De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De Vrouw en de ambten in onze kerk

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De Vrouw en de ambten in onze kerk

5 minuten leestijd

Prof. Haitjema heeft bezwaar tegen de toelating van de vrouw tot het predikambt. (Zie Woord en Dienst dd. 8 febr. 1958, pagina 38). Toelating tot ouderling en diaken acht hij niet in strijd met de Schrift. Hij poneert nl. de stelling, dat in het Gereformeerd-Protestantisme het ambt uit twee wortels voortkomt: 1e. Christus en Zijn uitverkiezende wil om Zich als Hoofd en Bruidegom van Zijn gemeente , , tegenover" deze laatste in het ambt als Zijn orgaan te doen vertegenwoordigen; ten 2e. het algemeen priesterschap der gelovigen, dus de Gemeente zelf, als het steunvlak voor het ambt in Christus' Kerk.

Dat schijnt op het eerste gezicht wel plausibel, maar om te beginnen staat nergens, dat het algemeen priesterschap der gelovigen steunvlak voor het door Christus ingestelde ambt is. Voorts, wat heeft het algemeen priesterschap met het regerend ambt te maken, dat immers beantwoordt aan het koninklijke en toch zeker in de eerste en ook in de meest eigenlijke zin aan Christus zelf toekomt als Koning der Kerk — èn als zodanig evenzeer vertegenwoordiging tegenover de gemeente vraagt.

Het weiden der kudde en het opzicht over de kudde behoort toch evenzeer te worden gezien als vertegenwoordiging van het Hoofd en de Bruidegom tegenover Zijn gemeente ? Christus is toch de grote Herder der schapen ?

Intussen zijn wij het eens met prof. Haitjema, dat , , de onderstreepte waarheid, dat , , de man het hoofd der vrouw is", niet toelaat het feit, dat de Heere Jezus alleen mannen tot Zijn apostelen koos, als tijdhistorische aanpassing te zien aan de situatie Zijner dagen" Wij hebben daarop trouwens telkens weer gewezen.

Wij kunnen het echter met die tweeërlei afleiding van het ambt en de daaraan door Haitjema verbonden onderscheiding niet eens zijn.

Zeker, wij erkennen een algemeen priesterschap der gelovigen. Een priesterschap, dat uit onze schepping stamt, door de zonde verdorven werd en in het geloof hernieuwd, weer tot nieuwe kracht komt. De vraag doet zich daarbij direkt al voor, of dat priesterschap, waarvan prof. Haitjema spreekt, ook niet van de oorsprong af verbonden is met het profetische en koninklijke ambt. Men kan aan de naar Gods beeld geschapen mens ook deze twee moeilijk ontzeggen. Zij, die het ambt in zijn verschillende facetten vanuit de gemeente willen doen opkomen, kunnen daarvoor moeilijk een ander argument aanvoeren dan dat het ambt in zijn drieërlei gestalte oorspronkelijk bij de mens behoort en door Christus' genade wordt vernieuwd.

Deze algemene grondslag echter kan slechts steun geven aan de onderstelling, dat het oorspronkelijke ambt van profeet, priester en koning, op de plaats, die iemand in de samenleving inneemt, en in de daarin gegeven verhoudingen van orde en gezag, wordt in praktijk gebracht.

Wij zijn dat ook van mening, dat het kerkelijk ambt, de door Christus en de apostelen ingestelde ambten een principieel andere grondslag hebben en samenhangen met het Middelaarswerk van Christus.

Het algemeen priesterschap of het ambt der gelovigen heeft, op zichzelf genomen, niets anders kerkelijks als het geloof en wordt in de alledaagse saamleving beoefend.

De gelovigen staan immers met hun roeping in het volle leven, zij zijn de kerk in de wereld, staan in de strijd, .met de geest der wereld en, dank zij het geloof, hebben zij daar in school en werkplaats, op kantoor en fabriek te getuigen en te dienen, opdat het Woord Gods gezag en heerschappij hebbe.

Daarin ligt besloten, dat zij, indien zij getrouw zijn in deze dienst des geloofs, daarmede ook het Koninkrijk Gods dienen.

Het komt ons daarom niet juist voor, de door Christus en de apostelen ingestelde kerkelijke ambten uit die algemene wortel te willen- afleiden. Ten aanzien van het apostelambt doet prof. Haitjema dat dan ook niet. Al te duidelijk is trouwens het woord van Christus : „Gelijkerwijs Mij de Vader gezonden heeft, zend Ik ook ulieden". (Joh. 20 : 21).

Hij vindt het ambt van de dienst des Woords zo dicht naderen tot het apostelambt, dat hij ook dit als Christus vertegenwoordigend ambt tegenover de gemeente wil erkennen en erkend hebben en daarvan de vrouw uitsluiten.

Het is alleen niet duidelijk, waarom hij aan het ambt van de ouderling deze waardering wil onthouden. Ten eerste wordt de Diernaar des Woords door de apostel genoemd ouderling, die in het Woord arbeidt. (1 Tim. 5 : 17). Wat echter niet minder van betekenis is, dat Christus niet alleen de Apostel en Hogepriester wordt genoemd (Hebr. 3 r 1), maar ook de overste Herder der schapen en Opziener der zielen. (1 Petrus 2 : 25 ; 5 : 4). Wat kan er nu voor grond zijn om de vertegenwoordiging van Christus door het ambt te beperken tot Zijn apostelschap en daarvan het werk van de overste Herder en Opziener der schapen uit te sluiten door het ouderlingenambt uit het algemeen priesterschap te willen afleiden. Wij denken ook aan de belijdenis van het drievuldig ambt van Christus in vraag en antwoord 31 van de Catechismus.

De apostelen hebben er blijkbaar niet zo over gedacht als prof. Haitjema, want wat zou hen dan verhinderd hebben ook ouderlingen en diakenen uit de gelovige vrouwen te kiezen.

Er waren toch wel vrouwen, die daarvoor in aanmerking hadden kunnen komen. De aposelen deden dat niet en lieten mannen verkiezen, terwijl zij de vrouw duidelijk uitsloten. Zelfs bij de verkiezing van diakenen terwille van de zorg voor de Griekse weduwen, werd geen vrouw aangewezen, (Hand. 6 : 1— 7 ; vgl. ook 1 Tim. 3 ; Titus 1 : 5 v.v. ; 1 Cor. 14 : 34).

Wij houden er ons dan ook van overtuigd, dat het ambt van de ouderling voor de man is bestemd en dat het Schriftuurlijk is ons daaraan te houden.

Wat het diakenambt betreft. Het ligt voor.de hand, dat het algemeen priesterambt door zijn dienend karakter het dichtst nadert tot het diakenambt. De apostelen kozen mannen.

De onderscheiding van ambt en bediening zou daarom in de praktijk goede diensten kunnen bewijzen om de krachten en gaven in de gemeente onder de leiding van het ambt te organiseren.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 februari 1958

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

De Vrouw en de ambten in onze kerk

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 februari 1958

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's