„Christus onder de moordenaars”
„Indien Gij de Christus zijt, verlost U zélf en ons" „Heere, gedenk mijner..." Lucas 23 : 39-43.
Wij willen een ogenblik stilstaan bij drie personen, wier leven onder de bittere kruisdood wegsterft op Golgotha. Willen we recht doen aan de prediking van Gods Woord, dan dienen we er voor te zorgen, dat onze aandacht niet al te zeer wordt afgetrokken naar de beide boosdoeners, die aan weerszijden van Christus gekruisigd worden.
Immers, Hij mag gelijkgesteld met boosdoeners, de hoogste smaad betekenen voor Zijn vijanden. Hij blijft nochtans de Zoon van God, de Profeet, de Priester en de Koning, die stervende voor Zijn volk ten onder gaat.
De twee krijgsknechten hebben hun wrede werk verricht, en Hem, in Wie het volmaakte leven was, gekruisigd met twee ter dood veroordeelden.
Maar zelfs nu kunnen de spottende toeschouwers niet zwijgen. De hoon klinkt op uit de monden, maar Christus zwijgt Waar is Uw macht, waar is Uw majesteit ?
De lasterende woorden van Joden, Farizeërs, Schriftgeleerden en krijgsknechten vinden bijval bij één der boosdoeners, die naast Christus gekruisigd is. , , Eén van de kwaaddoeners lasterde Hem . ... " Uit de Schrift blijkt, dat deze man niet maar één keer, maar voortdurend zijn priemende woorden Christus doet toekomen. Bekend met de belofte van de komende Messias, verzet hij zich tot het uiterste tegen de levende God, voor Wiens rechterstoel hij weldra zal moeten verschijnen.
Hoe door en door verhard kunnen mensen zijn. Hoe brengt de satan zijn helse krachten tot uiting, die in machteloze opstand God uit de hemel zouden willen trekken om Hem hier te dagen voor de rechterstoel van mensen.
In ons aller hart leeft iets van deze vijandschap, die zich juist openbaart in tijden van ellende, tegenspoed en verdrukking, tenzij ...., ja, tenzij door de krachtige werking Gods ons hart wordt omgebogen naar het: Doch gij, mijn ziel, zwijg Code stil!
Maar waar liefde Gods in 't oordeel ons hart niet buigt, en we onze handen en voet niet gebruiken kunnen om de Heere te treffen, daar uit zich het bedenken des vleses, dat vijandschap is tegen God. Dan komen de gedachten des harten openbaar in onze woorden.
, , Indien Gij de Christus zijt, verlos Uzelf en ons !" Ge zijt toch de Christus ? Welnu, waar blijft ge dan nu met Uw almacht ?
De moordenaar daagt Jezus uit. Wat moest deze man, stervende, smeken van Jezus? Vóór hem de eeuwigheid, achter hem een leven in zonden. Maar neen, met vlijmende woorden tart hij Jezus' onmacht. Hij gebruikt het woord Christus, het Oud-Testamentische Messias. Maar zo'n Messias wenst hij niet. Hij heeft geen oog voor de ware verlossing, die Christus brengt. Hij wenst alleen : verlossing van zijn lijden aan het kruis. Door satan verblind, ergert hij zich aan de lijdzaamheid van deze Koning!
Ook dit is een helse verzoeking, die Christus toekomt van de vorst der duisternis. Maar Jezus weet, dat de smaad Hem toekomt uit de hand Zijns Vaders. Hij komt niet door Zijn machtwoord af van het kruis, maar kiest de lijdzaamheid, het lijden, de dood. Want eerst moet 't rantsoen betaald worden, de profetie moet vervuld van 't Lam, dat ter slachting gaat ....
Straks, ja straks zal Hij zich betonen als een oordeler van levenden en doden. Straks zal Hij laten zien, hoe achter het smadelijk Golgotha de majesteit schuilde van de almachtige God, die eeuwig leeft, en mensen loon geeft naar naar hun werk ....
Straks, ja! Maar nu? Christus zwijgt.. „Ik kom, o God, om Uw wil te doen".
Maar waar enerzijds een mens in felle vijandschap zich te buiten gaat aan Christus, daar is anderzijds een mens, in wie iets gaat leven van het begrijpen van de smadelijke dood van Jezus van Nazareth. Daar wordt een mensenhart gebogen, het hart van de andere moordenaar. Hij gaat iets zien ook van eigen zondaarsleven.
En waar Christus zwijgt, zal hij eerst opkomen voor Jezus. O neen, hierin ontvangt Immanuël geen verlichting van Zijn lijden, tot in eeuwigheid blijft het: Ik heb de pers alleen getreden.
Maar hierin is de genade Gods geopenbaard, dat ook van dit kruis de onschuld van Christus betuigd zal worden, en de prediking uitgaat in deze wereld.
Hoor zijn bestraffend : , , Vreest gij ook God niet, daar gij in hetzelfde oordeel zijt ? "
Waar haalt deze man de moed vandaan om een ander te bestraffen ? Snoert eigen zonde hem de mond dan niet ? En laat de tekst ons niet zien, dat hij nadrukkelijk zijn wellicht vroegere vriend, die misschien wel de held van zijn leven was, vermaant ?
We kunnen het antwoord op deze vraag alleen vinden, wanneer we lezen wat hij nog meer zegt: „En wij toch rechtvaardig; want wij ontvangen straf, waardig hetgeen wij gedaan hebben, maar deze heeft niets onbehoorlijks gedaan".
Hoe bloeit hier het werk van de Heilige Geest open, dat de diepste wortels van het mensenhart blootlegt. Hoe zien we hier, dat de Heere Zelf in staat Is om in een oogwenk tijds voor ons zielsoog het verzondigd leven voorbij te laten trekken, zodat we zondaar worden, en schuld gaan belijden. En wij toch rechtvaardig, waardig hetgeen wij gedaan hebben. Hij weet zichzelf schuldig, sluit zich in zijn vermaning niet uit. Dan mort hij niet meer over zijn lijden, maar buigt, en mag zo vermanen. Wij toch rechtvaardig !
Hoe komt deze man hiertoe ?
Heeft hij de woorden tot de vrouwen gehoord op weg naar Golgotha? Och, onze veronderstellingen! Laten we toch bedenken, dat Jezus ook aan 't kruis profeet blijft, die Zijn goddelijk onderwijs in Zijn kruiswoorden, die voorafgaan, geven kan. Als Hij als Profeet spreekt, is zo weinig nodig. Ook hier geldt: Heere, spreek slechts één woord.
Vast staat, dat deze man zijn geestelijke leidslieden uit Israël ver vooruit is. En hij getuigt van de onschuld van Christus: Deze heeft niets onbehoorlijks gedaan, Niets, staat er eigenlijk, dat „buiten de weg" was. Iets van het blijven van Christus in 's Vaders weg schemert hierin door.
Maar 't schuldbewuste hart dringt toch ook naar Jezus toe. Dat kan niet anders. , , Heere, gedenk mijner, als ge in Uw koninkrijk zult gekomen zijn". Hij vraagt schijnbaar niet veel: Geen verlossing van 't kruis en lijden, maar: Gedenk mijner . ... ! En toch .... Ik ben wel ellendig en nooddruftig, maar de Heere denkt aan mij. God is vervuld met gedachten des vredes over 'n mensenkind, dat ligt onder de vloek van zijn schuld !
Neen, hij vraagt oneindig veel, al beseft hij 't misschien zelf niet En 't wonder des Geestes maakt, dat deze man in de lijdende Borg, die smadelijk sterft, door geloof een Koning mag aanschouwen, die weldra met eer en majesteit gekroond zal ingaan in Zijn rijk.
Moge die bede van de moordenaar de uwe zijn: Heere, gedenk mijner !
Maar letten we op Hem, die deze bede geldt. Hangend aan 't kruis beschikt Hij over de hemel. , , In het Huis Mijns Vaders zijn vele woningen". En één van deze woningen gaat Hij thans toezeggen aan een mens met een verloren leven, die zweeft voor de poorten der eeuwigheid ....
Heden zult ge met Mij In het Paradijs zijn!
Het Paradijs ! Verloren voor mensen, afgesloten voor goddelozen.
Maar hier is de wegbaner Zelf, die de strijd heeft aangebonden met de bewakende cherubs aan de ingang van de hof. Die 's Vaders toorn liet uitwoeden op Zijn gezegend Middelaarshoofd.
Straks mag Johannes getuigen: Wie overwint. Ik zal hem geven te eten van de boom des levens, die in het midden van het Paradijs Gods is.
Welk een overgang. Welk een belofte. Heden zult gij .... ! Van de aarde naar de hemel! Van het smartelijk kruis met zijn folterende pijnen met een gereinigde ziel naar de plaats, waar 't water des levens uit de fonteinen ruist....
Hij vraagt gedachtenis. Hij ontvangt: Jezus' nabijheid. Die Jezus zal hem de Vader voorstellen als een gereinigde door 't bloed des Zoons! Heden nog !
Hier ontglipt aan satan de prooi. Geen hel vol duivelen zal deze mens meer weren uit 't rijk des Vaders. Want het , , voorwaar", het amen van Christus, is uitgesproken, en ligt goddelijk vast.
Misschien is de vorst der duisternis gekomen met zijn scherpe pijlen, toen de moordenaar Jezus hoorde uitroepen, dat Hij van de Vader verlaten was, van God. Is dan alles nog fout voor de eeuwigheid? Maar neen, 't , , amen" Gods stuwt deze man voort naar de vreugde der eeuwigheid, heden nog !
We stonden bij drie kruisen, zagen drie personen, wier leven wegstierf .Voor de een was Christus een aanstoot, hij zonk neer in. de diepten der hel.
Voor de ander was Christus de enige, die zijn schuldige ziel kon redden vóór de poorten des doods! Een zeldzaam voorbeeld in de bijbel!
Maar de vraag dringt tot ons: Wat doet gij, ja heel persoonlijk gij met Jezus, die genaamd wordt Christus ? Dit beslist over hel of hemel, leven of dood. Wie zinkt neer aan de voet van het kruis : , , Wij toch rechtvaardig". , , Deze onrechtvaardig". , , Heere, gedenk mijner ....".
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 maart 1958
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 maart 1958
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's