LICHT en SCHADUW
In de maand mei 1522 verspreidde zich in de Zwitserse kantons 'n gerucht, dat alle harten met rouw vervulde. Het bleek spoedig maar al te waar te zijn. Niet ver van Pavia hadden hun legerbenden een vreselijke nederlaag geleden. Er waren van hen 3000 man op het slagveld gebleven. Nog altijd was het hertogdom Milaan het toneel der worsteling tussen de keizer en 't roomse hof aan de ene zijde en de koning van Frankrijk aan de andere zijde. Al de kantons hadden Frankrijk hulptroepen geleverd, met uitzondering alleen van Zurich, dat zich, hoe ook van beide zijden aangezocht, mede op aandrang van Zwingli geheel onzijdig gehouden had. De nederlaag was aan de kant der Fransen zo volkomen, dat zij al hun bezittingen in Italië verloren. De Zwitsers keerden geheel ontmoedigd, en bovendien door de Fransen zelf smadelijk behandeld, naar hun vaderland terug. Vooral in het kanton Schwytz bracht deze treurige uitkomst een diepe indruk teweeg, zodat de regering overwoog, om zich, op het voetspoor van Zurich, van alle verbintenissen met buitenlandse vorsten los te maken.
Toen Zwingli deze stemming der gemoederen vernam, achtte hij het ogenblik gunstig, om een ernstig woord te spreken tegen de in zijn oog verderfelijke verbintenissen. Zo schreef hij in drie dagen het geschrift: Vermaning aan die van Schwytz, dat zij zich van vreemde krijgsdiensten losmaken, gedagtekend 16 mei 1522.
Hij vangt aan met te herinneren, dat God de mensen door onderscheidene banden aan elkander verbonden heeft, bijzonder de christenen, welke daarom zoals de apostel zegt, één lichaam en één geest behoren te zijn; waaruit hij de conclusie trekt, dat de ware oorzaak van alle tweedracht is gelegen in gemis aan godsvrucht en in ongeloof. Waar men God verlaat en op zichzelf vertrouwt, daar volgen noodzakelijk allerlei zonden als een rechtvaardige straf der goddeloosheid. Maar de mensen zijn zo rampzalig, dat zij niet zien willen, hoe God van hen geweken is, ofschoon zij het aan hunne vele zonden als een duidelijk bewijs konden zien. God was met de vaderen geweest en had hun de vrijheid, voor welke zij , in Gods kracht om der wil van vrouw en kinderen tegen een overmoedige adel gestreden, als een gunstbewijs geschonken. Maar het tegenwoordige geslacht, machtig geworden zijnde, roemt met vergeting van God in zijn eigen ingebeelde sterkte. Wij zoeken niet anders dan met hoogmoedig zelfbehagen onze naam uit te breiden. Wij roemen: , , dit hebben wij gedaan, dat zullen wij doen; wie kan ons wederstaan ? " alsof wij met de dood een verbond hadden gemaakt.
Daarom heeft het de satan de buitenlandse vorsten in het hart gegeven, om tot ons te zeggen: , , Gij sterke helden, wat zit gij daar rustig in uw gebergte? Dient ons om soldij. Dat zal u een grote naam en rijkdom geven, en uw moed en dapperheid zal gevreesd worden !" En wij, eenvoudige Zwitsers, hebben ons in deze strik laten vangen en niets dan ellende over het vaderland gebracht.
Zwingli besluit zijn geschrift met deze vermaning: Daarom ik vermaan u bij de liefde van Jezus Christus, die voor ons geleden heeft, bij. de nagedachtenis onzer vaderen, bij het bloed, dat zij gestort hebben om ons de vrijheid te verwerven, wacht u voor het geld der vreemden, dat ons verderf berokkent. Laat u noch door beloften, noch door dreigingen vervoeren. Volgt het voorbeeld van Zurich, die door wijze en gestrenge wetten het kwaad beteugeld hebben. God versterke u in uw goede voornemens !
Zwingli smaakte de voldoening, dat zijn vrijmoedig en ernstig woord in goede aarde viel. De volksvergadering van Schwytz droeg de landschrijver op, om hem op de meest vleiende wijze te antwoorden; en kort daarop vaardigde zij een wet uit, waarbij voor een tijdvak van 25 jaren alle verbintenissen en jaargelden verboden werden.
Een volgend geschrift van Zwingli en vele anderen deed veel stof opwaaien. Het verschijnen was 'n belangrijke stap voorwaarts op de weg der hervorming. In juli 1522 verscheen in de Duitse taal: een vriendelijke vermaning aan het algemene Zwitserse Bondgenootschap, om de verkondiging van het evangelie niet te verhinderen, noch zich tegen het huwelijk der priesters te verzetten. Een schrijven met een zelfde inhoud in het latijn werd aan de bisschop gezonden. Het evangelie, dus luidt het in het eerste geschrift, dat thans weder verkondigd wordt, is niet anders dan. wat God van het begin der wereld af heeft laten verkondigen, namelijk Zijn genadige gezindheid, om het rampzalige mensdom tot de kennis van Hem als Vader terug te brengen, inzonderheid wat Hij door Zijn Zoon, in Wien Hij de onuitputtelijke bron Zijner genade geopend heeft, tot verlossing van zondaren gedaan heeft. Hij is de ware evangelieprediker, die geen moeite noch zorg spaart, daarentegen alle krachten inspant, om de kennis van Gods wil en bedoelingen dagelijks uit te breiden en Zijn eer te verhogen, opdat daardoor de zondaars tot bekering gebracht en de treurenden en bekommerden vertroost worden; die daarbij niet zijn eigen voordeel, roem en eer op het oog heeft, maar uitsluitend het heil der mensen zoekt.
Daarom, lieve heren, wie er ook zijn mogen, die, beducht voor het verlies van hun tijdelijke voordelen, u zouden willen bewegen, om de prediking van het evangelie te verbieden, of die het slechts derwijze willen hebben voorgedragen, dat zij ervoor hun tijdelijk belang geen schade van lijden, noch dat hun schandelijk gedrag daardoor aan het licht wordt gebracht: hoort naar hen niet, indien gij niet wilt dat de toorn Gods over u komen zal. Het is reeds een vermetele zaak, wanneer een mens zich door de raad van een ander wijzer mens niet wil laten besturen en verbeteren ; maar hoeveel vermeteler is het dan, wanneer een mens aan God gehoor weigert. Wat ons aanbelangt, ons voornemen staat vast, om het evangelie zo zuiver en getrouw te prediken als ons mogelijk is; want niets is noodzakelijker in onze bedorven tijden.
Vervolgens wordt in een scherpe hekeling gewaagd van de schandelijke zeden der toenmalige geestelijkheid, die voornamelijk aan haar gedwongen echteloos leven worden toegeschreven. Wij, heet het, wij zijn der wereld tot een ergernis en geven haar het voorbeeld der onkuisheid. Maar de schuld daarvan is te wijten, deels aan de driften der jeugd, die zich niet licht onder de tucht laten brengen, deels vooral aan diegenen, die ons niet van de gelofte der kuisheid willen ontheffen, hoewel zij zelf weten, dat zij noch door anderen, noch door henzelf kan gehouden worden.
Daarop worden uit de H. S. elf plaatsen aangevoerd en op 'n treffende wijze daaruit aangetoond, dat het huwelijk der priesters bij niet één goddelijke wet is verboden. Door deze gronden der H.S. zijn wij bewogen geworden, om ons met ons verzoek tot u te wenden, dat gij ons toelaten wilt, huwelijken te sluiten, en die reeds gesloten zijn openlijk te laten bevestigen.
Het is te begrijpen, dat dit verzoek grote deining veroorzaakte. Een oude traditie werd hiermede aangetast en ondermijnd.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 maart 1958
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 maart 1958
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's