De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DE CATECHISMUS VAN CALVIJN

Bekijk het origineel

DE CATECHISMUS VAN CALVIJN

11 minuten leestijd

VI

PROF. DR. S. VAN DER LINDE

Zondag 2.

Deze zondag 1 van Calvijn, die we vorige maal kort omschreven, is toch wel zeer vergelijkbaar met zondag 1 van de Heidelberger.

Met name daarin, dat in deze beide „voorspelen" tot een volgend koraal de komende melodie al doorklinkt, die daarna nader wordt beluisterd.

In de 2e zondag wordt nu meteen begonnen met al die aspecten van het christenleven te beschouwen. De dominee zegt, dat het goed zal zijn, deze dingen stuk voor stuk te beschouwen: om deze dingen ordelijk en breder uit te leggen: wat was ook weer het eerste punt? Het antwoord luidt : dat we ons vertrouwen op God vestigen. We willen er hier meteen op wijzen, dat naar onze smaak, dat vertrouwen onder ons vaak zeer weinig is gewaardeerd en verstaan. Men meent blijkbaar, dat de Heere vertrouwen maar iets tamelijk oppervlakkigs is en voorlopigs is en dat in het christenleven veel diepere stukken daarop volgen. Maar daartegenover moet dan gesteld worden, dat Calvijn blijkbaar dit vertrouwen op God zeer hoog taxeert. Vertrouwen heeft bij hem de kracht en de betekenis van een levensdaad die daarin uitkomt, dat we het roer van ons levensschip met vertrouwen in Gods handen leggen. Als Calvijn later over het geloof spreekt, komt dat God vertrouwen en kennen weer naar voren en dan zullen we daar nog wel beter kunnen verstaan, waarom dat vertrouwen zo'n grote betekenis heeft. Immers dat de Heere ons om Christus' wil tot Zijn kinderen aanneemt, dat is nooit een zaak, die wij eenvoudig aan gegevens uit ons innerlijk aflezen. Het staat niet zo, dat we zeggen kunnen, zó en zó ver in heiligmaking te zijn gevorderd, zodat we daaruit de zekerheid des geloofs ontlenen. Als de Heilige Geest met onze geest getuigt, dat wij kinderen van God zijn, dan gaat dat getuigenis van de HeUige Geest vlak tegen het getuigenis, het verwachten van onze eigen geest in. Dat wil zeggen, dat we , , in hope" behouden zijn, niet aanschouwelijk, maar dat ons vertrouwen op de waarheid en de kracht van Gods beloften niet beschaamd wordt.

De klemtoon op het vertrouwen wijst dus uit, dat het om een verhouding van genade gaat. Farizeërs kennen dit vertrouwen nooit, hebben het ook niet nodig. Tollenaars kennen en beoefenen het (Lucas 18). Daarom stelt ook Calvijn het met zoveel kracht voorop.

Meteen vraagt - de catecheet nader : Dat God vertrouwen, hoe gebeurt dat ? Hij wil dus niet, dat het 'n groot woord, een gemeenplaats blijft, maar dat het met een levende inhoud worde vervuld. Wel, antwoordt de leerling, dat bestaat er in de eerste plaats in, dat we Hem erkennen als almachtig en volkomen goed. Merkt u wel, als u dit leest en overdenkt, dat er geen sprake van is, dat bij Calvijn de macht, de overmacht-, in het Godsbeeld zou overheersen, zodat de liefde daardoor zou worden weggedrukt ? Ze staan hier naast elkaar: almacht en volkomen goedheid; het kan dus ook niet anders, of deze almacht uit zich in de weg van schenkende goedheid, zoals we dat bv. in Psalm 145 zo kostelijk zien getekend. We merken ook weer, hoe voor Calvijn het Godsbeeld voortdurend op het mensbeeld is betrokken en het bepaalt. Dat God vertrouwen moeten en mogen komt voort uit de radeloosheid en wanhoop van het mensenbestaan; de almacht en volkomen goedheid van God zijn enerzijds een aanklacht, anderzijds de levensgrond voor de onmachtige, van z'n jeugd aan boze mens. Calvijn's dogmatiek is zo nooit speculatief of theoretisch, maar komt op uit de practijk en roept haar tot aanzijn.

Dat zijn twee grote dingen : almacht en volkomen goedheid van God. Een humanist zou er geheel genoeg aan hebben en er misschien al wat willen afdoen. Maar zo kan het bij Calvijn zeker niet. De ondervrager vervolgt: Is de kennis van die twee genoeg ? En de catechisant antwoordt: Nee, dat is niet genoeg. Wanneer ze wèl genoeg waren, dan moest er sprake zijn van een volkomen natuurlijke theologie, een theologie zonder zonde, die het de mens zou veroorloven, in ongerepte harmonie met zijn God te verkeren en de drempel van diens paleis zonder enige schroom te overschrijden, zo vaak het hem lusten mocht. Als we er op letten, hoe groot gewicht de zonde heeft in Calvijn's theologie, dan begrijpen we, dat van zo'n ongebroken, onmiddelijke humanistische theologie bij hem nooit sprake kan zijn. Het Calvinisme betekent in de grond der zaak een radicale afwijzing van alle Humanisme, zogoed in de 16e eeuw als in de onze. Dat heeft het catechisantje stellig te horen gekregen van ds. Calvijn, want op de vraag: Waarom is almacht en goedheid niet alles in God, weet het te antwoorden: Omdat wij niet waard zijn, dat Hij Zijn almacht gebruikt, om ons te helpen evenmin dat Hij Zijn goedheid tegenover ons doet blijken. Daar hebt u, wat we zo even al aanduidden: de zonde werpt donkere schaduwen op een Godsbeeld, dat de deuren zo helemaal scheen te kunnen openzetten. Het hapert niet aan die almacht of die volkomen goedheid, het hapert aan onze kant. Wij hebben daar op rechtlijnige, natuurlijke wijze geen toegang toe en geen aansluiting op; als het van ons moest afhangen, bleven we onmachtig en boos, daarbij nog arm en zouden van gebrek moeten omkomen, vlak bij een fontein, zo vol van levend water !

We hebben hier bij Calvijn een critiek punt bereikt. Hier begint ons duidelijk te worden, waarom hij van , , vertrouwen" sprak, waarmee hij op de verhouding van schuld en genade doelde. Dat vertrouwen heeft dus niets van een onbezorgde natuurlijkheid, maar staat onder de hoogspanning van het nochtans.

We verstaan wel, dat hier bij Calvijn de openbaring, de bijzondere openbaring in het gezichtsveld komt. Het is ons niet mogelijk, van ons uit tot God te komen. Het moest en moet omgekeerd gaan, n.l. doordat God Zich in Zijn genade tot ons neerbuigt, en ons eén deur opent, die niemand van zichzelf uit door gaan kan.

Het staat dus zó, dat aan Gods kant niets veranderd is. Voor en na onze zondeval is Hij even heilig en even goed, daar doet Hij niets van af en ook niets aan toe. Maar wij hebben ons zelf van de omgang in gemeenzaamheid met een zo heilrijk God beroofd. Daarom hangt het er van af, of Hij van Zich uit deze barrière wil doorbreken, deze kloof wil overbruggen en het ook naar die kant wil maken tot wat het van ouds was.

De catecheet heeft dus zoeven horen vaststellen, dat wij mensen met een kennen van de almachtige en volkomen goede God toch nog niet gebaat zijn. Die kermis kan niet anders dan negatieve uitwerking hebben: schaamte, verrestaan, vergaan van honger bij zoveel overvloed in het Vaderhuis. Hij vraagt nu: Wat moet er dus nog bijkomen? Het antwoord luidt: Dit, dat wij weten, dat Hij ons liefheeft en ons een Vader en Redder wil zijn.

Als we deze practisch-theologische ontwikkeling van de leer van zonde en genade volgen en er de Eerste Catechismus naast leggen, dan kan dit begin ons al voldoende overtuigen, hoe grote vordering de nieuwe bewerking boven de oude betekent. Hier worden hart en geweten aangesproken, zonder dat ook het verstand veracht wordt, maar uit de religieuze empirie wordt „bevindelijk" verstaan, hoezeer christenleven, geloofsleven alleen kan leven uit bijzondere genade en bijzondere openbaring. Onze catechese loopt altijd het gevaar dat ze te verstandelijk en te betogend wordt; Calvijn geeft er hier een fraaie proeve van hoezeer catechese en getuigenis wel degelijk samenhoren.

We spraken er al van dat in die volkomen goedheid in God, de liefde uiteraard al aanwezig is. Maar waar ze versmaad is en zich door onze zonde niet meer als liefde kan uitleven, daarom moet ze, zal ze ons weer tot zich trek­ken, op een nieuwe, ongehoorde, even krachtige als milde wijze tot ons gaan spreken. De catecheet vraagt, gespannen: En hoe kennen we dat? Waarop de catechisant, een hoogte beklimmend met zeer verre uitzichten, antwoordt: Dat kennen we uit Zijn Woord, waarin Hij ons Zijn barmhartigheid in de Heere Jezus Christus verklaart en ons van Zijn liefde tegenover ons verzekert.

Daar is de noodzaak, maar veel meer nog de werkelijkheid van de bijzondere genade en openbaring van God in de Heere Jezus Christus dan uitgesproken. God was in Christus de wereld met Zichzelf verzoenend, hun zonde hun niet toerekenend. (2 Cor. 5).

We vatten hier ook, waarom Calvijn voor dat Woord der openbaring zo'n intens respect heeft. Haast heel z'n levensarbeid is aan dat Woord besteed, om het te verklaren en te verdedigen, We vatten hier licht ook, waarom hij er niet aan kan denken, om dat Woord nog weer te onderscheiden van de openbaring zelf, waarvan ze dan alleen maar de , , oorkonde" zou zijn. Calvijn moet dat voor een speculatieve gedachte houden, die hoger poogt te klimmen, dan het ons mensen gegeven is.

Wij weten n.!. van die openbaring-op zichzelf niets en danken al onze kennis er van alleen aan het Woord, waarin de Heere tot ons heeft willen spreken, waarvan we dan ook volkomen genoeg hébben.

Nog even wijzen we terloops aan, voortspinnend aan wat we al eerder opmerkten, dat de z.g. harde Calvijn hier op zo'n warme bewogen wijze van de barmhartigheid en de liefde van God spreekt. Hij zou alle reden hebben, er reeds hier op te wijzen, dat in dat Woord der genade, ook van oordeel en van gerechtigheid sprake is. Dat hij daar hier van zwijgt, betekent, dat hij met Luther in Gods oordeel en toom een Hem eigenlijk „vreemd" werk ziet en Zijn eigenlijke liefste werk erkent in 't betonen van liefde en barmhartigheid.

De predikant grijpt nu even terug op het eerder gezegde. Het ging er immers om, toegang te hebben tot God, in Zijn almacht en volkomen goedheid, om daar met ongedeeld vertrouwen uit te leven. Maar nu verstaat hij dan, langs welke weg daartoe een toegang is geopend en dus vraagt hij: Dus de grondslag van een echt vertrouwen tot God ligt daarin, dat we Hem kennen in de Heere Jezus Christus? Hij haalt daarbij Joh. 17 : 3 aan: Het eeuwige leven is God kennen en Jezus Christus, die Hij gezonden heeft. En het kind kan daarop alleen antwoorden: Ja, zo is het.

Daarin gaat een wereld open. Want dit kennen van God in het aangezicht van onze Heere Jezus Christus wordt immers beleden en beschreven in het geheel der Schriften, die een hele bibliotheek uitmaken en toch nog maar geven, wat de Heere hier voldoende oordeelt. Onder Gereformeerde belijders is nooit geklaagd, dat de Bijbel te dik, te , , lastig", of te veel eisend zou zijn. Het heeft er ook nooit gesmaakt, dat men van die Schrift, zoals de Heere die gaf, vereenvoudigde of verkorte uitgaven zou maken. Calvijn vindt de hoogste roem van geloof en theologie in het zich houden binnen de perken des Woords.

Naast de Schrift dus geen surrogaten of symptomen van geestelijke luiheid en gemakzucht, die het gemak goed, maar het werkelijke leven slecht dienen.

Anderzijds echter was er wel besef van, dat, op de vraag rekenschap te geven van de hoop die in ons is, moeilijk kan geantwoord worden met heel de Bijbel. Een getuigenis moet wel iets samengetrokkens en geladens hebben en zo vond het in de christelijke kerk allengs ingang, een geloofsbelijdenis op te stellen, die zeer eenvoudig en toch geladen de onmiddellijke hoofdzaken des geloofs weergeven, de palen en pilaren, waarop het hele gebouw rust.

Als zodanig had men in Geneve ook wel een aparte geloofsbelijdenis, opgesteld tegelijk met de Eerste Catechismus. Maar daarover zwijgt Calvijn hier. Hij wil zijn verbondenheid met heel de christenheid betuigen daarin, dat hij de Apostolische Belijdenis stelt als , , formulier van enigheid". Scheurlust en sectarisme was hem zeer vreemd, al moest hij om der waarheid wil menigmaal apart gaan staan tegenover haast alle christelijke groepen.

Nochthans hield hij vast aan de eis en de mogelijkheid van een eenheid van wat zich naar Christus noemde. Als de predikant dan ook vraagt:

Wat is in het kort de kern van die kennis laat hij antwoorden: Die is vervat in de belijdenis van het geloof van alle christenen, die men meestal de Apostolische Belijdenis noemt, omdat het een samenvatting is van het ware geloof, dat men altijd heeft gekend in de christenheid en ook, omdat het getrokken is uit de zuivere apostolische leer.

Deze belijdenis wordt dan opgezegd in een vorm, die van de onze niet verschilt. We merken meteen dat we haar in onze Heidelberger evenzo vinden en we zullen er op moeten letten, óf er nog verschil bestaat in de verklaring van dit fundamentele stuk in Heidelberg en in Geneve. Daar hopen we ons de volgende maal toe te gaan zetten.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 april 1958

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DE CATECHISMUS VAN CALVIJN

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 april 1958

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's