Hoe anderen daarover oordelen
UIT DE KERKELIJKE PERS
Wij hebben de discussie tussen dr. Buskes en dr. De Wilde gevolgd en ons oordeel niet onder stoelen en banken gestoken. Over het oordeel van dr. Roscam Abbing over het gesprek in „Woord en Dienst" hebben wij ons waarlijk verbaasd, omdat wij toch nog iets beters hadden verwacht. Onbegrijpelijk, dat iemand kan menen met zulk een houding ook maar de geringste dienst aan de Hervormde Kerk te kunnen bewijzen. Hét enigste, wat zulk een reactie kan uitwerken, is, dat alle bereidheid tot en alle zin van het gesprek, gedood wordt. En, als men er toch niets mee doet, zoals men met het bedoelde gesprek ook weer van plan schijnt te zijn, er niets mede te doen, is er niet veel mee verloren.
Het ligt voor de hand, dat dergelijke gesprekken ook in andere kerk-gemeenschappen met belangstelling worden gevolgd. Daarvan getuigt een artikel van prof. Brillenburg Wurth (naast andere scribenten, die van hun belangstelling blijk gaven) in 't „Gereformeerd Weekblad voor de opbouw van het Gereformeerde leven" d.d. 17 januari: Het slot van een gesprek.
Wij nemen daaruit 't volgende over :
Wij spreken tegenwoordig veel en gaarne over „existentieel". En wij zeggen, dat onze gesprekken een existentieel karakter behoren te dragen. M.a.w. het mag juist niet wezen een praten om te praten. Wij mogen niet in de beschouwelijke sfeer blijven. Er moet wat „uitkomen". Het moet ergens in resulteren. Het resultaat ervan moet zijn een decisie of althans het dichterbij brengen van een decisie. En gebeurt dat laatste niet, dan is een gesprek waardeloos en zelfs bedenkelijk.
Nu is er laatst binnen de kring van de hervormde kerk ook een gesprek gevoerd, dat wij met gespannen aandacht hebben gevolgd. Dat was niet de aandacht van een toeschouwer zonder meer. Het werd gevoerd binnen een kerk, waaraan wij, hoeveel ons ervan scheidt, ons toch ook verbonden weten, een kerk, waarmee wij zo hartelijk hereniging zouden begeren. En het ging over de laatste en diepste vragen, die het zijn of niet zijn van de kerk raken. Hoe zou men dan niet vol intense belangstelling dat aanhoren ?
Het was een gesprek tussen dr. J. J. Buskes en dr. A. de Wilde. De eerste kennen wij allen, de ander is een van de zeer begaafde en eerlijke figuren uit de middengroep der vrijzinnigheid, die in de laatste tijd altijd weer — zeer terecht — bezig is heel nadrukkelijk de vraag te stellen: is er voor ons in de huidige hervormde kerk, de kerk na de reorganisate van 1945, nog rechtens een plaats ?
Wij hebben vroeger al eens in ons Weekblad gevraagd: waarom krijgen dr. De Wilde en de zijnen maar nooit een antwoord ? Welnu, nu heeft hij een •antwoord gekregen. En het was een antwoord, dat in vele opzichten niet aan duidelijkheid te wensen overliet. Enige maanden geleden heeft prof. Ridderbos al eens iets ervan in ons Weekblad overgenomen.
Dr. Buskes en dr. De Wilde hebben een intensief gesprek gevoerd. Ze hebben wederzijds elkaar niet gespaard. En al zijn niet alle misverstanden weg- -geruimd — wanneer zullen die, ook in de kerk, ooit geheel weg te ruimen zijn — voor de goede verstaander was wat van beide zijden gezegd werd, overduidelijk.
Maar tegelijk bleken hier geweldige verschillen, ja, tegenstellingen te bestaan. Dr. de Wilde heeft niets gecamoufleerd. Hij is pijnlijk eerlijk geweest. Maar hij heeft zó zich uitgesproken, dat voor ons niet alleen een duidelijk antwoord gegeven werd op de vraag, of hij in de hervormde kerk thuis hoorde, maar ook of hij , , überhaupt" nog thuishoort in een kerk, die zich christelijk belieft te noemen.
Dienaangaande lijkt ons na zijn klare artikelen geen enkele twijfel meer open. Wiji oordelen niet over zijn hart, maar het gaat om zijn belijdenis. En als wij het begrip „christendom" nog langer een bijbelse inhoud believen te geven, dan is er geen sprake van, dat voor zo'n belijdenis, als hier werd afgelegd, binnen dat christendom nog ruimte kan zijn. En het komt ons voor, dat dr. Buskes dat ook wel vrij duidelijk heeft erkend. Hier klonken niet nu en dan vrijzinnige geluiden door een in wezen christelijk, bijbels getuigenis heen; dit was vrijzinnig in de meest radicale zin. Hier werden beschouwingen omtrent God en omtrent Christus verdedigd, zo apert spiritualistisch, althans volop relativistisch, dat wel niemand, die met het bijbels getuigenis ernst maakt, dit ook maar in de verte als bijbels accepteren kan.
Wij zeggen dat niet met vreugde, omdat wij, toen wij tot zo'n gesprek uitlokten, die wel vermoed hadden. Als mens hebben wij voor dr. De Wilde groot respect en grote sympathie. En daarom vonden wij het vreselijk, dat iemand als hij, die zich dienaar van het evangelie noemt, die zelfs in de leiding van de hervormde kerk een niet onbelangrijke plaats inneemt, zo duidelijk de waarheid naar de Schriften loochent.
Maar, hoe vreselijk wij dit ook vonden, iets anders vonden wij nog wel veel vreselijker, n.l. het artikel, waarmee de hoofdredacteur van het waardevolle blad: De dienst der kerk, dr. J. R. Roscam Abbing, iemand voor wie wij uit anderen hoofde nog veel meer waardering koesteren — b.v. om zijn voortreffelijke boekjes over zielszorg — de gedachtenwisseling tussen dr. Buskes en dr. de Wilde in zijn orgaan samenvat en afsluit. Wij nemen hier enkele gedeelten daarvan over, opdat onze lezers zelf kunnen oordelen.
Dr. Roscam Abbing schrijft o.a.: „De grote vraag is voorts of dr. de Wilde voldoende heeft weten te waken tegen de verzoekingen van relativisme en spiritualisme. Het gaat inderdaad om „de kwesties van de volstrektheid van de Godsopenbaring in Jezus Christus". En daarbij gaat het om het feitelijk leven. Natuurlijk wil hij zeker geen relativisme en waarschijnlijk ook geen spiritualisme. En alweer : er is geen vast recept om aan te geven waar relativisme en spiritualisme moet halt houden". En dan gaat hij even verderop voort: , , Het gesprek tussen rechtzinnigen en vrijzinnigen is gedurende de laatste eeuw zeer belangrijk verbeterd en vruchtbaarder geworden. Tussen orthodoxen en oudmodernen van de vorige eeuw was nauwelijks of niet gesprek mogelijk. Sindsdien hebben beiden zich in beduidende mate geheroriënteerd. Aan de rechtzinnige kant ontstond enerzijds een exegetisch-theologisch bepaald dieper verstaan van de zin der Schrift en anderzijds een grote openheid voor het verwerken van resultaten van wetenschappen, zowel van Schrift-, , kritiek" als van exacte wetenschappen. De geweldige arbeid van Karl Barth c.s. was in deze van grote invloed. En aan vrijzinnige zijde ontstond eveneens een exegetischtheologisch dieper verstaan van de zin der Schrift en anderzijds 'n grote reserve tegenover de wetenschappelijke cultuur der eigen tijd (die trouwens ook kritischer tegenover zichzelf werd). Daardoor werd het gesprek tussen beiden gemakkelijker.
Het is niet in te zien waarom dit proces bij beiden een eindpunt bereikt zou moeten hebben. De lezers van ons blad waren getuigen van 'n moment-opname van het gesprek tussen geheroriënteerde rechtzinnigheid en een nogal radikaal deel der vrijzinnigheid.
De historie verloopt echter lang niet altijd langs lijnen die wij van uit het verleden doortrekken tot in de toekomst. Het is niet zeker dat genoemd proces zich op gunstige wijïe zal doorzetten. Er is zelfs rede tot ernstige ongerustheid. Mijns inziens moeten de rechtzinnigen verder gaan met diep ernstig te luisteren naar de Boodschap van de Schrift om vandaar uit steeds opnieuw hun dogma's en te meer de formuleringen daarvan te toetsen, — en ondertussen het gesprek met diverse wetenschappen moedig en diepgaand te voeren; — en moeten de vrijzinnigen, met name ook de linksvrijzinnigen, even diep-emstig naar de Boodschap van de Schrift blijven luisteren om van daaruit de tirannen van relativisme en zelfs van spiritualisme te overwinnen en verder terug te wijzen, mede door een kritischer houding tegenover hun wereldbeeld of tegenover de invloed - daarvan op hen.
Dan vervolgt prof. Brillenburg Wurth: Het allerduidelijkste is daarbij wel dat wij steeds weer met nieuwe klem hebben te... bidden. Wij hebben te bidden om Gods levende Woord dat ons alleen werkelijk kan overtuigen en verenigen. Een gebed dat in onze eeuw niet onverhoord bleef, en dat wij na elk gesprek dat vast dreigde te lopen, te vuriger bidden. En als er iets is dat niet alleen nodig maar ook mogelijk is om samen te doen, dan is het dat."
Tot zover dat slot van het gesprek in Woord en Dienst. Dit vinden wij nu kort en goed ontstellend. Dr. Roscam Abbing behoort tot de kring van hen, die, volkomen terecht, altijd weer tot een existentiële benadering van de vragen opwekken. Maar heeft dit nu met een existentiële aanpak ook maar iets te maken? Is dit nu niet allerafschuwelijkst „beschouwelijk" ? Ontbreekt de existentiële ernst, waaraan vooral in het gesprek in de kerk van Christus alles gelegen is, hier nu niet ten enenmale ?
Dat hij er op wijst, dat nog niet alle misverstanden uit de weg geruimd zijn, akkoord! En dat hij opwekt om nog weer door te gaan, prachtig ! Maar hier wordt achter een gesprek, dat dwong tot een „Entscheidung", althans tot een spreken in de sfeer van de „Entscheidung", heel rustig, in de geest van volkomen theologische flegma, een punt gezet. Dit weten we nu. Ze hebben beiden hun best gedaan. Ze hadden het nog een beetje beter moeten doen. Er zijn nog allerlei problemen, die niet voldoende uitgepraat zijn. Maar over dingen, die door beide gesprekspartners met een grote duidelijkheid en ernst gezegd zijn, vooral over dingen, die door dr. de Wilde gezegd zijn en waarbij ieder rechtgeaard christen van ontzetting huiveren moet, wordt met geen woord gerept. Althans daarover wordt niets gezegd, waarin men ook maar enige zweem van verontrusting, laat staan van heilige verontwaardiging, kan beluisteren.
Is dat nu kerkelijk spreken wat dr. Roscam Abbing doet ? En dat nog wel in een blad, dat officieel zich stelt „in dienst der kerk"?
Wij kunnen het ons niet anders denken, of dr. Buskes en dr. de Wilde zelf moeten over dat „slot" wel stom verbaasd hebben gestaan en moeten dit wel als een krenkende teleurstelling hebben gevoeld. En talrijken — binnen zowel als buiten de hervormde kerk — moeten wel met diepe ontsteltenis zich hebben afgevraagd, of in deze sfeer nu de heiligste vragen van de kerk en haar belijden moeten worden besproken ? Wij schrijven nogal heftig. Wij hopen, dat men vooral van hervormde zijde zal verstaan, dat deze heftigheid haar oorzaak heeft in diepe teleurstelling. Wij zouden zo ziels-graag willen, dat er in het gesprek „in de ruimte der kerk" wat perspectief kwam, dat het niet bleef bij een wat rondpraten maar dat er decisies gingen vallen.
Daarmee bedoelen wij niet: „nu moet er maar eens op worden ingehakt". Wij begrijpen maar al te goed, hoe moeilijk het vraagstuk van de leertucht in de praktijk voor de hervormde kerk zal worden. Maar zoals dr. Roscam Abbing hier schreef en zoals men hem zonder tegenspraak in „Woord en dienst" heeft laten schrijven, dan wanhopen wij eraan, of er zelfs ook maar een begin van bereidheid is om met dit probleem ernst te gaan maken, (cursivering van mij, S.).
Dit was van het begin tot het eind een beschouwelijkheid, waarmee de kerk van Christus nooit één stap verder komen kan.
Maar nog wanhopen wij niet. Want daarvoor werken, gelukkig, dat zagen wij in de artikelen van dr. Buskes maar al te goed, in de hervormde kerk toch ook nog wel andere krachten. En tenslotte zal het Woord Gods, dat 'n Woord is, dat uiteindelijk tot gelovige , , Entscheidung" dwingt, toch ook daar zijn bevrijdende heerschappij blijven oefenen.
Dat bidden wij van God,
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 februari 1958
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 februari 1958
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's