Boekbespreking
Doopsgezind Gemeenteleven. Uitgevers Mij. Holland, Amsterdam '57. Prijs ƒ 2, 50.
Het boekje is verzorgd door de Ecclesiologische Studiegroep „Geloven en Werken". Het eerste boekje, dat aan dit voorafging draagt tot titel: Doopsgezind belijden nu. Dit handelt over de problemen der gemeente in haar velerlei activiteiten.
Vijf hoofdstukken: De gemeente en de éne kerk. De gemeente in dienst en ambt. De eredienst der gemeente. De gemeente thuis. De gemeente en haar kinderen.
Men ziet, een geschikt werkje om het Doopsgezinde Gemeenteleven enigermate te leren kennen. Niet alleen om te constateren, dat dezelfde vragen daar aan de orde zijn, die wij ook bij ons kennen, maar het is goed om uit het oogpunt van belijden, deze mensen wat nader te leren kennen. Aangenaam is het om telkens verwantschap en zelfs gemeenschap met ons geloofsleven aan te treffen. Ook verschilpunten komen daarbij naar voren.
Om een punt te noemen: De Bijbel!
Op blz. 40 leest men: Naar onze mening geeft de Bijbel ons een menselijk getuigenis omtrent Gods Woord. De bijbel is hier een menselijke oorkonde aangaande het Woord Gods en zo zet deze stelling een onderscheiding tussen deze menselijke oorkonde en Gods Woord.
Vele Hervormden en Lutheranen zijn van dezelfde mening, maar de Ned. Geloofsbelijdenis niet.
In de Hervormde pers zou men ook kunnen lezen: „Uitgangspunt en doel van iedere prediking moet zijn: de Bijbel als levend boek van gezag voor deze tijd te laten spreken door middel van menselijke woorden" (blz. 4).
Ziet, daarin, is voor ons iets onhoudbaar tegenstrijdigs. De Bijbel is volgens deze beschouwing reeds menselijk getuigenis, menselijke oorkonde aangaande Gods openbaring. En nu moet de prediker deze menselijke oorkonde ook weer in zijn menselijke woorden laten „spreken als levend boek van gezag voor onze tijd".
Voor ons gevoelen kan een menselijke oorkonde aangaande de openbaring geen levend boek zijn en kan een mens zulk een oorkonde niet tot een levend boek maken.
Welk gezag kan een menselijke oorkonde omtrent een Godsopenbaring hebben? Welke waarborg is er, dat die menselijke oorkonde een juist verslag geeft van de Godsopenbaring?
Het Woord Gods gaat schuil achter de oorkonde en achter de prediking van de oorkonde der openbaring. Toch zegt men, dat alleen de Heilige Geest de mens onder „beslag van Gods Woord kan brengen", het van „Godswege" doen verstaan (vgl. blz. 41).
Gods Woord is volgens deze beschouwing zelfs niet als in een kleed van menselijke woorden gehuld, en nog minder is het in de prediking gehuld als in een menselijk gewaad, want wat anders is Gods Woord en wat anders de menselijke oorkonde daarvan.
Ten slotte is het eigenlijk slechts een mensenwoord, dat door de Heilige Geest wordt ontvangen van Godswege. Het mensenwoord wordt instrument van de Heilige Geest. Het is dan ook duidelijk, hoe men zich zo vrij kan maken van de letter van de Schrift (en ook van de Geest) zodat er van het Goddelijk gezag der Heilige Schrift weinig anders overblijft dan het gezag van hetgeen iemand persoonlijk voorkomt van Godswege te zijn.
Bij dergelijke beschouwingen dreigt alle objectieve waarde en betekenis der Godsopenbaring zoek te raken. Van gemeenschap des geloofs kan ternauwernood sprake meer zijn bij zulk een willekeur. In de grond der zaak moet dit subjectivisme opheffing van de Christelijke religie als zodanig en uit de aard der zaak algehele ontbinding van het kerkelijk leven ten gevolge hebben.
S.
Communicatie, een tijdvraag. Dr. H. Kraemer Uitgave Boekencentrum, N.V., Den Haag 1957, 148 pag., prijs geb. ƒ 6, 75.
Dit boek bevat de lezingen, die prof. Kraemer in begin '56 te Toronto voor het John Knox college heeft gehouden. Met de aan de schr. eigen persoonlijke aanpak worden de vragen rondom communicatie, welk woord op het ogenblik meer in zwang is dan approach, aangesneden in een bloeiende stijl en met een bewonderenswaardige rijkdom van woorden. Wij beleven, zegt schr., een geweldige afbraak van de mogelijkheid van het werkelijke gesprek. Communicatie van het Evangelie kan niet beschouwd worden als één van de vele -vormen van communicatie; het eigenlijke doel is niet overtuiging, maar bekering. Diepgaande beschouwingen wijdt schr. aan de taal, het voornaamste middel van communicatie; breed gaat hij in op de saecularisatie en de oorzaken daarvan. De Kerk is evenzeer als de wereld, of schoon op verschillende wijze, volstrekt gesaeculariseerd.
In een vijftal hoofdstukken behandelt schr. zijn onderwerp : Communicatie in bijbels perspectief, in de geschiedenis van de Kerk; psychologische, sociologische en culturele factoren; terwijl de laatste twee hoofdstukken handelen over de breuk in en het herstel van de communicatie.
Er staan zeer veel opmerkingen in die tot ernstig nadenken dwingen: sprekende over de verharding des harten zegt schr., dat het nooit verstandig is een aspect van duidelijk bijbels onderricht te verwaarlozen. Elders zegt schr. dat in de bijbel de onlosmakelijke verkondiging van het Evangelie altijd is een onlosmakelijke eenheid van subjectiviteit en objectiviteit. Bij al de waardering, die schr. heeft voor Bultmann, meent hij toch, dat hij een typisch liberale theoloog is.
Scherp stelt schr. zich tegenover de gedachte van de onfeilbaarheid van de Bijbel. Volgens schr. zou het gezag van de bijbel geschokt zijn omdat het berustte op een verkeerde grondslag, n.L, die van de onfeilbaarheid van de bijbel. Aan de onfeilbaarheid van de Schrift houd ik met de Belijdenis vast, maar bij de fundamentalisten wil ik niet gerekend worden en ook is de leer van de onfeilbaarheid bij de leerlingen van Calvijn niet het eerste geloofsartikel.
Naar schrijvers mening is één van de voornaamste middelen om de breuk in de communicatie te herstellen met ieder, die zich daar maar toe laat overreden, de Schriften te onderzoeken zonder enige theorie omtrent de Bijbel. Maar dit is m.i. niet mogelijk. Ik kan niet zonder „vooroordelen" tot de Schrift naderen. „Ieder, die zich maar laat overreden" heeft een idee over het boek, dat hij gaat lezen, een beschouwing, d.i. een theorie, al is hij zich daarvan niet of niet volkomen bewust.
Met grote interesse heb ik dit belangrijke boek bestudeerd.
Bt.
Ezechiël
verklaard door prof. dr. G. Ch. Aalders, deel II. UitgeversMij J. H. Kok N.V., Kampen, 1957. 368 pag., prijs geb. ƒ 18, 50, —.
Telkens wanneer één van de delen van dit grote Commentaar op het Oude Testament verschijnt, verblijdt het ons, dat het mogelijk is, dat een dergelijk wetenschappelijk werk in het nederlands verschijnt en nog wel in een voorname, royale uitvoering tegen een prijs, stellig lager dan men voor soortgelijke buitenlandse werken moet neertellen.
Dit tweede deel van Ezechiël behandelt de hoofdstukken 25 tot 48. Prof. Aalders blijft zichzelf volkomen gelijk; hij is een geleerde van de „oude" school, die met grote eerbied voor de Schrift naar de juiste verklaring en vertaling zoekt en die niet aarzelt meer dan eens te verklaren, dat het buitengewoon moeilijk is uit te maken, wat de profeet in een bepaalde plaats bedoelt. Een gezonde regel voor tekstcritiek, die schrijver meermalen toepast is : het is nog geen bewijs van onechtheid van een tekst, als exegeten moeite met haar hebben. Hoe menigmaal is dit vergeten en bedachten de commentatoren niet, dat amputatie het allerlaatste middel is, waartoe de chirurg overgaat. Ook in dit werk blijkt weer, welke hoge eisen het boek Ezechiël aan de verklaarder stelt. Schr. heeft ook de nieuwere literatuur geraadpleegd en dat zegt heel wat als men bedenkt, hoeveel er de laatste jaren met name over Ezechiël is verschenen en de stroom houdt niet op. Met het werk van J. Gray, The legacy of Canaan (The Ras Shamra texts and their relevance to the Old Testament, 1957) heeft blijkbaar schr. geen rekening meer kunnen houden bij de samenstelling van zijn manuscript. Ik denk aan de interessante beschouwingen, die Gray wijdt aan hoofdstuk 32 : 6 — Bij de „vurige stenen" uit c. 28; 14 dacht ik aan de opmerkingen van M. H. Pope in : El in the Ugaritic texts (1955). In het algemeen aan het werk van dr. J. W. Miller, Das Verhaltnis Jeremias und Ezechiëls sprachlich untersucht (1955) en bij de behandeling van h. 40 aan Th. Charry, Les prophètes et Ie culte a partir de l'exil (1955).
Verder op één en ander in te gaan valt buiten het kader van ons blad.
Hartelijk bevelen wij deze arbeid bij onze predikanten en studenten aan; het is onmisbaar in een theologische bibliotheek. Ik hoop, dat het schr. gegeven mag worden nog lang zijn medewerking te geven aan deze commentaar en ik geloof dat menigeen het met mij zal toejuichen als het theologische moment in de verklaring sterker naar voren komt.
Bt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 februari 1958
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 februari 1958
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's