligd door het verbond, om geen andere reden dan dat God de Heere het alzo heeft geordineerd.
Met de zichtbare kerk is het blijkens bovenaangehaalde plaats uit de brief aan de Corinthiërs niet anders.
In het Nieuwe Verbond of Testament neemt de gemeente des Heren, op aarde zichtbare gestalte aan. Krachtens haar wezen draagt ook de kerk een organisch karakter, want zij is in haar geestelijke werkelijkheid het Lichaam van Christus. Haar zichbare gestalte op aarde onderscheiden wij dan ook als de openbaring van het Lichaam van Christus.
Nu leert de Heilige Schrift ons, dat God bij de vervulling van Zijn Raad aangaande het Koninkrijk Gods, van die zichtbare kerk gediend wil zijn. Die kerk heeft de roeping Zijn Woord te bewaren en Zijn getuige, de getuige van Christus, te zijn op aarde, inzonderheid in de Dienst des Woords.
De kerk treedt dus in de voorrechten en de roeping, welke voormaals aan het volk Israël waren toegewezen. Het verbond is uit de volksgestalte uitgetreden in de universele gestalte van de openbaring van Christus' Lichaam, zoals reeds in de belofte aan Abraham was geprofeteerd.
(Wordt vervolgd)
*) Referaat, gehouden op de Contio van Hervormd-gereformeerde predikanten op Woudschoten, 8 en 9 januari 1958.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 januari 1958
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 januari 1958
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's