Kroniek
De degelijkheid in gevaar — „Kijk-u-rijk-rage" — „Geen bezwaar tegen 'n gokje op zijn tijd? " — Protest van een predikant uit de P.V.d.A. — De eis van het Woord — Onze kerkelijke ingezonkenheid — Ds. Ruitenberg over het ontslag van ds. Krop — Repliek van ds. Groenewoud — Het „contact van vrouwelijke vicarissen in de Ned. Herv. Kerk" — „Niet volwaardig" — Uit „Zwingli" — Proeve van „vrijzinnig geloofsdenken" — Het „nieuwste", doorgewinterd oud — In het gezicht van 1961.
Ons volk had van ouds een zekere degelijkheid. We waren zuinig, spaarzaam, toegewijd aan ons werk, trouw en van de sobere lijn, in één woord: we waren degelijk. We zijn nu bezig die goede kwaliteiten kwijt te raken. Niet het minst door de „goklusten" en „puzzlerage", waarvan men zo al het een en ander weet. „Trouw" sprak in dit verband van een „Kijk-u-rijk-rage" ea noemde ze „een ernstige bedreiging van de geestelijke volksgezondheid" (geciteerd uit , , Ned. Gedachten" d.d. 30-11- •57).
Dat inderdaad het verschijnsel, hiervóór gesignaleerd, onrustbarende afmetingen aannam, is wel gebleken uit de j.l. gehouden begrotingsdebatten in de Tweede Kamer bij Justitie.
Toen zijn er wel krasse woorden van afkeuring gesproken, van rechts en ook van links, al kwam uit die laatste hoek ook de uitlating „geen bezwaar tegen 'n gokje op zijn tijd".
In het verslag der redevoering van de heer Meulink, trof ik een citaat aan uit een artikel, door ds. Diepersloot geplaatst in „In de Waagschaal". Ds. Diepersloot werd door de spreker genoemd „een der geestverwanten van de geachte afgevaardigde de heer Vrolijk". Dat stuk komt dus uit de hoek van de P.v.d.A. Daarin is o.m. ook dit te lezen:
„Ds. Diepersloot wijst er in zijn artikel op, dat aan gokken een volk ten onder gaat. Hij constateert, dat de goklust een nationaal kwaad wordt.
' Ds. Diepersloot schrijft: alles, wat hartstochten, zuchten, opwekt, is voor een volk een pest. Gokken is, zo vervolgt hij, beneden de menselijke waardigheid; gokken is zielig. Hij vraagt dan ook in dat artikel aan de socialisten, waarom zij zich niet veel krachtiger verzetten, nu de hunkering naar arbeidsloos inkomen uit de hogere regionen naar de massa dreigt over te slaan.
Het grieft mij, zo schrijft hij letteriijk, dat b.v. „Het Vrije Volk" in dit opzicht niet de minste leiding geeft. Precies als bij sensatiekranten worden prijswijnnaars in loterijen, enz. met grote foto's, liefst op de voorpagina, aan de lezers voorgesteld, met een verhaal over de levensgeschiedenis van de gelukkigen. Juist van een socialistisch blad zou men iets anders verwachten."
Dat zijn voorzeker goede klanken. Men stond in het kamerdebat op de bres voor de geestelijke volksgezondheid. Toch bleef men niet te veel in het „humanistisch vlak" ? Er werd in. een links blad opgemerkt, dat de eis van het Woord Gods weinig was gehoord. Dat was m.i. inderdaad het geval, en valt te betreuren.
De „Kijk-u-rijk-rage" gaat toch rechtdraads in tegen Gods Woord". Het spelen met het lot is toch gruwelijk hazardspel. Mag in de volksvertegenwoordiging niet weerklinken het: , , Zo zegt de Heere"? Als ik lees hoe John Knox zijn koningin Mary Stuart de waarheid Gods heeft aangezegd, dan moet van onze tijd en onze protesten daarin gezegd: welk een verschil bij toen ! Inderdaad.
Maar John Knox was de exponent van een kerk, waarin het staan voor de majesteit van God Drieënig nood was en het beven voor het Woord Gods diep werd gekend. Dat nu ontbreekt zoveel in onze tijden. Helaas, want als dit door de machtige golvingen des Geestes gekend wordt, leren we Calvijn verstaan in zijn treffend woord: „Een hond blaft als zijn meester wordt aangerand, zou ik niet spreken als mijn God wordt aangetast in Zijn eer? "
Wij zijn door onze kerkelijke gescheurdheid en ingezonken geloofsleven er allen schuldig aan, dat niet een protest opging, afgestemd op de Schrift, b.v. een woord als 1 Tim. 6:9: , , Doch die rijk willen worden, vallen in verzoekingen en in de strik en in vele dwaze en schadelijke begeerlijkheden, welke de mensen doen verzinken in verderf en ondergang".
Ik sprak over onze kerkelijke situatie. Mede daardoor klinkt er geen krachtig getuigenis tegen de volkszonden. De kerk is zo weinig , .schildwacht der eeuwigheid", om een woord van Augustinus aan te halen.
Is de kerk — ik spreek in het algemeen — trouw in het getuigen tegen de in christelijke kringen toenemende zucht naar de dans en de wegen ingeslagen ter bevrediging van dat verlangen? De Generale Synode der Gereformeerde Kerken plaatste haar protest. Wat deed onze kerk in haar Generale Synode:
Betreffende het ontslag van ds. M. Krop als leraar aan een Chr. H.B.S. in Groningen, schreef ds. L. H. Ruitenberg in het Weekblad „Hervormd Nederland" . (gezinsblad der N.H.K.) :
„Hier handelt een aantal niet in kerkelijke vergadering bijeen zijnde gereformeerden (n.l. het schoolbestuur dat, naar ds. R. meedeelt, in grote meerderheid niet hervormd is, Red. Trouw) over een hervormd predikant, alsof zij op de leer zitten in een gereformeerde kerkdienst. De school heerst over de kerk !"
Vervolgens betoogt ds. Ruitenberg : „dat het bestuur hier niet over het onderwijs, maar over de ambtelijke gedragingen van een predikant oordeelde, terwijl daarbij geen centrale punten van het christelijk belijden in het geding waren".
Hij besloot: „Er is nog iets. Men weet, dat vele hervormden en vele gereformeerden uitzien naar een beter verstaan van elkaar. Want zij kennen elkaar als broeders uit hetzelfde huis. Men weet ook, dat vele hervormden hiervoor terugdeinzen. Want zij vrezen, dat het hervormd zijn met gereformeerde maatstaven zal worden gemeten. Het Groningse voorval zal een bewijs te meer er voor zijn, dat dit gevaar geen spookbeeld is, maar bittere werkelijkheid. Wij zullen het toejuichen, wanneer uit gereformeerde kring vele duidelijke stemmen komen, die zeggen, dat dit hun bedoeling niet is, wanneer zij verlangen naar een gemeenschappelijk gereformeerd-hervormd optreden."
Een en ander trof ik aan in „Trouw" d.d. 25-l-'58.
Ds. Groenewoud heeft in , , Herv. Weekblad de Geref. Kerk" ds. Ruitenberg van repliek gediend. Hij vraagt o.m. , , of het wel waar is, dat ds. Krop louter om deze preek over het dansen werd ontslagen. „Heeft ds. Ruitenberg zich door het bestuur der school precies laten inlichten ? " Ds. Groenewoud betwijfelt dat: „anders zou ds. Ruitenberg geweten hebben, dat het bestuur reeds lang bezwaren heeft gekoesterd tegen het geheel van de opvattingen van ds. Krop en dat daarover reeds vóór de bewuste radiopreek met hem is gesproken ; dit geheel van opvattingen betrof ook de chr. school."
Verder laakt ds. Groenewoud , , de uitlating van ds. Ruitenberg, dat hier de school over de kerk heerst. Neen, zegt ds. Groenewoud, men heeft voor de school de consequentie getrokken uit hetgeen in een kerkdienst werd verkondigd".
Hij stelt tenslotte de zaak als volgt: , , Voor het schoolbestuur is hij leraar en niet ambtsdrager; als leraar wordt hij ontslagen, en zijn ambt blijft buiten beschouwing. En hetgeen hij in zijn preek zegt, is een mening, die hij ook als leraar heeft, en uiteraard ook als leraar op de leerlingen zal overdragen".
Hier staan twee predikanten van dezelfde kerk in een typische anti-thetische houding ten opzichte van wat een bestuur van een Chr. H.B.S. meende te moeten doen. Zij zullen het ook wel niet eens zijn over de dans. Nu weet ik wel, dat deze beide predikanten — niet de eersten de besten — de kerk niet zijn. Doch de tegenstelling hier aan het licht getreden, is ook een tegenstelling in onze kerk. Derhalve geen klaar geluid der kerk in deze materie. En hoe is het in de geref. kerken? Officieel anders, gelijk we hiervóór memoreerden. De practijk wijst iets anders uit. Dit alles heeft zijn gevolgen voor de practijk. Mij is bekend, dat op een Chr. H.B.S. bij een schoolfeest er , , bal na" is. Een andere Chr. H.B.S. in dezelfde stad stond bij een dergelijk feest geen „bal na" toe. Maar directie en bestuur zijn gezwicht voor de aandrang van de eerstgenoemde H.B.S., en zo is het nu ook bij de tweede , , bal na". Zo schrijdt de zonde — want zo meen ik het dansen naar gereformeerde zede te moeten kenschetsen — in onze kringen voort, ten koste van de geestelijke volksgezondheid onder onze jongeren. Intussen zijn we ds. Groenewoud erkentelijk voor wat hij schreef. Het diende tot genezing.
Het , , contact van vrouwelijke vicarissen in de Ned. Herv. Kerk", heeft zich met een schrijven gericht tot alle hervormde predikanten, kerkeraden en ' classicale vergaderingen inzake de Synodale voorstellen voor „de vrouw en het ambt", pleitend voor aanvaarding daarvan. Het „contact" wil niet ingaan j op de theologische fundering van het door de Synode voorgestelde, wijl die wel genoegzaam is doorgesproken. Het schrijven is eigenlijk een oratio prodomo, een pleidooi voor eigen zaak, er de nadruk opleggend, dat bij verwerping de positie van de vrouwelijke vicaris „niet volwaardig" is. De N.R.Crt. dd. 21-1-'58, vermeldt uit die brief o.m.:
, , Eén daarvan is de onvolwaardige positie van de vicaris. Wat echter voor de jonge man, die als vicaris een praktische voorbereiding tot zijn ambtsbediening doormaakt, een nuttige en ten volle aanvaardbare stage is, valt, aldus luidt de brief, voor de theologisch gevormde vrouw met ervaring van het gemeenteleven, steeds moeilijker te dragen. Zij blijft levenslang in deze onzekere positie; hoe zij ook toeneemt in praktische levenswijsheid en theologische kennis, zij blijft een functie bekleden die is afgestemd op de pas afgestudeerde theoloog. Zij verricht predikantswerkzaamheden, maar op haar staat het stempel: niet volwaardig. De vrouwelijke vicaris verlangt klaarheid en een arbeidsveld waar zij de wenzenlijke eenheid van al het werk in de gemeente beleven kan. Want pastorale zorg, catechese, prediking. Doop en Avondmaal behoren bijeen en al naarmate zij sterker dit bijeenhoren beseft, lijdt zij eronder, dat haar eigen werk slechts stukwerk is en zij in de ontplooiing van haar krachten steeds wordt geremd door de kerkorde".
In het slot van het schrijven lezen we: , , De vrouwelijke vicarissen willen de kerk niet maken tot een toneel van strijd, maar voelen zich gedrongen, ter wille van het werk voor haar positie op te komen. Want zij geloven, dat het Gods bedoeling is, dat mannen en vrouwen samenwerken op alle terreinen des levens, óók in de ambtsvervulling".
Dit stuk is m.i. voornamelijk opkomend uit gevoelsargumenten. Die mogen gelden. Doch niet ten koste van het Schriftgetuigenis. Zo lijdt o.i. het stuk aan een evidente zwakheid. Want als het gaat over , , geloof in Gods bedoeling" dan zal er toch voor dat geloof een schriftuurlijke grond moeten aangewezen kunnen worden.
Wij hebben begrip voor het onbevredigende van 't „niet volwaardig". Maar om die reden zal de kerk in haar , , grondvergaderingen'* toch niet haar , , fiat" aan de voorstellen mogen geven. Hier moet beslissen, wat God in Zijn Woord van haar wil.
Overigens vergete „het contact" niet, dat, toen de theol. studie door de vrouwelijke vicarissen" werd gekozen, de ambten voor de vrouw gesloten waren. Men kon dus, toen niet anders verwachten dan een „niet volwaardige positie", waarover men nu klaagt. Er zijn genoeg , , volwaardige" posities waarin de vrouw kan werken en God dienen. En al heeft de kerk hoffelijk te zijn tegenover de „zwakkere sexe" en het , , honneur aux dames" niet te vergeten —, ieder lid, ook van de jongeren, hebbe er oor voor ! — de hoffelijkheid mag o.i. in dit geval niet verleiden tot toegeven. Hier beslisse het getuigenis der Schrift.
In het , , Herv. Weekblad De Geref. Kerk" dd. 23-l-'58 werd een artikel uit „Zwingli" overgenomen, waarin de auteur de gronden aangeeft, , waarom er bij ons geen plaats is voor een jubel , , en die gekruisigd". Ik geef hier een fragment van dat stuk :
, , In een van de belijdenisgeschriften der kerk, de Heidelbergse Catechismus wordt de kruisdood van Jezus tot heil der wereld uitgelegd. De kerk laat hier de wereld Jezus doden tot heil dier wereld.
Ethisch gezien staat de kerk hier wel op een zeer zwak standpunt, uit het doden van het edelste kan nooit heil geboren worden.
Het doden tot heil voor zichzelf vindt men nog terug bij de allerprimitiefste volken. Bij sommige Papoeastammen op Nieuw-Guinea treft men zulk een mentaliteit nog aan.
Er heeft daar een huwelijksplechtigheid plaats. Op een open plek in bet bos zijn de bruid en de genodigden gezeten in afwachting van de komst van de bruidegom. Weldra komt deze vanuit het donkere woud te vorschijn. In zijn rechterhand houdt hij achter zich het huwelijksgeschenk verborgen dat hij zijn bruid zal aanbieden. Daar reikt hij het haar triomfantelijk over ... 't is het hoofd van een mens, nog druipend van bloed. Voor zijn heil, om zijn bruid voor zich te winnen, heeft hij een ander gedood. Zo laat de kerk de wereld ook Jezus doden tot heil voor die wereld. Wij kunnen de kerk op dit pad van bloed niet volgen".
H. G. G., die dit stuk, door Zwingli genoemd : , , het nieuwste op het gebied van , , vrijzinnig geloofsdenken", commentarieert, geeft een pittige critiek op dit doorgewinterd oud-modernistisch geluid. En terecht. Ik heb nogal iets gelezen uit de oud-moderne hoek, maar een dergelijke persiflage van wat de Kerk aller eeuwen dierbaar en heilig is, heb ik bij mijn weten nog niet aangetroffen. Dit is verbijsterende verminking van het Evangelie Gods.
Hoe iemand, die een theologische vormin ontving, en dus wel objectief —- al is hij het er persoonlijk helemaal niet mee eens, — de leer der Kerk moet kimnen verstaan en weergeven, een dergelijke weergave der dogmatische waarheden der Kerk durft geven, is mij een raadsel.
Maar is het niet evenzeer een raadsel, dat jhr. L. de Geer, secretaris van het college van visitatoren-generaal der N. H. K. onlangs ter conferentie op de Horst, waar het ging over „tolerantie", bij de vragenstelling over de tuchtoefening, waarmede in 1961 een aanvang moet gemaakt worden, kon zeggen — indien althans het verslag, waaruit ik citeer juist is —, dat deze wel eens kan aanvangen bij , , uiterst rechts" ?
En het zal ieder, die normaal denkt, nog groter raadsel zijn, hoe deze beide , , uitersten" met de middenmoot der orthodoxie in één waarlijk de waarheden der H. S. , , in gemeenschap met de vaderen" belijdende christelijke Kerk kunnen samenwonen en samenleven.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 februari 1958
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 februari 1958
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's