De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Toenemende strijd

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Toenemende strijd

7 minuten leestijd

7

De spanning nam in Zurich toe door de strijd, die Zwingli voerde met de monniken. Reeds van de aanvang af had hij zich nadrukkelijk tegen hun schraapzucht en gierigheid uitgelaten, Zelfs op de preekstoel spaarde hij hen niet, maar waarschuwde het volk tegen hun leringen en zeden. Eens liet hij zich in het vuur zijner rede zelfs de uitdrukking ontvallen, dat de monnikenorde een uitvinding van de duivel was. De monniken van hun kant voeren niet minder heftig tegen hem en zijn prediking uit. Het kwam zelfs tot schelden en lasteren, maar dan gebeurde het niet zelden, dat sommige heethoofden de prediker openlijk in de rede vielen met te zeggen : , , gij liegt, monnik !", zodat er in de kerk grote opschudding ontstond-

Op 7 sept. 1522 hield Zwingli voor het eerst een predikatie voor de kloosterzusters in de kloosterkerk, nadat de raad van Zurich een besluit had genomen, dat de wereldlijke priesters der hoofdkerken daar mochten preken. Zijn onderwerp was de duidelijkheid en de zekerheid van Gods Woord.

De grenzenloze haat, die de monniken Zwingli toedroegen, bleef niet zonder gevolgen.

In het begin van mei 1522 werd er een brief bij hem bezorgd uit de verte en van een onbekend persoon, waarin de dringendste waarschuwingen vervat waren, zodat hij zich zeer verwonderde. Er stond ó.a. het volgende in : Wanneer gij ooit voor uw leven zorg gedragen hebt, dan moet gij het thans bovenal doen. Want gij zijt omringd van hinderlagen men heeft u overal valstrikken gelegd ; er is dodelijk vergif bereid, om u uit de weg te ruimen. Daar de goddeloze schelmen u niet openlijk durven aangrijpen, willen zij u, evenals keizer Claudius, door' een giftige pil van de aarde verdelgen, en zij zullen die in het geheim in uw spijs doen bereiden. Neem u derhalve zoveel in acht, als gij kunt!

De volgende dag ontmoette een medehelper van Zwingli een kapelaan, die tot hem zeide : , , Zwingli moet zich wel in acht nemen, van wien hij vlees en brood koopt".

Dit alles was echter niet in staat om Zwingli's moed te breken. , , Het huis Gods", schreef hij aan zijn vriend Myconius, , , wordt geschud, geslagen, ja, van stormen gebeukt, zodat, indien ik op de Heer niet mijn oog gevestigd hield, ik reeds sedert lang de sleutel daarvan zou weggeworpen hebben. Maar daar ik duidelijk zie, dat Hij, die over wind en storm het gebied voert, het staande houdt,  zou ik wel een trage dienstknecht zijn, indien ik mijn plaats verliet, al moest ik ook zelf daarbij op een schandelijke wijze omkomen. Ik beveel mijzelven aan zijne barmhartigheid aan. Hij regele mijn lotgevallen. Hij doe mij blijven of vergaan, naar dat het Hem behaagt. En welk een sterflot Hij ook mij bereiden moge, ik geef mij ten enenmale aan Hem over".

In sept. 1522 zou weder het zevenjarig feest der engelenwijding te Einsiedlen aanbreken. Zwingli zou bij die gelegenheid de feestpredikatie houden. Hij hield daar dezelfde preek, die hij op 25 maart reeds in Zurich had gehouden over de altijd reine maagd Maria.

Begeven wij ons in gedachten naar de kloosterkapel. De wanden kunnen de opeengedrongen scharen niet bevatten. Rijken en armen, edelen en geringen, allen zijn met de geest der diepste devotie vervuld. Allen knielen met aanbidding. voor het Mariabeeld neer. Het ave Maria ! gaat uit aller harten op tot de middelaresse Gods en der mensen. Zwingli ziet met innig medelijden op de verblinde menigte. Zijn hart ontsteekt in zijn boezem, omdat men God de ere onttrekt en haar aan het schepsel wijdt.

Hij begint aldus :

Wie leert, dat God zowel heilig en rechtvaardig als barmhartig en genadig is, en deze leer met bewijzen uit de H. Schrift staaft, hij mag een leraar der waarheid genoemd worden. Maar welk een naam zullen wij aan hen geven, die zeggen, dat een zondaar de strenge rechtvaardigheid Gods door de verdienstelijkheid van goede werken kan verzoenen ; die daarenboven het zich aanmatigen, om de graden der zondigheid te bepalen en naar willekeur de verschillende soorten van straffen vast te stellen, waarvan men dan weder zich met geld kan vrij kopen, en die hiermede geen ander oogmerk hebben, dan hun wellusten, hun hebzucht en hun hoogmoed te bevredigen ? O, zij dwalen schromelijk, en wandelen in een vreselijke duisternis.

Men beschuldigt mij van godslastering, alsof ik de gezegende maagd haar eer ontroof. Maar ik werp die beschuldiging verre van mij. Hoort, wat ik belijd te geloven. Ik geloof, op grond van het evangelie, dat Maria, als een reine maagd, de Zoon van God heeft ter wereld gebracht, en in eeuwigheid een reine maagd gebleven is. Ik vertrouw ook dit vastelijk, dat zij door God boven alle zaligen en engelen verhoogd en in de eeuwige vreugde opgenomen is- Maar welk een eer zij ook ontvangen heeft, hiervan ben ik verzekerd, dat zij haar voornaamste eer aan haar Zoon ontleent, en haar vreugde een vreugde in Hem is, gelijk zij zelf in haar lofzang zegt: Mijn ziel verheugt zich in God, mijn Zaligmaker. Wat bidt men haar aan, zeggende ave Maria, vol van gratie ! Verstaat het wèl. Christenen ! De, engel kwam tot Maria en zeide tot haar : Wees gegroet, gij, die vol van genade zijt! De Heer is met u. Gij zijt gezegend onder de vrouwen ! Maar dit: gij die vol van genade zijt!, wil niet zeggen, dat zij, als ware zij der Godheid gelijk, een schat van genade bezit, om die aan anderen uit te delen. Het geeft te kennen, dat zij bij God genade gevonden heeft, en boven alle vrouwen Zijn gunst deelachtig geworden is.

Begrijpt ook dit! De groetenis des engels is geen gebed. Want indien het bidden daarin bestaat, dat wij iets van God begeren : wat is er in deze groetenis, dat naar een begeerte of een verzoek gelijkt ? Zien wij toch toe, dat wij Maria geen hogere eer bewijzen dan zij door Gods genade is waardig geacht; namelijk dat zij de moeder geworden is van Jezus Christus, de Zaligmaker der wereld ! Men smade en lastere mij vrij, terwijl ik dit zeg. Want het enig doel van al mijn streven is, de mensen te leren, dat zij het Godswoord stellen boven het mensenwoord.

Welk een stompheid van geest is het, dat men waant door het zeggen van : Wees gegroet, Maria ! zich bij haar aangenaam te kimnen maken. Al zegt men ook honderd duizend maal : wees gegroet, Maria !, men komt daarmede geen stap nader tot het Koninkrijk der hemelen. Bedenkt en betracht liever de leer, de armoede, het werk en het lijden en sterven van Christus. Want dat is het beste gebed, dat men doen kan. Wilt gij Maria vereren, dat kan alleen geschieden, wanneer gij de weldaden, die de Zaligmaker voor de wereld verworven heeft, dankbaar erkent en voor alle uwe zonden tot Hem de toevlucht neemt. Want buiten Hem, die onze verzoening geworden is in Zijn eigen bloed, is daar geen Middelaar tussen God en mensen. Dat is de enige weg. Maar de allerverderfelijkste dwaling is het, te geloven, dat men door het opzeggen van zoveel en zoveel: ave Maria ! zoveel en zoveel aflaat van zonden zou kunnen verkrijgen.

Die dwazen, die op hun ijdel woordengeklap hun vertrouwen stellen, maar het enige waardige gebed, dat niets anders is dan een kinderlijk opzien tot God, en waardoor de mens dagelijks meer van zonde gereinigd wordt, verzuimen en verwaarlozen.

Wilt dan uw ziel in de hemel tot God, onze Vader, verheffen en bidt Hem, dat Hij zijn genade u niet onttrekke, en dat Hij in u het ware geloof vermeerdere, opdat gij in de verleidingen dezer wereld moogt staande blijven. En vereert Maria, door de Zoon Gods, die uit haar geboren is, met geheel uw hart lief te hebben en te doen, wat Hij u geboden heeft. Want hoe meer Christus in de wereld door dankbare liefde en gehoorzaamheid gediend wordt, des te meer zult gij Maria vereren. Want zij begeert geen andere eer dan deze.

Aldus preekte Zwingli.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 maart 1958

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Toenemende strijd

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 maart 1958

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's