ZWINGLI KOMT TE ZURICH
Op 27 december 1518, een dag van strenge koude, komt Zwingli te Zurich , aan. Hij is de nieuw benoemde prediker aan het Groot-Munster.
Zurich werd democratisch geregeerd. De burgers waren in 12 gilden verdeeld, de dertiende klasse bestond uit de adel, de geestelijkheid en de renteniers. Deze klassen wezen de leden der kleine raad van vijftig aan en de leden van de grote raad van tweehonderd. De kleine raad was het uitvoerend bewind, de grote trad op als wetgever. Geleerdheid werd onder de burgers weinig beoefend, maar de stiftsschool, waaraan Myconius leerde, wekte de lust daaroe enigermate bij het opgroeiende geslacht op. Het kapittel van het Groot-Munster, door Karel de Grote tot bevordering van godsdienst en wetenschap gesticht, had in de eeuwen van zijn bestaan weinig aan de bedoeling beantwoord.
De dag na zijn aankomst verscheen Zwingli voor het vergaderde kapittel. Daar werden hem zijn plichten voorgehouden. , , Hij moest tweemaal in het jaar uitvoerige plaatsen der Evangeliën voorlezen, des zondags prediken, de feestteksten verklaren, en de tijden lezen, of zorgen dat dit door een zijner twee toegevoegde helpers geschiedde. De overige punten betroffen het bijwonen der vergaderingen, de tucht, de kleding, het vieren der mis, de doop, de simonie, envoornamelijk de zorg voor de inkomsten van het kapittel ...."
Toen Zwingli dit aangehoord had, antwoordde hij : „Het leven van Jezus Christus, de Zaligmaker, is reeds te lang tot onere van God en tot nadeel van het christenvolk onbekend gebleven. Het is daarom mijn voornemen zijne geschiedenis te behandelen, zo als zij beschreven is door Mattheüs, die niet langer voor ons te vergeefs de naam van evangelist moet dragen. Ik zal dit evangelie verklaren niet naar menselijke uitleggingen (want ik zweer bij geen uitlegger), maar naar de mening van de Geest, die ik door vergelijking van Schrift met Schrift zal uitvorsen, en welke ik niet twijfel door hartelijke gebeden te zullen verkrijgen: alles Gode en Zijnen eniggeboren Zoon tot eer en tot waarachtig heil der zielen door onderwijzing in het ware geloof."
Op dit zeggen ontstond er grote beweging in de vergadering. Men trachtte hem van zijn voornemen af te brengen, maar hij bleef onverzettelijk.
Op zondag 2 jan. 1519 hield Zwingli zijn eerste preek. De opkomst was geweldig. Hij opende het Evangelie van Mattheüs en behandelde in een vrije trant het eerste hoofdstuk, met zodanige uitweidingen als de omstandigheden het schenen te vereisen. Hij toonde aan, wat het woord Evangelie betekent, wat deszelfs inhoud is en hoe groot een behoefte de zondaar daaraan heeft; want dat er voor hem geen andere weg ter verlossing bestaat, dan, afziende van alle eigene gerechtigheid, tot de barmhartigheid en genade van God, in Christus bewezen, de toevlucht te nemen. „God" sprak hij „heeft ons Zijn Zoon gegeven, opdat Hij ons geheel zou toebehoren. Deze, deze is onze gerechtigheid en onze volkomenheid voor God. Op deze alleen moeten wij vertrouwen, aan deze, onzen enigen Zaligmaker, moeten wij ons door een vast geloof overgeven. "Wanneer wij Zijn onmetelijke genade met een gelovig hart aannemen, dan zullen wij God in waarheid kennen, namelijk dat Hij onze lieve Vader is. Dan zal zich onze ziel tot Hem getrokken gevoelen en voor Hem van wederliefde gloeien. Dan zullen wij trachten Hem alleen welbehaaglijk te worden en in oprechtheid voor Hem te wandelen. Wij zullen ons dan ook met, alle zorgvuldigheid wachten, van zulk een genadige Vader ooit te beledigen.
De Geest is de leermeester; de Schrift is het orgaan van de Geest; en beide stemmen met elkander overeen. Wanneer onze geest geleerd is door de Goddelijke Geest en daarvan vervuld is, dan zal hij ook met de Schrift in overeenstemming zijn."
Groot was de indruk, die deze eerste preek maakte. Hij bleef dan ook vele mensen onder zijn gehoor trekken. Hij behandelde in de loop van vier jaren het gehele Nieuwe Testament. Daarbij hield hij zich niet aan de Vulgata, maar volgde de oorspronkelijke taal en trachtte in de ware zin der woorden door te dringen.
Toen Zwingli in Zurich kwam heerste er veel bederf der zeden onder alle standen. Er was geen achting voor het heilige en velen dreven openlijk de spot met de godsdienst en haar plechtigheden. Men gaf zich over aan uithuizigheid, klederpracht en allerlei ongebondenheid. Tegen al deze misstanden richt te Zwingli zich ook in zijn preken. Zonder onderscheid drong hij bij al zijn hoorders op kennis der zonde aan. Sprekende over Mattheüs 12 : 36 zeide hij: , , Dit woord veroordeelt alle mensen. Want alle mensen zijn leugenaars. Wie staat hier niet beschaamd? Wij hebben van elders geen getuigen of rechters nodig. Ons eigen geweten beschuldigt en overtuigt ons van zonde. Allen staan wij schuldig en veroordeeld. En indien dit in woorden is, wat zal het in gedachten en gedragingen zijn? O hoe onrein en geheel verdoemelijk zijn wij! Maar indien de onschuldige voor God niet onschuldig is, welke zou onze verdienste zijn, waarmede wij voor anderen ten goede zouden kunnen komen? "
Het bericht drong door, dat de aflaatverkoper Samson weer in aantocht was. Zwingli preekte tegen hem. Hij preekte, dat alleen Christus de zonde kon vergeven. „Wie u de vergeving van zonden voor geld zoeken te verkopen, zijn navolgers van Simon de tovenaar, zijn vrienden van Bileam; zij zijn de ware afgezanten van de Satan", aldus sprak Zwingli.
Als Samson zich bij de regering meldt als afgezant van de Paus, wordt hem voIgens gewoonte de erewijn aangeboden, maar hij krijgt meteen de mededeling, dat de regering hem niet in Zurich wenst te zien. Ondanks de boosheid van Samson wordt hij niet toegelaten en als hij blijft aanhouden, dreigt de regering een aanklacht tegen hem bij de Paus te zullen indienen. Dit helpt, Samson trekt af.
In de zomer van 1519 woedt de pest in Europa. In juli breekt deze ook in Zurich uit. Als Zwingli tot herstel van zijn gezondheid elders vertoevende dit verneemt, ijlt hij naar Zurich en beijvert zich dag en nacht de zieken bij te staan.
Doch in december wordt hij zelf op het ziekbed geworpen, aangetast door de pest. Hij komt aan de rand van het graf te liggen. Zijn gevoelens zijn uitgednifct in een lied, dat hij dichtte.
Help! mijn God!
help In dezen nood.
Ik zie, de dood Klopt aan mijn deur.
Sta, Heiland! bij! Want Gij hebt hem overwonnen.
Troost, God! Troost mij!
De krankheid stijgt.
Wee en angst grijpt Ziel en lijf aan.
Wend U tot mij
Schenk mij gena, mijn eenge Troost!
En als hij hersteld is dicht hij:
Gezond, mijn God!
Gezond! Ik keer
Tot leven weer.
Als 't U behaagt.
Het zondekwaad
Zal nu in mij
Niet meer heersen.
In 1519 is Zwingli ook in aanraking gekomen met de geschriften van Luther. Het evangelie van Gods genade heeft daarin tot hem gesproken, maar gedurende zijn ziekte heeft hij zich dit evangelie in persoonlijke ervaring toegeëigend. Hij heeft zijn nietigheid en zondigheid ervaren. Kohier zegt, dat het gezond, mijn God, gezond, meer betekent dan het uiterlijk herstel van zijn gezondheid. Hij omvat een wedergeboorte, veel dieper en ook veel vaster wortelend dan de niet van zelfgenoegzaamheid vrije hervorming van Erasmus. Een bekering heeft Zwingli niet beleefd, maar uit leer is leven geworden. Wat Luther verkondigde des mensen zonde en ellende, de nietigheid van de vrije wil tegenover diè goddelijke genade, dat weet Zwingli nu en heeft hij nn als innerlijk bezit. lö. december 1519 is Zwingli weer geheel hersteld. Zijn vrienden zijn zeer verheugd.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 februari 1958
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 februari 1958
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's