DE DORDTSE LEERREGELS
Deze eeuwige en onverdiende genade van onze Verkiezing wijst en prijst ons de Heilige Schrift allermeest daarmede aan, dat zij wijders getuigt, dat niet alle mensen zijn verkoren, maar sommigen niet verkoren, of in Gods eeuwige Verkiezing voorbijgegaan, namelijk die, welke God naar Zijn gans vrij, rechtvaardig, onberispelijk en onveranderlijk welbehagen besloten heeft in de gemene ellende te laten, in dewelke zij zichzelf door hun eigen schuld hebben gestort, en met het zaligmakend geloof en de genade der bekering niet te begiftigen, maar hén, in hun eigen wegen en onder Zijn rechtvaardig oordeel gelaten zijnde, eindelijk niet alleen om het ongeloof, maar ook om alle andere zonden, tot verklaring van Zijn gerechtigheid te verdoemen en eeuwiglijk te straffen. En dit is het besluit der Verwerping, hetwelk God geenszins maakt tot een auteur van de zonde (hetwelk godslasterlijk is te denken), maar Hem stelt tot haren verschrikkelijken, onberispelijken en rechtvaardigen Rechter en Wreker.
HOOFDSTUK 1, ARTIKEL 15
L. VROEGINDEWEIJ
Men is in onze dagen niet ongenegen om over Verkiezing te spreken. De grote Barth doet het en daardoor is het voor ons kleineren gemakkelijker hem na te volgen. En niet alleen is het de invloed van Karl Barth. De Schrift zelf spreekt toch al te duidelijk van Uitverkiezing. De verklaring, die de etischen van vroeger en nu trachten te geven, vindt niet bijster veel bijval. Zij verklaren het immers als een Uitverkiezing, die met de zaligheid niets te maken heeft. Het zou een Verkiezing zijn tot dienst, d.w.z. om predikant of zendeling of zendingsarts of iets dergelijks te zijn. Inderdaad vindt de Uitverkiezing nog altijd dezelfde tegenspraak. Want velen stemmen wel toe, dat zij er is, maar leggen haar dan zo uit, dat alle mensen uitverkoren zijn. De gedachte dat God onderscheid maakt, waar geen onderscheid is, schijnt volkomen onverdraaglijk te zijn.
Vandaar dat er een heftige tegenstand oplaait wanneer het woord Verwerping wordt gebruikt. Het is ook een geweldige zaak, dit zij ten volle erkend. Daar ligt de ganse mensheid, waaronder u en ik. Wij hebben God de rug toegekeerd zowel in Adam als in onszelf. Wij zijn van nature vijanden Gods en geneigd om God te haten. Wij zijn schuldig aan al de geboden en hebben de tijdelijke en eeuwige dood verdiend. Onze ganse natuur is tegen God gekant. Wij willen ons niet tot God bekeren. Wij kunnen ons niet tot God bekeren en wij willen ons ook niet laten bekeren. Hoe komt het dan, zal iemand vragen, dat er zoveel godsdienst is en zelfs veel christelijke godsdienst ? Daar klopt iets niet. Hoe kan men nu van een hater Gods verwachten, dat hij bidt en dankt, in de kerk luistert en psalmen zingt en looft en prijst ? Wat zegt de Schrift ? , , Dit volk nadert Mij met de lippen, maar hun hart houdt zich verre van Mij". Hoe vroom was het Joodse volk niet, doch zij hebben toch de Zoon van God gekruisigd. In onze dagen wordt het zo voorgesteld, dat heel de Christelijke Kerk de verlosten zijn. Al die belijders, daar staat het goed mee. Zij geloven immers, dat zij uitverkoren zijn en dat Jezus voor hen de verwerping heeft gedragen en voor hun zonden is gestorven. Doch 't Joodse volk laat zien, wat de mens van zichzelf is. Zij doen als verworpenen en verwerpen de Christus.
Maar zou men nu echt menen, dat het met de kerk anders is dan met het volk Israël in de tijd van 't Oude Testament ? Daar was ook ten allen tijde slechts een klein gedeelte, dat door genade werkelijk de Heere vreesde. Waarom dan al die vroomheid ? Om de hemel te verdienen, om Gods hulp te krijgen, om aan een zekere gevoelsbehoefte te voldoen.
Doch van nature zoekt men niet God om God. In de godsdienst van de natuurlijke onbekeerde mens gaat het om de mens, doch niet om God en Zijn eer.
Dat is juist de bekering, dat men de Schepper aller dingen, die ons in Christus heeft verlost, liefheeft, eert, dient en stelt tot het grootste van zijn blijdschap. Bekering is een veel dieper stuk, dan de natuurlijke mens denkt. In de kringen der midden-orthodoxie wordt er dan ook zo goed als nooit over de noodzakelijkheid van de waarachtige bekering gesproken of gepreekt. Men is daar zeer tevreden met een beetje godsdienst. Dat geldt van dominees en gemeenten.
Zijn de Bonds-gemeenten beter? Dat wordt daar niet gepreekt. Nergens is men zo critisch ingesteld tegenover de belijders als in de gereformeerde prediking. En ook daarmee bewijst zij dat de ware gereformeerde prediking in alle gebrek zeer Schriftuurlijk is. In deze prediking komt de critische houding van de profeten en van de Heere Jezus Christus tot haar recht. Daar wordt ook gesproken over de verantwoordelijkheid der bekering. En wie zijn het dan, die het leren verstaan, dat zij onbekeerd zijn? Dat zijn degenen, die door Gods Geest bearbeid worden en die allerlei pogingen aanwenden om zichzélf te bekeren. Zij trachten vroom te worden, zij trachten de hemel te verdienen. Zijn ze ontdekt aan de noodzakelijkheid van Christus, dan trachten zij de genade van Christus te verdienen.
Misschien dat de mensen van hen zeggen, dat zij zeker wel een beginsel der bekering ontvangen hebben. Doch van zichzelf leren zij verstaan dat zij onbekeerd zijn. Dat is juist de grote les, die in het eerste stuk geleerd wordt. Dan leert een mens door genade zichzelf verstaan als onbekeerd, goddeloos en verkeerd. Over deze verlorenen ontfermt zich de Zoon Gods.
Vele predikanten gaan van de algemene waarheid uit, dat een mens zondaar is en nu is Christus voor zondaren gestorven, zegt de een, en de ander zegt: Christus heeft de verwerping gedragen en nu zijt gij allen uitverkoren. Maar van de noodzakelijkheid der ontdekking en ontgronding hebben zij, vrees ik, te weinig begrip. Op deze wijze krijgt men godsdienst, doch geen bekering. Het blijft een leer, doch wordt geen bevinding. Het is een verstands- of gevoelszaak, doch raakt niet het ik, het hart van de kerkganger. Deze wordt niet waarlijk verbrijzeld. Hij wordt niet gebroken van hart. Hij raakt niet verloren. Hij wordt niet een goddeloze in de waarachtige beleving.
Ik hoop hiermee duidelijk gemaakt te hebben, wat de gebruikelijke godsdienst is en hoe zij gepaard kan gaan met een vijandschap tegen God en een diepe afkeer van bekering en ook een verzet tegen de weg der zaligheid in Christus. De Heere Jezus sprak tot de vromen van Israël: Gij wilt tot Mij niet komen.
Denkt men nu werkelijk, dat de vromen van tegenwoordig, beter zijn, omdat zij de naam van Jezus op de lippen nemen ? Het is juist in de ontdekking, dat de uitverkorenen het wel anders leren. Misschien meent deze of gene, dat dit een privé-mening van mij is. Doch dan moeten de lezers maar eens even luisteren, de zaak is er belangrijk genoeg voor.
Ik stel dit, dat de uitverkorene, als hij met zichzelf wordt bekend gemaakt en leert hoe groot zijn zonde en ellende is, zijn natuur, die de algemeen menselijke is, leert kennen. Dat gebeurt onder de bearbeiding Gods, die andere verlangens dan de natuurlijke in de ziel legt. De uitverkorene heeft het Joodse volk niet nodig om te zien, dat de mens van nature een Christusverwerper is. Hij vindt deze verwerping bij zichzelf. Zolang men het verkeerde alleen maar bij anderen ziet, vernedert het ons niet, doch verheft het ons. Laat toch niemand denken, dat Gods uitverkorenen de boosheid van hun hart in de spiegel van anderer boosheid kunnen of behoeven te leren. Justus Vermeer merkt in een Oefening over het Genadeverbond daarover het volgende op : , , Daarbij ziet en gevoelt zulk een bij dat licht des Geestes de afkerigheid van zijn hart van Christus en van dat zalige verbond, waarin alles om niet te krijgen is o ! die onwilligheid, om door Jezus alleen zalig te worden, ook om niet zalig te worden, en die eigen werkelijke igrond ziet en gevoelt hij. Jezus zegt Joh. 5 : 40 : Gij wilt tot Mij niet komen, opdat gij het leven zoudt hebben. O, dat gelooft zulk een ziel in zijn kracht. En als zij zich al aanbiedt aan de Heere Jezus, zij kan niet los worden. Zij vindt zich van rondom aan banden vast. Dit alles maakt haar aan zichzelf bekend, dat het aan haar kant en niet aan 's Heeren zijde scheelt. Want wilde zij, zij zou los worden en gaan evenals in het natuurlijke. Dit maakt haar verlegen, belemmerd, benauwd, roepende en Christus dierbaar en zeer begerig om uit zichzelf en tot Christus te worden overgehaald". Zo leert de uitverkorene zijn onwilligheid kennen, die in hem zelf is.
En laat mij nu nog een andere getuige van deze natuurlijke gesteldheid des mensen mogen noemen. Het is dr. Maarten Luther. Zijn bekeringsweg is wel de klassiek-reformatorische of gereformeerde. Zo vindt men bij hem daar ergens tegen het eind van zijn worsteling naar het licht der genade de uitspraak : toen haatte ik God. Zo is dus de natuurlijke gesteldheid des mensen. Inderdaad is deze natuur in het Joodse volk en in de kerk van deze tijd, die het Woord Gods verwerpt, goed zichtbaar. En uit deze Zijn vijanden verkiest God een volk tot de zaligheid, doch niet alle mensen. Het is mij niet zo helemaal duidelijk hoe men de verwerping kan ontkennen. Neem nu Barth en zijn vrienden. Zij leren dat alle mensen uitverkoren zijn en niemand verworpen. Toch stellen zij de mogelijkheid dat er mensen verloren gaan. Hoe is dat te rijmen. „Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods" „Die God te voren verordineerd heeft... dezen heeft Hij ook verheerlijkt". Het is niet mogelijk dat een zondaar, die uitverkoren is tot zaligheid, verloren gaat. Is dat wel mogelijk, zou er een uitverkorene verloren kunnen gaan, al zou het er maar één zijn, dan is alle vastheid aan de verkiezing ontnomen. Wanneer alle mensen uitverkoren zijn kan er niet één verloren gaan. Daar gaan echter volgens de Schrift vele mensen verloren. Dan moeten deze ook voorbijgegaan zijn in de Verkiezing. Is dit niet zo, dan moet het in het vermogen van de mens liggen zijn Verkiezing ongedaan te maken. Dan zal men de gulden keten, de catena aurea uit Romeinen 8 in stukken moeten slaan.
Dan wordt het zo. God heeft sommigen der uitverkorenen tevoren gekend, ook tevoren verordineerd den beelde Zijns Zoons gelijkvormig te zijn, ook geroepen, maar de Heere was onmachtig hen te verheerlijken. Dat heeft de mens kunnen verijdelen. Is dit een Schriftuurlijke verkiezingsleer ? Zij wordt er wel voor uitgegeven. Desniettegenstaande is het een schrikkelijke zaak dat de mens verloren gaat. Het is niet uit te drukken, hoe erg dat is. Daarom is het ook zo ontzettend dat alle mensen niets anders doen dan hun eigen zaligheid tegenstaan., Doch hoe verschrikkelijk ook, de Schrift biedt alle grond om te geloven, dat God niet van alle mensen vastelijk heeft voorgenomen, dat Hij hen zal zaligen. Wij willen proberen dit uit het Woord Gods aan te tonen.
L.V.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 januari 1958
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 januari 1958
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's