DE GRENZEN VAN HET BELIJDEN
REDE VOOR HET HERVORMD-GEREFORMEERD VERBAND VAN AMBTSDRAGERS, OP DINSDAG 25 MAART 1958 TE UTRECHT.
Als Uw moderamen vroeg om over dit onderwerp een korte inleiding te houden, dan wil ik dit graag doen naar zijn positieve en negatieve zijde. De grenzen van het belijden zijn niet alleen de lijnen, waar buiten de belijder zich niet begeven kan, maar zij zijn ook de grenzen van het gebied, dat de belijder in het oog heeft te vatten en dat hij in het oog heeft te houden. Als wij het laatste eerst willen behandelen, dan houdt dat in een zelfcritiek van de Gereformeerd gezinden in de Hervormde Kerk. Hiervoor kunnen wij onze Kerk dankbaar zijn, dat zij in het grondartikel van de Kerkorde, namelijk het tiende, het geheel van de belijdenissen heeft weergegeven.
In lid 2 van artikel X heet het toch : „De belijdenis der vaderen is vervat, zowel in de Apostolische geloofsbelijdenis, de geloofsbelijdenis van Nicea en de geloofsbelijdenis van Athanasius, — waardoor de Kerk. zich verbonden weet met de Algemene Christelijke Kerk —, als in de Heidelbergse Catechismus, die van Geneve, en de Nederlandse Geloofsbelijdenis met de Dordtse leerregels, door de Reformatie geschonken aan de Kerk in de Nederlanden".
Als lid 3 van artikel X stelt, dat de Kerk telkens opnieuw belijdt, o.a. in haar formulieren en belijdenisgeschriften, dan worden aan de Kerk niet alleen de belijdenisgeschriften telkens weer in de hand gegeven, een zaak die wij niet moeten vergeten, maar dan worden ook de formulieren ons ter hand gesteld, niet slechts als een wijze van belijden, maar in zekeren zin ook als een belijdenis. In zekeren zin zijn dan ook de formulieren (althans de klassiek Gereformeerde) te zien als een aanhangsel, en wel als een waardevol aanhangsel, van de onder lid 2 van artikel X genoemde belijdenissen.
Hier vinden wij dus het geheel van wat de Kerk als belijdenis erkent en tevens het geheel van wat de Kerk heeft te belijden. Voorheen lag deze belijdenis in de kluis, nu heeft zij het dan gebracht van archiefstuk tot orderegel der Kerk. De gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift vraagt van de Kerk, dat dit leergebied door de Kerk in haar geheel betreden wordt in de prediking der herders en leraars en in het gelovig beamen van de gemeente. Voordat wij nu signaleren het in gebreke blijven van bepaalde groepen in de Kerk, die met deze belijdenis op bepaalde punten overhoop liggen, hebben wij eerlijkheidshalve na te gaan óf en in hoeverre door de Gereformeerd gezinden dit leergebied inderdaad betreden wordt.
Wij zijn ons bewust, dat een verzwijgen door onkunde minder ernstig is, dan het moedwillig verzwijgen door innerlijke aversie en dan het zich uitspreken tegen datgene, wat de Kerk te belijden voorschrijft. In het algemeen zal in de kringen der Gereformeerd gezinden in onze Kerk het tot de zeldzaamheden behoren, als men de stukken van de belijdenis niet als waarheid horen en erkennen zal. Dat neemt niet weg, dat ridderlijk erkend moet worden, dat bepaalde gedeelten van de belijdenis, zowel in de prediking, als in de catechese, als in het geloof der gemeente, niet tot hun recht komen, zo zij al niet volkomen onbekend zijn.
Om enkele stukken van de belijdenis te noemen. Het leerstuk van de uitverkiezing komt bij de Gereformeerd gezinden, zoals die nu leven in onze Kerk, niet aan de orde in de Reformatorische wijze van behandelen. Als ik het goed zie, komt het geheel van de Confessionele prediking meer op uit de aanbidding des heils, dan uit de souvereiniteit Gods. Bijgevolg is het geloofsleven in Confessionele kringen meer bepaald door de daad des geloofs en het aanvaarden van Gods genade dan door de vrijmachtige daad Gods, Die tot wederliefde roept hen, die Hij eerst heeft liefgehad en in wier hart Hij de liefde heeft uitgestort door de Heilige Geest. Hiermede missen prediking en geloofsleven de machtige stuwkracht, die de Reformatie vond in de verkiezing, in het welbehagen Gods. In Gereformeerde Bondskringen kent men wel de impuls, die er van Gods souvereine besluit uitgaat op prediking en geloofsleven, maar daar verstaat men weinig of niet, dat dit welbehagen Gods haar openbaring alleen vindt in de verkondiging en aanbidding der genade. Langs andere lijn missen- in deze kringen prediking en geloofsleven diezelfde Reformatorische stuwkracht tot geloof en bekering. In beide sectoren van de Gereformeerd Hervormden vormt dan ook de leer der verkiezing niet de laatste troost, waarop de Kerk heeft terug te vallen. Een grondige bestudering en een innerlijke beleving van de Dordtse Leerregelen zou dit leerstuk opnieuw kunnen maken onder ons tot het cor ecclesiae. Als de Kerk ziek is, dan is zij ziek vanuit dit stuk der belijdenis, en dan is ze ziek vanuit die kringen, die in de eerste plaats (krachtens hun naam) geacht mogen worden de bijbelse boodschap vanuit dit hart te mogen doen horen. Een ander leerstuk, waarover de belijdende kringen in het onzekere verkeren, is dat van de wedergeboorte. Wederom moeten wij hier verwijzen naar de Dordtse Leerregels. Nadat in de Catechismus de wedergeboorte even zijdelings genoemd is, geven de Dordtse Leerregels daarvan een bredere uiteenzetting. Het komt mij voor, dat men zich in Confessionele kringen en bij de vrienden van Kohlbrügge (in de engere zin) zich beperkt tot een terloops noemen van de wedergeboorte, zodat de klacht van sommigen is, dat het toeeigenende werk van de H. Geest in de prediking en in het geloofsleven weinig aan de orde komt. In de Gereformeerde Bondssector spreekt men vrij algemeen en vrij regelmatig over dit leerstuk. Ook in het geloof van de gemeente leeft dit. Maar hier is men geheel gegaan op het spoor van de Gereformeerde theologie van de vorige eeuw. De Reformatie heeft dit leerstuk niet verstaan als één van de punten, n.l. het eerste, van de orde des heils. Ze ziet de wedergeboorte niet als een bepaald punt, waarin het geloofsleven zijn aanvang vindt, maar zij ziet haar als de levensvemieuwing, die het gehele leven omvat. Door Calvijn worden de begrippen wedergeboorte, geloof en heiligmaking promiscue gebruikt. Wie wedergeboorte zegt, zegt geloof en zegt heiligmaking. Kunnen de Gereformeerd gezinden de bevinding der heiligen weervinden in het leven des geloofs, dan zullen zij meer de klanken van Dordt vertolken, dan zullen zij elkander meer vinden in het kerkelijk leven en dan zal van deze groepen uit een positiever geluid in de Kerk gehoord worden. Dan klinkt het geluid van de Catechismus, de Dordtse Leerregels en de oude formulieren meer uniform en daarom krachtiger. Zo wordt de controverse tussen de Heidelberger en de Dordtse Leerregels opgeheven en wordt het derde formulier van enigheid, naar het mij voorkomt, opgeheven uit zijn -gediskwalificeerde plaats.
Laten deze beide voorbeelden, uit het hart van de belijdenis, voldoende zijn om u duidelijk te maken dat de grenzen der belijdenis ook, en in de eerste plaats, de centrale geloofsstukken raken, en dat voor de Confessioneel gezinden dit de eerst aangelegen stukken zijn.
Bij het overzien van het geheel der belijdenis moeten wij er ook acht op geven, dat alle leerstukken onder ons behoorlijk en regelmatig aan de orde komen. Vanuit de artikelen 33, 34, 35 N.G.B, en de formulieren van Doop en Avondmaal zal de Reformatorische leer van het genadeverbond, zoals die ontwikkeld is door Voetius, Amarck, Maccovius, Van Mastricht en W. á Brakel, weer aan de orde moeten komen, willen wij de grenzen van de Kerk in onderlinge eenheid van gevoelen aan de Kerk kunnen voorhouden. Vanuit de artikelen 30, 31, 32 en de bevestigingsformulieren van de ambtsdragers zal het aan ons zijn, om in de huidige discussie rondom het ambt, aan de Kerk duidelijk te maken, dat het niet waar is, dat de Kerk geen ambtsopvatting heeft. En aan ons, die op de belijdenis willen staan, om aan te tonen, welke die ambtsopvatting der belijdenis is. De tijd is te ernstig, dat wij het zonder bestuderen van wat wij hebben in onze belijdenis, wel kunnen doen in de Kerk. En de tijd is te ernstig, dat wij onze gemeenteleden en in het bijzonder onze ouderlingen en diakenen niet zouden onderwijzen in deze stukken der belijdenis.
Wij zwaaien teveel met het vaandel der belijdenis en wij weten te weinig, welke lading dit vaandel dekt.
De tweede zelfkritische opmerking, die ik wil maken, is deze. Hóé staan wij aan de grenzen van het belijden ? Staan wij daar met schild en zwaard, of staan wij daar met zwaard en fakkel ? In de Kerk zijn zo velen aan de belijdenis ontzonken en buiten de Kerk zijn de duizenden vele, die van de meest elementaire stukken van de belijdenis der Kerk geheel vervreemd zijn. Staan wij in ons pover belijden niet volkomen introvert. Eén van de modewoorden in onze Kerk is : apostolaire bewogenheid. De Kerk ziet deze bewogenheid alleen in de linkse kringen van de Kerk. De vrijzinnigheid, die de Kerk in de eerste plaats ontkerkelijkt heeft, wordt als eerste troep gemobiliseerd, om de buitenkerkelijken te herwinnen. En de midden-orthodoxie wordt beschouwd als , , de" modaliteit van het Apostolaat. Sociologie en psychologie zijn de middelen, die men aanwendt om de verlorenen voor de Kerk te herwinnen. Èn men krijgt de indruk, dat men, zo men met de Heilige Schrift zelf evangeliseert, dat doet met een keur van evangelistieke teksten. Zelden doet men dat langs de lijnen, die de belijdenis in de Schrift als de hoofdzaken aanwijst.
Maar hoe doen de belijdende groepen in de Kerk dit ? Elk van ons, hij zij ouderling, diaken of predikant, komt toch in zijn gemeente dagelijks langs de grenzen der Kerk, vooral zij, die in grote dorpsgemeenten en in de steden arbeiden. Dit is een zaak, die ons allen aangaat, al of niet speciaal door de Kerk daartoe geschikt verklaard.
(Wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 april 1958
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 april 1958
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's