DE DORDTSE LEERREGELS
Die het levend geloof in Christus, of het zeker vertrouwen des harten, de vrede der consciëntie, de betrachting van de kinderlijke gehoorzaamheid, de roem in God door Christus in zich nog niet krachtiglijk gevoelen en nochtans de middelen gebruiken, door welke God beloofd heeft deze dingen in ons te werken, die moet niet mismoedig worden, wanneer zij van de verwerping horen gewagen noch zichzelf onder de verworpenen rekenen, maar in het waarnemen der middelen vlijtig voortgaan, naar te tijd van overvloediger genade vuriglijk verlangen, en dien met eerbiedigheid en ootmoedigheid verwachten.Veel minder behoren voor deze leer van de Verwerping verschrikt te worden degenen die ernstiglijk begeren zich tot God te bekeren. Hem alleen te behagen, en van het lichaam des doods verlost te worden, en nochtans in de weg der Godzaligheid en des geloofs zo ver nog niet kunnen komen als zij wel willen; aangezien de barmhartige God beloofd heeft, dat Hij de rokende vlaswiek niet zal uitblussen, en het gekrookte riet niet zal verbreken. Maar deze leer is met recht schrikkelijk voor degenen, die God en Christus niet achtende, zichzelven aan de zorgvuldigheden der wereld en aan de wellusten des vleses geheel hebben overgegeven, zo lang zij zich niet met ernst tot God bekeren.
HOOFDSTUK 1, ARTIKEL 16
L. VROEGINDEWEIJ
De Dordtse Leerregels spreken in dit artikel van drie soorten mensen. Dat geeft ons al direkt een opmerking in de pen. Het wordt de predikers van de Nadere Reformatie nog wel eens kwalijk genomen, dat zij onderscheid maken in hun toepassing. Uit dit artikel blijkt, dat reeds de Dordtse vaderen dit deden. Zij richten in artikel 16 tot drie groepen een woord van vertroosting of vermaan. De eerste twee groepen zijn hierin gelijk, dat zij vanwege de leer der Verwerping niet behoeven te vrezen. Het is van belang op de kenmerken van alle drie genoemde groeperingen te letten. Daar wordt b.v. niet gesproken van mensen, die trouw naar de kerk gaan, bidden en danken, de Schrift lezen en dergelijke meer. Vele gemeenten bevatten een trouwe kern, die uit mannen en vrouwen bestaat, die aan deze kenmerken voldoen. Ik vrees toch, dat het te kort is voor de eeuwigheid. Wanneer hun leven niet verdiept wordt dan vrees ik, dat zij met een historisch geloof zullen verloren gaan. In elk geval noemt artikel 16 hen niet. Daarmede wil ik niet zeggen, dat de mannen en vrouwen uit dat eerste deel van dit artikel niet trouw zijn in hun plichten en werken. Dat zullen zij zeker. Doch zij hebben meer. Zij hebben een levend geloof in Christus, zij hebben een vertrouwen des harten, zij hebben enige vrede in hun geweten, zij betrachten de kinderlijke gehoorzaamheid en roemen in God door Christus. Maar dit alles is bij hen zo zwak dikwijls. Er gaat zo weinig van uit. Zij kunnen niet ontkennen, dat zij met deze dingen bezig zijn, doch zij gevoelen dit leven niet krachtig. Dat deze uitleg juist is, volgt uit de laatste woorden van de eerste volzin. Daar staat niet, dat zij naar genade vurig moeten verlangen, want genade hebben zij. Daar wordt gesproken van overvloediger genade.
Onze vaderen bouwden niet op een zandgrond, zij groeven tot de rots. Daarom beginnen zij te spreken van het levend geloof in Christus. Helaas echter, deze mannen en vrouwen vrezen zo dikwijls, dat zij dit levend geloof juist niet hebben. Zij gevoelen immers de vrede en de rust en de blijdschap er van zo weinig of zo zwak. Misschien wil iemand hier opmerken, dat het helemaal niet om gevoel moet gaan. Als het geloof er maar is, dat is genoeg. Mag ik hiertegenover in alle bescheidenheid iets opmerken? Voor een mens die midden in de wereld leeft en niet door de Heilige Geest innerlijk wordt bearbeid is deze opmerking zeer goed te begrijpen. Zo iemand kent geen ellende, blindheid, jammerlijkheid of naaktheid. Hij heeft geensdings gebrek. Maar als de Geest Gods in het hart komt arbeiden, begint de mens in ellende, vrees, armoede en nood te geraken. En als hij dan het levend geloof in zich niet krachtiglijk gevoelt of bewust is, voelt hij van rondom ellende, verdriet, ledigheid, duisternis. Deze voelt óf het een óf het ander. Poppen voelen niets, maar levende de mensen hebben gevoel.
Dat geldt ook geestelijk. En als nu iemand de volle laag der ellende over zich gekregen heeft, doch niet recht aan boord van de reddingsboot kan komen, — hij heeft wel een touw vast, doch hij kan niet verhinderen, dat hij zo nu en dan helemaal onder water zit — deze mens heeft het kwaad. Hij vreest nog eens voor eeuwig om te komen. Doch nu zeggen de Leerregels, dat de Heere dit kleine geloof niet zal beschamen. Aan de Verwerping hoeft deze helemaal niet te denken, want dat zou in strijd zijn met Gods beloften. Vergeet niet, het gaat over gelovigen. En voor gelovigen, al is dit geloof nog zo zwak, zijn krachtige beloften in de Schrift.
De tweede groep is nog een stapje verder. Daarom behoren zij nog veel minder verschrikt te worden. Zij hebben zo'n lust in zich tot heiligmaking. Zij begeren ernstiglijk zich tot God te bekeren om Hem alleen te behagen. Maar dikwijls is de macht der inwonende zonde zo groot, dat zij bijna alle hoop verliezen. Zij zouden die macht der zonde in hen de baas willen wezen en elke dag in heiligheid des levens wandelen, maar ach, „ik ellendig mens, wie zal mij verlossen? " Zij willen in de weg der godzaligheid wandelen en in de blijdschap des geloofs leven, maar kunnen niet verder komen dan een begin. De Leerregels weten hen echter te troosten. Zij hebben immers de beloften Gods. En niet aan de verborgen Verwerping moet men denken, doch aan de geopenbaarde Verkiezing. De twee eerste groepen hebben gemeen, dat zij bekommerd zijn over hun zaligheid. Dat is een grote zaak. Van nature zoekt of vraagt niemand naar God. Uit deze onwilligen begint God Zich een volk te trekken naar Zijn Verkiezing. In dat volk werkt Hij het wiilen en het werken. Dat werken Gods heeft gemeenlijk een klein begin. Dat begin wordt bestreden. Tot die bestrijding behoort ook de verwerping : je zou wel eens een verworpene kunnen zijn. Wat is daar tegenover te stellen ? Al de beloften.Gods gedaan ten behoeve van de ellendigen, armen, kleinen, zondaars in eigen oog, bidders, zoekers, enz. Is er dan geen gevaar dat iemand gaat rusten in zijn bidden, zoeken, enz? Zodra hij daarin gaat rusten vervalt de belofte, want de beloften zijn gedaan aan hen, die daarin volharden. En dan bedenke men ook dit, dat de Heere niet de zoekers zalig spreekt om hiui zoeken, doch belooft, dat zij zullen ontvangen. Dan kunnen zij rusten, als zij ontvangen hebben.
Nog een vraag. Zou het niet kunnen, dat iemand vol bekommering naar God zoekt en dat de Heere moet zeggen : Ik kan het niet doen, vanwege Mijn eeuwig voornemen ? . Dat is uitgesloten, want de ware begeerte des harten is een werk Gods uit dat voornemen. Dat is de kleine verslagene en bekommerde, die voor Gods Woord beeft, hoeft niet te vrezen noch te verschrikken vanwege de Verkiezing. Doch nu de anderen. Zij vragen niet naar God en geven zich geheel over aan de wellusten des vleses. Zou het erg voor hen zijn als zij eens verschrikken ? Zij dragen de kenmerken van een verworpene, maar dit zou kunnen veranderen. God zou hen alsnog Zijn Geest kunnen schenken, die hen de kenmerken gaf van een gekrookt riet. Laat ze maar eens schrikken. Van nature leven zij zo gerust in hun gewaande deugd, of godsdienst zonder de lust en de zonde los te laten.
Ja maar, zegt nu iemand, artikel 16 verwijst de bekommerde naar tekenen in zichzelf. Wij moeten echter naar Gods Woord verwijzen. Maar, vraag ik, staat er dan ergens in de Schrift, dat alle mensen zalig worden? Zijn Gods beloften niet gedaan aan bepaalde mensen ? Jes. 66 : 2 zegt: , , Op deze zal Ik zien : de arme, de verslagene van Geest en wie voor Mijn woord beeft". Doch de Heere ziet de hovaardigen met gramschap aan. Als wij de kenmerken niet hebben, die wijd en zijd in de Schrift worden genoemd, hoe zouden wij dan, ons iets durven toeëigenen? Wie gelooft in Christus wordt zalig. Maar als wij nu dit geloof niet hebben? Moet ieder maar denken: ik word zalig? Waar staat dat in de Bijbel? Staat er ergens: zalig zijn de rijken van geest? Elke belofte heeft een zeer bepaald adres en de naam van dat adres, moeten wij wettig dragen. En als iemand dan eens ten onrechte denkt, dat hij gelooft of de bedoelde arme is of bidt? Daarop heeft ieder maar toe te zien of hij zich niet bedriegt. De arme en verslagene omhelst Gods belofte in het geloof, dodh dit geloof brengt geen vleselijke zekerheid mee. De zekerheid is er alleen door de Heilige Geest, Die ons van het eeuwige leven verzekert. En wat zijn nu gekrookte zielen?
Smijtegelt tekent hen o.a. met de volgende woorden:
, , Dat zijn eerstbeginnenden, die al gedurig hun werk wegsmijten. Hun werk is niet goed. Daar zal niets goeds afkomen. Hun werk is van z'n leven niet goed. Ach, zeggen ze, mijn werk is toch geen waar en zal nooit waar zijn. 't Is geen werk van Gods Geest, 't Is niet dan consciëntiewerk. 't Is maar uit vrees voor de dood. Ik heb geen genade".
Dat is een gekrookt riet, dat zo klein in kennis is. Zij kennen 's Heeren wegen niet. Spreekt ge van geloof en liefde, zij hebben zulke dingen niet. Zij weten haast niet, wat zij daarvan maken zullen. Zij werpen dikwijls het allerkostelijkste weg. Gekrookte rieten worden geslingerd in hun staat. Ach, Heere, zeggen ze, altemet is er eens een flikkertje, maar 't schijnt uit te gaan. 't Lijkt een vonkje van Gods' Geest, maar altemet is het weer uit. De ene dag schijnt het als of ik genade heb, maar de andere dag mis ik het weer. De ene keer zijn ze zus en de andere keer zo.
Het zijn donkeren, bestredenen, dodigen, die zeggen: ach, ik ben zo dood, ik ben zo besloten, dat ik er niet uit kan. Ga ik voorwaarts, ik zie Hem niet. Ga ik achterwaarts, ik merk Hem niet. 't Stuk wordt mij zo betwist. Ga ik in de kerk en aan 't Avondmaal, ik voel de Heere niet.
Gekrookte rieten zijn zulken, die zeggen: Ach God, ik kan al die kruisen niet dragen, ik ben zat van smaad. Mijn bestraffing is er alle morgen. Uw bestraffingen zijn veel, aanziet mijn ellende, want mijn ziel is der tegenheden zat. Zij zeggen: ik zal er nog uitscheiden, ik zie dat het toch alles vruchteloos is, wat ik doe. Kunnen zij niet geloven? Neen, zij kunnen aan de Heere 'hun zaak niet toevertrouwen. Ik kan dat niet 'doen, zeggen zij, mijn zaak op de Heere wentelen en geloven, dat Hij het maken zal. Ik weet mijn neergebogen hart niet op te richten. Mijn hoop is vergaan van de Heere. 't Sterft al en ik vrees, dat God mij nog tot een voorbeeld van anderen zal straffen. Wat denkt een gekrookt riet van zichzelf? Ik ben niet waard dat God op mij merken zou. Ik ben zo lelijk in mijn eigen oog. Ik moet tegen God zeggen: werp mij maar in de hel, want dat ben ik maar waard.
Dezulken worden door artikel 16 vertroost en van de gedachten afgehouden, dat ze bij de Heere verworpen zijn. Daar is een Verkiezing en Vefwerping. Dat leerden onze vaderen. Maar wij moeten niet zoeken wat Gods verborgen besluit van ons zegt, doch wat Gods geopenbaarde Woord ons voorhoudt.
Wat zegt dat Woord?
Zoekt den Heere terwijl Hij te vinden is in de weg der middelen.
Wat nog meer?
Wie volhardt in bidden, zoeken, kloppen, zal vinden, opengedaan worden en zalig worden. Doch wee hen die de zorgvuldigheden der wereld en de wellusten des vleses zoeken.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 april 1958
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 april 1958
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's