DE DORDTSE LEERREGELS
Deze eeuwige en onverdiende genade van onze Verkiezing wijst en prijst ons de Heilige Schrift allermeest daarmede aan, dat zij wijders getuigt, dat niet alle mensen zijn verkoren, maar sommigen niet verkoren, of in Gods eeuwige Verkiezing voorbijgegaan, namelijk die, welke God naar Zijn gans vrij, rechtvaardig, onberispelijk en onveranderlijk welbehagen besloten heeft in de gemene ellende te laten, in dewelke zij zichzelf door hun eigen schuld hebben gestort, en met het zaligmakend geloof en de genade der bekering niet te begiftigen, maar hen, in hun eigen wegen en onder Zijn rechtvaardig oordeel gelaten zijnde, eindelijk niet alleen om het ongeloof, maar ook om alle andere zomden, tot verklaring van Zijn gerechtigheid te verdoemen en eeuwiglijk te straffen. En dit is het besluit: Verwerping, hetwelk God geenszins maakt tot een auteur van de zondg (hetwelk godslasterlijk is te denken), maar Hem stelt tot haren verschrikkelijken, onberispelijken en rechtvaardigen Rechter en Wreker.
HOOFDSTUK 1. ARTIKEL 15
L. VROEGINDEWEIJ
„De Schrift biedt alle grond om te geloven, dat God niet van alle mensen vastelijk heeft voorgenomen, dat Hij hen zal zaligen. Wij willen proberen dit uit het Woord Gods aan te tonen". Met deze zinnen besloten wij het vorige artikel.
Vooropgesteld zij, dat alleen diegenen zalig worden, die door God van dood levend worden gemaakt. Zodra men een synergisme gaat leren is alles mogelijk. Dan kan de dode mens zichzelf levend maken. Worden alle mensen van dood ievend gemaakt ? Schrift en ervaring leren ons dat velen wandelen en blijven wandelen op de weg naar het verderf. Wie worden er van dood levend gemaakt, zodat zij tot Christus komen ? De uitverkorenen van vóór de grondlegging der wereld. Men kan dit vinden in de brief aan de Efeziërs. En wie worden er niet van dood levend gemaakt en in deze weg tot de aanbidding van Christus gebracht ? Dat staat in Openbaring 13 : 8. In dit hoofdstuk wordt gesproken van het Beest, dat gesteund wordt door een ander beest. Het zijn de middelen van satan, - waarmee hij op aarde de oorlog voert tegen Christus en Zijn gemeente. Wat symboliseren die beesten ? Zij duiden op de wereldlijke regeringen, politieke machten, wereldrijken en ook de valse godsdienst en wetenschap. Sommigen aanbidden dat Beest, anderen aanbidden Christus. Dat Beest is namelijk anti-Goddelijk en tegen de gemeente des Heeren. Daar staat in vers 7 dat het macht gegeven is om de heiligen krijg aan te doen. Vindt deze beschermeling van satan veel aanbidders ? Iedereen aanbidt hem. Niemand durft het te laten, niemand wil het laten. Dat Beest neemt de harten van allen in. In vers 8 staat: „En allen, die op de aarde wonen, zullen hetzelve aanbidden". Dat klinkt nu niet alsof alle mensen uitverkoren zijn tot de aanbidding van Christus in het einde der dagen. Toch is er nog een beperking.
Daar zijn mensen, wier namen zijn geschreven in een boek. Deze mensen aanbidden Christus. Tenminste dat valt af te leiden uit vers 8 en vervolgens, hoewel het er niet rechtstreeks staat. Rechtstreeks staat er, dat allen het Beest aanbidden, welker namen niet zijn geschreven in het boek des levens, des Lams, dat geslacht is, van de grondlegging der wereld. Hier zijn dus mensen die God voorbijgegaan is in het opschrijven van sommige namen in het boek des levens. Deze tekst biedt dus een direct bewijs voor artikel 15, dat God er sommigen is voorbijgegaan. Wanneer is God deze voorbijgegaan? Die is God voorbijgegaan vóór de grondlegging der wereld, want zij aanbidden het beeld, die niet in het boek des levens geschreven staan vanaf de grondlegging. Er is dus een boek des levens, waarvan op meerdere plaatsen in de H. Schrift gesproken wordt, waar namen in staan vanaf de grondlegging der wereld. Bij de eerste aanvang der wereld stonden de namen reeds in dat boek. Ze zijn er dus van eeuwigheid in geschreven.
Waarom wordt dit vermeld ? Om tot troost te dienen voor hen, die het Beest niet aanbidden. Het is voor hen zo'n bange tijd onder de heerschappij van de anti-christ. Zouden zij ook niet bezwijken ? Neen, het rust op Gods Verkiezing, dat zij Christus aanbidden en niet het Beest. Men heeft wel eens willen zeggen, dat deze namen van dag tot dag in het boek des levens bijgeschreven werden. Onze tekst laat echter deze verklaring niet toe. Het Grieks heeft een perfectum, een voltooid verleden tijd. Zo hebben we in Openb. 13 : 8 de duidelijke uitspraak, dat God sommigen vóór de grondleging der wereld voorbijgegaan is. Hun namen zijn niet opgeschreven in het boek des levens. Nu aanbidden zij allen het Beest.
In Openb. 17:8 lezen we hetzelfde: Het Beest, dat ge gezien hebt, was en is niet en het zal opkomen uit de afgrond, en ten verderve gaan; en die op de aarde wonen zullen verwonderd zijn, (welker namen niet zijn geschreven in het boek des levens van de grondlegging der wereld) ziende het Beest dat was en niet is, hoewel het is". Het zijn hier weer de mensen wier. naam door God is voorbijgegaan. Allen die op de aarde wonen zullen vervuld zijn van bewondering voor het Beest, behalve de uitverkorenen Gods, wier namen van eeuwigheid geschreven zijn in het boek des levens. Omtrent de laatsten heeft God van eeuwigheid Zich voorgenomen, dat zij de Christus zullen aanbidden en bewonderen. Maar die anderen bewonderen het Beest. Zij worden daarin niet tegengehouden, want hun namen staan niet opgeschreven in het boek des levens.
We gaan tot een andere uitspraak der Heilige Schrift over. Het gaat nog altijd over de vraag of God van alle mensen Zich heeft voorgenomen hen te zaligen door hen te wederbaren en tot Christus te trekken, dan wel of er ook anderen zijn, van wie God besloten heeft hen niet te trekken. Wij slaan een blik in de brief van Judas. Deze was bezig met een schrijven op te stellen aan de geadresseerden aangaande de heilswaarheid, toen hij daarin gestoord werd en zich plotseling genoodzaakt zag, zonder dralen hen voor een bepaald iets te waarschuwen. Wat was er gebeurd ? Onder de naam van gelovigen hadden zich mensen bij hen ingedrongen, die de leer der genade misbruikten tot een vrij leven naar de verdorven begeerten van hun zondig hart. Het was niet, omdat zij zwak waren en struikelden, maar het was hun leer, die zij in praktijk brachten. Van deze mensen spreekt vers 4 : , , Want er zijn sommige mensen ingeslopen, die eertijds tot ditzelfde oordeel te voren opgeschreven zijn, goddelozen, die de genade onzes Gods veranderen in ontuchtigheid, en de enige Heerser, God en, onze Heere Jezus Christus verloocheiien". Het opvallende van deze tekst is, dat hier gesproken wordt van „mensen die eertijds tot ditzelfde oordeel te voren opgeschreven zijn".
In Openb. 13 was sprake van mensen, die niet opgeschreven zijn in het boek des levens. Hier gaat het om mensen, die wel opgeschreven zijn. Door wie is dit opschrijven geschied ? Kan men hier aan mensen denken, die deze goddelozen tevoren hebben opgeschreven tot ditzelfde oordeel ? Ik zou niet weten, hoe men dit moest denken. Dan blijft over dat God hen opgeschreven heeft. Greydanus schrijft dat oordeel hier verstaan moet worden als een strafgericht Gods. Het oorspronkelijke woord betekent : een beslissing van een rechter en dan meest in ongunstige zin. Hier is het dan de beslissing van God als Rechter. Wie zou hen daartoe op kunnen schrijven behalve de opperste Rechter Zelf ? Het zijn mensen, die zich als christenen voordoen, doch goddelozen zijn. En nu zijn zij te voren opgeschreven. Dit ligt hun eeuwige staat vast. God heeft hen niet opgeschreven in het boek des levens, maar wel opgeschreven tot ditzelfde oordeel, dat zij zich met hun goddeloze daden op hun hals halen. En wat betekent nu oudtijds ? Kittel's Wörterbuch zegt: iets dat zeer ver terugligt. Het woord wordt in het N.T. anders niet gebruikt van het raadsbesluit Gods, maar hier moet men daar wel aan denken. In elk geval: lang voordat zij waren geboren, zijn ze opgeschreven tot dit oordeel. Het oordeel is niet voor hen, die zulke dingen doen, opgeschreven, doch zij zijn opgeschreven voor dit oordeel.
Men kan moeilijk zeggen, dat zulke teksten helemaal niets met artikel 15 hebben uit te staan.
En wat betekent 1 Joh. 2 : 19 ? Daar lezen we: „Zij zijn uit ons uitgegaan, maar zij waren uit ons niet, want indien zij uit ons geweest waren, zo zouden zij met ons gebleven zijn; maar dit is geschied, opdat zij zouden openbaar worden, dat zij niet allen uit ons zijn".
Daar zijn dwaalleraars uit de gemeente voortgekomen, maar zij hebben met haar gebroken, omdat zij innerlijk tot haar niet behoorden. Dit wil de Apostel in dit vers graag de nadruk geven : die dwaalleraars waren niet uit ons. Zij hebben wel een poosje tot de gemeente behoord, doch niet innerlijk. Ook toen zij gewone gelovigen leken hoorden zij er niet bij. Geestelijk was er geen eenheid met de ware gelovigen. De band des waren geloofs in de Heere Christus ontbrak bij hen. Johannes legt er veel nadruk op dat zij, die tot de gemeente behoren, uit God geboren zijn. Die kunnen niet van God afvallen. Doch deze dwaalleraars wel. Is God ze dan niet voorbijgegaan in de wedergeboorte en krachtdadige roeping ? En is het niet een vaststaand gegeven, dat God geen enkele uitverkorene voorbijgaat? Is dan de Heere ze niet reeds voorbijgegaan in de voorbestemming? Daar is in elk geval een verschil onder de mensen. Sommigen horen bij de gemeente. Anderen horen er niet bij. Waar wordt dat door bepaald ? Door de geboorte uit God. Deze missen sommigen. God ging ze voorbij en dat maakt het grote onderscheid. Wijst ook dit vers niet in de richting van artikel 15 ?
Een andere heenwijzing vinden we in 1 Petrus 2 : 8. In dit hoofdstuk is sprake van gelovigen en ongehoorzamen. De Christus is voor de laatsten een steen des aanstoots en een rots des ergernis. En dan zegt vers 8: „Dengenen n.l., die zich aan het Woord stoten, ongehoorzaam zijnde, waartoe zij ook gezet zijn". Wat betekent het, dat zij ergens toe gezet zijn ?
Er is sprake van mensen, die zich aan het woord van de zaligheid, die in Christus is, stoten, omdat zij deze Christus niet willen. Zij komen aan de prediking ten val, omdat zij ongehoorzaam zijn. Vanwaar komt dit vallen in ongehoorzaamheid? Daarvan zegt de Apostel, dat zij daartoe gezet werden. Op het zich stoten ligt in de tekst de nadruk. Zij zijn dus gezet om tot een val te komen en daarin eeuwig te blijven liggen. Voorts heeft dat gezef zijn betrekking op het ongehoorzaam zijn en zich stoten. Greydanus schrijft: , , Dit spreekt van Gods verordinering". Door wie zouden zij ook anders tot val en ongehoorzaamheid gezet zijn? Dat het alleen zou bedoelen dat God nu eenmaal de ongelovigen straft, is moeilijk in de tekst te lezen. Het geeft iets ernstigers en diepers weer, n.l. de verharding, die over een deel van Israël uitgesproken is. Niet het hele volk is verhard, maar sommigen zijn verhard.
En als nu de Dordtse Leerregels de openbaring der Schrift, zoals die ook in 1 Petrus 2 : 8 tot ons komt willen weergeven, kunnen zij dit dan anders doen dan in artikel 15 is geschied?
Daar is toch duidelijk sprake van een besluit Gods om in de ongehoorzaamheid te laten. Zij is trouwens de mensen van nature eigen en er is een daad Gods nodig om het geloof te werken.
God werkt niet alleen het geloof. Het geloof is niet aller. God heeft sommigen gezet om in hun ongeloof zich te stoten. Het is niet dat God straf op het ongetoof heeft gesteld, doch Hij heeft deze personen tot ongeloof, tot verharding in ongeloof gezet. De leer der verwerping: is Schriftuurlijk. Dat hopen wij nog nader aan te tonen.
L.V.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 februari 1958
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 februari 1958
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's