De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DE CATECHISMUS VAN CALVIJN

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE CATECHISMUS VAN CALVIJN

12 minuten leestijd

V

Zondag I.

Vóór zijn Eerste Catechismus drukte Calvijn af enkele verzen uit de hoofdstukken 1 Petrus 2—4. Hij heeft ze zo niet herhaald vóór zijn nieuwe leerboek, maar we twijfelen toch niet, of naar zijn besef bleven ze ook daar volledig gelden. Deze bepaalde woorden van Petrus en heel zijn brief zijn Calvijn trouwens zeer vertrouwd en lief, zodat hij ze veel aanhaalt. Deze woorden gaven en geven dan ook zeer goed weer, wat hij met de catechisatie bedoelde : „Weest, als pas-geboren kinderen, zeer begerig naar de redelijke, onvervalse melk. Weest altijd bereid tot verantwoording aan een ieder, die u rekenschap eist van de hoop, die in u is. Indien iemand spreekt, die spreke de woorden Gods".

Daarna begint hij dan zijn Catechismus, met een eerste , , zondagsafdeling". Hij begint daarin met de bespreking van het eerste hoofddeel, over het geloof, en dan stelt de predikant aan het kind die beroemde 1 ste vraag : Wat is het voornaamste doel van het menselijke leven ? Het antwoord op deze eerste vraag luidt: Dat is : God te kennen.

Vanzelfsprekend leggen we daar even naast de aanhef van de Heidelberger : Wat is uw enige troost in leven en sterven ? We zullen niet licht kunnen ontkennen, dat de toon in de Heidelberger iets anders is dan die bij Calvijn. We drukken dat theologisch meestal zó uit, dat we zeggen, dat Calvijn strikter theologisch te werk gaat, .zodat hij de ere Gods op de voorgrond stelt. Van de Heidelberger, die meteen begint te spreken over onze enige troost in leven en sterven, zeggen we dan wel, dat hij in zijn behandelingswijze meer , , anthropologisch" is, d. w. z. uitgaande van de mens. Daarmee hangt dan samen, dat men de Heidelberger nogal eens louter practisch noemt, terwijl Calvijn althans een zekere trek naar theologische bespiegeling zou voelen.

Zou dat een diep verschil zijn ? We herinneren ons gemakkelijk, dat men immers ditzelfde verschil ook heeft willen vaststellen tussen Luther en Calvijn. Luther zou de man zijn van het geschrokken en getrooste geweten, die vraagt, hoe dit geweten, hoe de mens tot vrede met God komt. En Calvijn zou hogerop gaan , en de vraag stellen, hoe God tot Zijn recht en eer komt.

We zullen niet ontkennen, dat in deze bekende onderscheiding wel enige waarheid steekt. Maar we moeten toch. wèl weten, dat dit recept veel te eenvoudig is, om het hele verschil tussen Luther en Calvijn op te klaren. Luther bekommert zich óók om de ere Gods en Calvijn vindt het ook een levensvraag, hoe het zich met Gods eer verdragen kan, dat de mens een genadig God vindt. Calvijn is de theoloog, die de grote plaats voor de Heere God opeist, maar die daarnaast (daardoorheen) juist óok zo grote belangstelling heeft voor de mens, het mensenleven in Staat en Kerk. Wanneer de Heidelberger dat ook heeft, dan zullen we erkennende dat daarin Luther's gedachten kunnen schuilen, evengoed mogen zeggen dat hierin Calvijn vlak naast Luther staat.

De tegenstelling : Luther — Calvijn, heeft men dus ook willen maken, waar het gaat om de Heidelbergse tegenover de Geneefse Catechismus. Dat lijkt ons een op de spits drijven van bepaalde waarheidselementen. Dan vergeet men alvast, dat Olevianus, een van de opstellers van de Heidelberger, met Calvijn uitvoerig gecorrespondeerd heeft en dat hij de Catechismus van Calvijn heel wat blijkt gebruikt te hebben. Dat wijst niet op een tegenstelling, maar eerder op een elkaar willen aanvullen. We zouden willen zeggen, dat het Calvijn's bijzondere gave is geweest, om van God niet te spreken, , , op zich zelf". maar van God, zoals Hij Zich genadig in een verhouding tot de mensen stelt, En dat hij omgekeerd ook niet van de mens , , op zichzelf" spreekt, maar die mens voortdurend blijft betrekken op de God, die hem het leven, de adem en alle ding heeft geschonken. Hij zegt dat immers zo fijn in het begin van het eerste boek van zijn Institutie, dat Godskennis en zelfkennis onderling ten nauwste samenhangen. We kunnen God niet in het oog krijgen, of we worden bij Zijn werken bepaald, ten hoogste de mens. En we kunnen de. mens niet aanschouwen, of we moeten hogerop, tot zijn Maker, We zullen Calvijn dat ook zien doen in de volgende zondagen van zijn leerboekje. Maar als we in onze Heidelberger nazoeken, zullen we hetzelfde vinden. Het mag waar zijn, dat dit boekje, zeer practisch, begint met de mens. Maar het is er verre vandaan, dat het ook in hem eindigen zou. Zo moét onze slotsom zijn, dat er inderdaad wel enig verschil in methode blijft, maar dat we daar in géeri geval een diepe tegenstelling uit moeten maken.

Vraag 1 komt dus meteen tot de wortel der zaak : Waartoe zijn we bestemd, in het licht van onze afkomst. En, het antwoord kan dus alleen maar luiden : we zijn bestemd om God te kennen, die ons geschapen heeft. Het ligt voor de hand, als Calvijn's bron in deze in de eerste, plaats aan de Schrift te denken. Daar vond hij de oorsprong en bestemming uitgedrukt in een volkomenheid, die geen andere bronnen nodig maakten. Het komt dus op een veel lagere plaats te staan, als we menen, dat ook de kerkvader Augustinus, die Calvijn met zóveel eerbied noemt en volgt, hem in deze wel iets heeft kunnen bijlichten. We denken dan aan dat woord van Augustinus, dat God ons tot Zichzelve heeft geschapen, zodat ons hart nooit rusten kan, totdat het in Hem gaat rusten, U merkt wel de sterke overeenstemming van dit woord met onze eerste vraag en antwoord. Dat geldt evenzo van dat woord, dat Augustinus ergens schrijft, dat hij God en de mensenziel wenst te kennen, en anders niets. We merken n. 1. hoezeer ook dat Calvijn's bedoeling weergeeft, al wil die bepaald niet al Gods werken en glorie opsluiten binnen de wanden van de mensenziel.

Het doel van het mensenleven is ; God, is het kennen van God. We merken toch wel, dat dat heel bepaald niet stroef en wettisch bedoeld is als een móéten, dat ons ingehamerd moet worden. Integendeel : dat is de adel van het beelddrager Gods zijn, dat van een heilig mógen spreekt, eer het van een heilig moeten gewaagt. Met dit kennen van God is ook heel zeker geen verstandelijk, enkel of vooral dogmatisch kennen bedoeld. Als Calvijn van kennen spreekt, dan denkt hij aan al de vermogens van heel de mens. Dan denkt hij zeker ook aan de kenvermogens, zeg : het verstand. Maar verstand zonder hart heeft Hij nooit hoog getaxeerd ! In de Schrift betekent kennen altijd een zeer gemeenzaam — intiem — compleet kennen en vooral geen kennen in een schrale eenzijdigheid. Het kennen van God, waarvan Paulus uitspreekt dat het veel meer een van

God gekend zijn betekent, sluit in een erkennen, waardoor heel bet leven zijn richting omhoog, ontvangt èn zijn richting omlaag, n.l. om Gode te leven met eerbied en godvruchtigheid.

De tweede vraag gaat wat nader op die zaak in en vraagt : Waarom zeg je dat ? De leerling antwoordt : Omdat God ons heeft geschapen en in de wereld heeft geplaatst, om in ons verheerlijkt te worden. En het past ons daarom wel, dat we ons leven tot Zijn eer besteden, omdat Hij er de oorsprong van is.

We merken hier, dat Calvijn ook in deze tweede Catechismus wel sterk de orde van zijn Institutie blijft volgen en daarom zo graag ingaat op ónze schepping. Uit Hem en door Hem zijn alle dingen; .daarom kunnen ze naar recht en behoren ook alleen, tot Hem zijn. De Heere had het niet nodig, ons te scheppen. Toch deed Hij het, vrijwillig en uit liefde. Maar dan kan het ook nooit op een andere manier goed zijn, dan wamieer Hij van ons geen verdriet en schande beleeft, maar dat in Zijn schepselen iets en veel van Zijn liefde en wijsheid oplicht en Hem tot lof strekt.

We voelen zo wel, hoever Calvijn afstaat van bespiegelingen. Hij wist al te goed, tot hoe bittere schaamte en schande wij de Heere strekken. Maar o.i. met opzet, zwijgt hij hier daarover, om de volle klem van onze afkomst, van ons levensdoel, waarin Wet en Evangelie samenstemmen, op ons te leggen. Calvijn sluit er de ogen niet voor, hoe we zijn, zowel naar onze (on)natuur, als krachtens Gods' vernieuwende genade. Maar het heeft bij hem veel meer de nadruk, hoedanig wij behoorden en behoren te zijn. Zo komt er bij hem niet licht een zelfvoldaanheid, die meent, het toch al aardig ver gebracht te hebben. Integendeel : Het machtige woord : Wees heilig, want Ik ben heilig, blijft dreigend en nochtans ook lokkend en nodigend boven het christenleven staan en het vervult zo de functie van een , , tuchtmeester" tot Christus.

We begrijpen, dat deze beschouwing het leven drenkt in de ernst en de verantwoordelijkheid. We begrijpen óok, dat deze beschouwing door velen niet gedeeld wordt en men het alles zo te streng, te gespannen vindt. Daarvan is intussen toch geen sprake. Het dienen van God was voor Calvijn niet iets zuurs en af gedwongens. Men heeft er terecht van kunnen spreken, hoe grote plaats de blijdschap bij Calvijn inneemt. Met Psalm 119 kon hij zeggen, dat het betreden van Gods paden vreugde verschaft.

We zullen dat zo aanstonds nog na­der zien. We letten nu eerst op vraag 3 : En wat is het hoogste goed van de mens ? Antwoord : Dat, wat zoëven genoemd werd (het kennen van God). Die uitdrukking : , , hoogste goed" is gebruikelijk in de oude ethiek, om uit te drukken, wat de grond en de kroon van het leven uitmaakt. Welnu : Calvijn aarzelt geen ogenblik, het kennen van God, dus ook het veelmeer door Hem gekend zijn, als zodanig aan te merken. Toen hij overleed, in de zelfde stijl, als waarin hij leefde, schreef de secretaris van de Raad van Geneve in zijn dagboek : Calvijn is tot God gegaan, geheel en al. Dat was zijn hoogste goed geweest, dat was zijn levenskröon geworden. Geld en goed liet Calvijn weinig na, de , , pennen" van de tent waren niet vast ingeslagen. Hij leefde op dat hoogste goed aan en kende het door geloof heen naar het aanschouwen.

Hoe hoog het hem lag, merken we uit vraag en antw. 4, waar gevraagd wordt : Waarom noem je dit hoogste goed ? En geantwoord : Omdat buiten dit goed onze toestand ellendiger is dan die van de dieren. We horen hier de echo van de Institutie : de religie is ons mensen ingeschapen. Ze is dus ons wezen en wanneer ze dus niet levend en krachtig is, dan zijn we levend dood. De mens, die in {eigen)waarde blijft, is als de beesten, die vergaan. Vraag en antwoord 5 spreken' daar een bewogen Amen op. De dominee vraagt: Of we dus zó zien, dat er niets zo ongelukkig is, als niet naar Gods wil te leven? En de leerling antwoordt: Inderdaad!

De inzet is zo zeer klaar van toon en richting. Het uitgangspunt is strikt theologisch, maar de spits ervan is steevast op de mens gericht en daardoor wordt deze Catechismus meteen zo'n persoonlijk appèl op ons.

Een zesde vraag gaat nader op dat kennen van God in. Maar wat is de ware en rechte kennis van God ? Geantwoord wordt: Wanneer we Hem zó kennen, dat we Hem Zijn eer geven. Zeker hier merken we, dat dat kennen van God dus in geen geval bespiegelend en koud van een afstand kan zijn, maar dat de practijk van het leven hier meteen in het gezicht komt. Christenleven, geloofsleven, betekent een levenstrant, waarin de Heere de schuldige ere ontvangt, d.w.z. waarin Hij de centrale plaats inneemt, en de erkenning vindt, waarop Hij een Koninklijk recht heeft. Dat heeft Calvijn dan tot die levenstrant gebracht, waarin het : Alles ter ere Gods, geen lege klank mocht blijven. Dat heeft hem met name zoveel nadruk doen leggen op de heiliging van het leven, van Gods naam en dag en alles. We zien, hoe hier meteen weer de Nadere Reformatie voor ons staat, die een gelijke hartstocht voor heiligheid aan de dag legde. Als iemand er aan twijfelen mocht, of deze mannen bijbelse en Calvijnse paden gaan, die zal wel nooit overtuigd worden, als dat hier niet gebeurt. Alles ter ere Gods, dat wilde de Nadere Reformatie in persoonlijk en publiek leven zien waargemaakt, in Kerk en Staat. Ook waar zij bij de Heidelberger leefde, heeft ze de koers van Calvijn's leerboek zeer goed gekend. God moet Zijn Eer hebben, dat alweer niet op een zure, geveinsde, afgedwongen manier, maar kinderlijk en echt, zo op de trant van het profetische : Ben Ik een Koning, een Vader, waar is dan Mijn eer ?

We zeiden straks, dat men deze oproep : alles tot eer van God te stellen, licht stroef en vreugdeloos en wettisch heeft gevonden. Het besluit van onze eerste zondag kan dat wel zeer goed weerleggen. Want de vraag luidt: Wat is de manier om Hem recht te kennen ? Het antwoord zegt: Dat we al ons vertrouwen op Hem stellen - , dat we Hem dienen, door aan Zijn wil te gehoorzamen ; dat we Hem in al onze nood aanroepen, om in Hem ons heil en alles te zoeken en dat we' met hart en mond erkennen, dat alle goed van Hem alleen komt.

Wie Luther, vooral Luther's Catechismus, gelezen heeft, merkt, hoezeer Calvijn hier Luthers verklaring van het God liefhebben overneemt. Alswe op de overeenstemming alle klem leggen, ontgaat ons toch enig onderscheid niet. Calvijn leeft in en uit Gods liefde in Christus, maar de gehoorzaamheid heeft bij hem o.i. toch wat meer nadruk, dan Luther dat kent. Het verschil tussen die twee heeft een Duits theoloog, Kattenbusch, eens fijn geformuleerd. Hij zei: Voor Luther èn voor Calvijn is God zogoed Koning als Vader. Maar Luther zegt eerder : De Koning is mijn Vader. Calvijn stelt : Mijn Vader is Koning. Het beroep op Gods Vaderhart en het leven daaruit komt in deze laatste vraag kostelijk tot uitdrukking : God boven alles vertrouwen, liefhebben en aanroepen. Maar 't Koninklijke blijft z'n invloed doen gevoelen : het kinderleven vindt er z'n eer en glorie in in alles Vader te erkennen en te gehoorzamen. De Vader wordt verheerlijkt in het vruchtdragen van Zijn kinderen. Zo weten ze, inderdaad Zijn discipelen, Zijn kinderen te zijn.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 april 1958

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DE CATECHISMUS VAN CALVIJN

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 april 1958

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's