DE DORDTSE LEERREGELS
Deze eeuwige en onverdiende genade van onze Verkiezing wijst en prijst ons de Heilige Schrift allermeest daarmede aan, dat zij wijders getuigt, dat niet alle mensen zijn verkoren, maar sommigen niet verkoren, of in Gods eeuwige Verkiezing voorbijgegaan, namelijk die, welke God naar Zijn gans vrij, rechtvaardig, onberispelijk en onveranderlijk welbehagen besloten heeft in de gemene ellende te laten, in dewelke zij zichzelf door hun eigen schuld hebben gestort, en met het zaligmakend geloof en de genade der bekering niet te begiftigen, maar hen, in hun eigen wegen en onder Zijn rechtvaardig oordeel gelaten zijnde, eindelijk niet alleen om het ongeloof, maar ook om alle andere zonden, tot verklaring van Zijn gerechtigheid te verdoemen en eeuwiglijk te straffen. En dit is het besluit der Verwerping, hetwelk God geenszins maakt tot een auteur van de zonde (hetwelk godslasterlijk is te denken) maar hem stelt tot haren verschrikkelijken, onberispelijken en rechtvaardigen Rechter en Wreker.
HOOFDSTUK 1. ARTIKEL 15
L. VROEGINDEWEIJ
Ditmaal zetten wij de bespreking van enkele teksten voort, waarin aanwijzingen liggen voor de leer der Verwerping, zoals deze in artikel XV is geformuleerd. Deze Verwerping is niet de oorzaak van de ellende der verworpenen. Zij hebben zichzelf onder Gods rechtvaardig oordeel gebracht, zij hebben gekozen om te wandelen in hun eigen wegen. Zij willen zich niet tot God bekeren. En nu is de Verwerping, dat God hen daarin laat en van eeuwigheid besloten heeft hen daarin te laten. Zij zijn daartoe gezet, lazen we in 1 Petrus 2:8. Wij gaan nu over tot 2 Tim. 2 : 20. , , Doch in een groot huis zijn niet alleen gouden en zilveren vaten, maar ook houten en aarden Vaten ; en sommigen ter ere, maar sommigen ter onere".
Wat mag dit betekenen ? We merken eerst op, dat al de vaten, die in een huis zijn, daar een plaats hebben gekregen en een bestemming door de heer des huizes. De Apostel constateert een feit uit het natuurlijke leven. Wanneer de bewoner van een huis een bepaald vat niet in zijn huis wil hebben, zo werpt hij het er uit. Trouwens, het komt er niet eens in zonder de wil des bewoners.
Waarop doelt de Apostel ? Hij heeft geschreven over de wijze waarop de predikers hun werk moeten doen. Zij moeten geen woordenstrijd voeren. Positief moeten zij het Woord der waarheid recht snijden. Zij moeten dus van de waarheid niet afwijken. Het moet dus een zorg zijn voor iedere predikant of hij het Woord Gods recht predikt. Maar wat is recht ? In de Kerk hebben wij de belijdenis om als meetsnoer te dienen, aangezien de belijdenis een kort begrip van het Woord Gods is. Ik vrees dat menige predikant zelf weet, dat hij van de belijdenis afwijkt, doch zich niet laat gezeggen door de Apostel. Moet de prediker alles maar goed vinden, wat andere leraars verkondigen ? Neen, de leraars moeten zich daartegen stellen : „stel u tegen het ongoddelijk ijdel roepen". Zo staat het In de bijbel.
Maar het is misschien zo, dat verkeerde leraars toch geen vrucht op hun arbeid zien ? Integendeel, zegt de Apostel. De verkeerde leer draagt ontzaglijk veel vrucht. Daar is ook geen middel tegen. De verkeerde leer eet voort als de kanker. Dit geldt naar twee kanten. 'Steeds meerderen komen onder de bekoring van de valse prediking. Zij is toch zo mooi. De natuurlijke mens heeft er toch zo'n plezier in. Doch dat niet alleen. Die valse prediking wordt steeds valser. , , Het gehele zieke organisme wordt steeds zieker en wordt tot een volkomen verderf gevoerd. Zó zal het worden tengevolge van de insluipende dwaling. Het lichaam wordt steeds zieker; de dwaling breidt zich gedurig verder uit en het proces toont steeds verergering in het organisme. Met dat organisme, dat lichaam, kan worden gedacht aan de zielen der dwalenden, die steeds verder in hun dwalingen verstrikt raken en van het ene tot het andere komen; maar ook aan het lichaam der kerk". Stelt de praktijk van onze dagen de waarheid van dit woord niet in een zeer helder licht ? Doch hoe moet het dan met de Kerke Gods ? De kanker der dwaling zal haar opeten. Hierop antwoordt de Apostel : , , Evenwel het vaste fundament Gods staat". De Heere zal altijd zijn 7000 hebben. Wat is dat vaste fundament ? Calvijn denkt aan de verkiezing. Ook de kanttekenaars der Statenvertaling delen deze opvatting. Anderen willen aan Christus denken. Hij is de Persoon op wie de gehele bouw der Kerk rust. Als men dit laatste bedoelt, dat Christus Jezus een volk wil hebben, vanwege de eeuwige Verkiezing ; God en dat het vaste fundament Gods vast staat, omdat het rust in Gods Raad, kan ik er wel vrede mee hebben. Daarheen wijst ten sterkste het opschrift van het fundament: , , De Heere kent degenen, die Zijne zijn". Dit kennen is het uitverkiezend kennen. , , Het door de aoustus uitgesproken verleden is niet het moment van de doop, maar aanduiding van de eeuwigheid, zodat hier wordt gesproken van de eeuwige voorkennis Gods". Bultmann spreekt van 't „kennen van de smart van God in de zin van verkiezen". De bedoeling van de Apostel met dit inschrift in het door God gelegde fundament der Kerk is deze, dat de Kerk der gekenden Gods veilig en vast worAt bewaard, ook al sluipt de dwaling en afval in haar midden in.
Waaraan zullen nu de ware gelovigen gekend worden? , , Een iegelijk, die de naam van Christus noemt, sta af van ongerechtigheid". Geloof moet zich openbaren in heiligheid des levens. Maar als nu dat grote huis de Kerk van God is, hoe kunnen er dan die dwaalleraars en ongelovigen in zijn ? Die kunnen er alleen zijn, als God ze daarin een plaats laat en een bestemming geeft. Dus zijn er — en dat gaat niet buiten God om — in de Kerke Gods vaten ter onere. Deze vaten moeten het vuil opnemen. En hoe meer vuil dit vat opneemt, hoe schandelijker dit vat zelf wordt. Nu moeten we in aanmerking nemen, dat het gaat over de diwaalleraars en hun volgelingen, die vol goddeloosheid en vol ongoddelijk ijdel roepen zijn en die van de waarheid zijn afgeweken. Het zijn mensen, die niet van God zijn gekend. Het gaat dus niet over zwakke en sterke christenen. Het gaat over godzaligen en goddelozen. En deze laatste zijn in het huis der Kerk niet buiten God om, want het is er net mee als met een groot huis, waarin ook vaten ter onere zijn. Daar zijn valse leraare en ongelovigen in de kerk. Zij hebben een plaats in de kerk. Zij dienen Gods Raad hoewel zij straks als goddelozen, indien zij blijven die zij zijn, zullen worden weggeworpen. Hun ongeloof en dwaalleer komt voor hun eigen rekening, doch God heeft ze gesteld in Zijn huis. Zij moeten daar dienen, zij het tegen hun bedoeling in. Het is echter tot onere voor henzelf. Men moet hier wel denken aan de woorden uit 1 Petrus 2:8: , , waartoe zij ook gezet zijn".
Van vaten ter onere wordt ook gesproken in Romeinen 9 : 21 : „Of heeft de pottenbakker geen macht over het leem, om uit dezelfde klomp te maken het éne vat ter ere, en het andere ter onere ? "
In vers 18 is reeds gezegd : , , Zo ontfermt Hij Zich dan, diens Hij wil, en verhardt, wien Hij wil."
De Farao is hier ten voorbeeld gesteld. Deze is door God verwekt om geboren te worden en koning te zijn. Die Farao is lijnrecht tegen Gods bevelen ingegaan. Nochtans heeft hij alleen Gods Raad gediend. Farao heeft zich verhard. Doch dit heeft ook b.v. Manasse gedaan. God heeft echter onderscheid gemaakt. Hij heeft zich over Manasse ontfermd en in hem een verbroken hart gewerkt en Farao heeft God verder verhard. Zo beschikt de Heere souverein over allen. Maar als God dat doet naar Zijn souverein en vrij welbehagen, blijft er dan nog oorzaak voor bestraffing over ? Dat is de vraag van Romeinen 9 : 19-21. Het is volkomen duidelijk onderwijl, dat God niet alleen het geloof schenkt, doch bv. een man als de Farao voorbijgaat en laat in het verderf, waarin hij zichzelf heeft gebracht. Maar vervalt dan niet de verantwoordelijkheid van de mens ? De Apostel redeneert daar niet over. De mens heeft niet het recht om zulke dingen te vragen. Gods hoogheid en des mensen nietigheid maken dat ongeoorloofd. , , Of heeft de pottenbakker geen macht over het leem". Bij de pottenbakker is er geen sprake van, dat het leem enige invloed heeft op de bestemming. Zo is ook God volkomen vrij tegenover de mens. Hij bestemt tot de heerlijheid, maar ook tot het verderf. Want het gaat hier niet zo maar over een bepaalde dienst, die voor de een wat makkelijker uit kan vallen dan voor de ander. De volgende verzen maken duidelijk, dat het gaat over mensen, die tot het verderf zijn toebereid en ook over mensen, die God te voren tot heerlijkheid heeft bereid. Van de vaten des tooms wordt niet gezegd, wie hen tot het verderf bereidde. Wel dat God hen in Zijn lankmoedigheid gedragen heeft, hoewel zij in een vloekwaardige toestand waren. Dat zijn immers alle mensen van nature door hun val.
Doch nu zijn er ook nog anderen. In zichzelf zijn ze even vloekwaardig. Doch zij zijn vaten der barmhartigheid. God verheerlijkt Zichzelf aan hen door deze vloekwaardigen in zichzelf toe te bereiden tot heerlijkheid. Van de eersten staat niet, wie hen tot het verderf bereid heeft. Doch wel is er een onderscheid. God heeft hen niet tot heerlijkheid bereid. De Heere is hen voorbijgegaan met deze toebereiding. In het Grieks worden twee verschillende woorden gebruikt voor het bereiden. Het woord in vers 22 betekent: iets afmaken, iets dat begonnen is voleindigen. Het woord in vers 23 betekent: iets nieuws scheppen of iets in een nieuwe vorm brengen. Met dit laatste is God de verworpenen voorbijgegaan. Dat is reeds vóór de tijd geschied. God heeft ze reeds in Zijn eeuwige Raad tot de heerlijkheid bereid. Men kan toch moeilijk zeggen, dat God geen onderscheid maakt en dat artikel 15 geen wortels in de Heilige Schrift heeft. In 't kort vestigen wij ditmaal nog de aandacht op Matth. 7 vers 23 en Matth. 25 vers 41. In het eerste vers lezen wij : , , En dan zal Ik hen openlijk aanzeggen : Ik heb u nooit gekend; gaat weg van Mij, gij, die de ongerechtigheid werkt". Het gaat hier over bijzondere mensen. Zij hebben duivelen uitgeworpen en in de naam des Heeren grote dingen gedaan. En toch zijn zij werkers der ongerechtigheid. Zij hebben de Aivil Gods niet gedaan. Maar ook : de Heere heeft hen niet gekend.
Bultman, zo zagen we, spreekt bij 2 Tim. 2 : 20 over een kennen Gods, dat een uitverkiezen is. Hij verwijst daarbij ook naar deze tekst. Hier is sprake van mensen, die de Heere Jezus nooit gekend heeft. Dus er was in tijd noch eeuwigheid een band. Zij waren kwade bomen. En waar nu elk mens als een kwade boom geboren wordt en alleen wedergeboorte tot een goede boom maakt en deze totale vernieuwing een werk Gods is, zijn er ook hier weer, die zijn voorbijgegaan. Christus heeft hen nooit gekend. Het rechte geloof is niet in hen ontstoken. Zij schenen er bij te horen, doch behoorden er niet echt bij..
In Matth. 25 : 41 lezen we : , , Dan zal Hij zeggen ook tot degenen die ter linkerhand zijn : Gaat weg van Mij, gij vervloekten ! in het eeuwige vuur, hetwelk de duivel en zijn engelen bereid is". Deze vervloekten staan tegenover de gezegenden in vs. 34. Hun wordt toegeroepen : „Beërft het Koninkrijk, hetwelk u bereid is van de grondlegging der wereld". Kennelijk is aan de vervloekten dat Koninkrijk niet bereid vanaf dit begin der wereld. En dat het bereid is van^ af de grondlegging voor de gezegenden wijst er op, dat hun zijn in Christus en hun werken van God voorgezien en gewerkt zijn. Zo is er ook hier weer een voorbijgaan van sommigen, een onderscheid maken dat teruggaat tot vóór de grondlegging der wereld. Het is eigen schuld van de vervloekten en het is vrije genade voor de gezegenden.
L.V.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 februari 1958
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 februari 1958
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's