Ambtsgeheim
III
Motieven om de verplichting tot geheimhouding in de kerkorde en de bevestigingsformulieren vast te leggen,
In het vorige artikel stonden we stil bij het motief, dat er 'n hechtere grondslag aan de verplichting tot geheimhouding gelegd zou worden, indien de plicht daartoe in een kerkordelijke bepaling zou worden vastgelegd. Door een dergelijke bepaling zou tuchtrechtelijk ingrijpen tevens vergemakkelijkt worden.
We willen nu een ander motief onder die ogen zien.
Bij de behandeling in de synode en de kerkelijke bladen is er wel op gewezen, dat een predikant of een ouderling, wanneer ze voor de rechter werden geroepen om daar hun verklaringen als getuige af te leggen, zich zouden kunnen onttrekken aan deze plicht, indien ze. zich maar zouden kunnen beroepen op een kerkordelijke bepaling, die hun de plicht van het bewaren van een ambtsgeheim zou opleggen.
Men meende, dat de priester in de R'ooms-Katholieke Kerk een benijdenswaardig voorrecht had boven de predikant. Voor de priester is er nl. in het canonieke (kerkelijke) recht wel een zwijgplicht opgenomen. Wat door de priester in de biecht wordt vernomen is ambtsgeheim. Een schending van dit ambtsgeheim staat onder zware kerkelijke straffen. Het biechtgeheim zal als regel bij de priester ook veilig zijn. Doch de Kerken der Reformatie hebben de biecht niet en derhalve is bescherming van een biechtgeheim overbodig.
De vraag is nu, of een priester, die voor de rechter is geroepen om getuigenis af te leggen, zich aan deze plicht zou kunnen onttrekken door een beroep op zijn ambtsgeheim, dat vastgelegd is in het canonieke recht. En dan moet het antwoord zijn, dat dit beroep vruchteloos zou zijn. De rechter moet naar de wet rechtspreken. Het kerkelijke recht mag hem niet beïnvloeden. Het canonieke recht geldt voor de gemeenschap der Roomse Kerk. Zo heeft onze kerkorde haar geldigheid voor de verhoudingen in onze Hervormde Kerk.
Hoeveel macht er ook in handen van de synode gelegd moge zijn, deze macht blijft toch beperkt binnen de grenzen der Hervormde Kerk en betreft slechts de regeling van rechten en plichten en verhoudingen op het kerkelijke terrein. Een bepaling onzer kerkorde heeft geen rechtskracht voor het terrein van het burgerlijk recht. Indien dit het geval zou zijn dan zou de Kerk met haar regelingen en bepalingen de overheid en haar wetgeving doorkruisen ên dwarsbomen. De Kerk zou dan grijpen naar een regeermacht, die haar niet is gegeven. Een onduldbare kerkelijke heerschappij zou hiervan het gevolg zijn.
De kerkgeschiedenis doet ons kennismaken met ondraaglijke voorbeelden van dit papalisme. We zouden niet gaarne zeggen, dat dit streven van de zijde der kerk om overmatige invloed te verkrijgen op wetgeving en rechtspraak thans tot de geschiedenis behoort. De rechtspraak inzake huwelijk en processierecht in onze dagen geeft ons een andere indruk. Het verzet daartegen verneemt men van verschillende zijden. Indien men dan de macht van Rome wil terugdringen in onze rechtspraak, laat men dan niet in hetzelfde euvel vervallen en door een kerkordelijke bepaling een rechter belemmeren in de uitoefening van een goede rechtspraak. Laten de kerken er naar streven mede klare helderheid te brengen in de verhouding van staat en kerk en de grenzen der bevoegdheden nauwkeurig in acht nemen. Het ingrijpen der staatsmacht in ons kerkelijk leven en onze rechten heeft de eeuwen door veel narigheid en strijd berokkend. Laat de kerk de handen thuishouden van het terrein der overheid.
Het wil me nu ook voorkomen, dat de synode voorlopig genoeg werk vinden kan op eigen terrein, zodat ze niet naar het tuintje van anderen hoeft om te zien om daar in te grijpen. Indien onze synode zich bemoeit met de behartiging van. haar taak in geloofszaken eji opzicht op het leven en de wandel naar de maatstaf van Schrift en Belijdenis is ze bezig in de taak, die haar op de handen is gezet. Dit zal het welzijn der kerk tot vrucht hebben.
Toch kan een predikant, die als getuige voor de rechter geroepen wordt tot op zekere hoogte gerust zijn. De wetgever heeft zich zijn moeilijke positie reeds ingedacht en heeft hem daarom een verschoningsrecht toegekend, zodat hij ook zijn ambtsgeheim voor de rechter zal kunnen bewaren door een beroep op de wet. Men kan zich indenken, dat een predikant een priester in een moeilijk gewetensconflict kunnen gebracht worden, indien ze als getuige voor de rechter worden geroepen. In het algemeen is ieder, die bekwaam is om getuige te zijn, verplicht zijn getuigenis in rechten af te leggen. Doch een predikant kan zich verschonen van het afleggen van getuigenis, maar alleen en bij uitsluiting nopens hetgeen, waarvan de wetenschap aan hem als zodanig is toevertrouwd. B. W. 1946.3. Dit verschoningsrecht is dus beperkt. Het geldt slechts voor vertrouwelijke mededelingen aan hem gedaan op het terrein der zielszorg. Voor gevallen buiten dit enge terrein van zielszorg heeft een predikant evenmin een recht om zich te verschonen, ingeval hij als getuige zou worden opgeroepen. Zo kan ook een predikant in de pijnlijke omstandigheid komen te verkeren, dat hij voor de rechter als getuige tegen een gemeentelid of catechisant zal moeten optreden.
Of een predikant zich inderdaad op zijn verschoningsrecht zal beroepen is ter beslissing van de predikant zelf. Het kan zeer wel mogelijk zijn, dat een predikant zich in zijn geweten verplicht acht voor de rechter zijn verklaringen af te leggen, teneinde de berechting van de misdaad mogelijk te maken of zelfs misdaad te voorkomen. Zo rijst de vraag, of er een volstrekt ambtsgeheim is en mag zijn.
In soortgelijke moeilijkheden verkeert een medicus, die enerzijds geheimhouding moet betrachten, maar anderzijds zal moeten spreken met het' oog op de gevaren voor anderen.
Door een en ander zal het duidelijk zijn, dat het zwijgrecht voor de rechter door een kerkordelijke bepaling niet wordt gefundeerd. De bescherming van het ambtsgeheim voor de predikant is tevens overbodig. Beperkt verschoningsrecht wordt hem door de wet verleend. Voor de rechter als getuige staande wordt het er voor een predikant niet gemakkelijker op door een kerkordelijk vastgelegde verplichting van geheimhouding, aangezien de rechter er geen rekening mee mag houden, terwijl de predikant zich on-willekeurig laat beïnvloeden.
Doordat de beslissing al of niet gebruik te maken van zijn zwijgrecht aan de predikant zelf blijft, wordt het gewetensconflict niet weggenomen.
In art. 36 van onze Geloofsbelijdenis belijden we, dat onze goede God de regering en de wetgeving in handen van de overheid heeft gelegd en dat ieder, van wat qualiteit, conditie of staat hij zij, schuldig is zich aan de overheden te onderwerpen. Art. 10 onzer kerkorde wil, dat alle ambten en gemeenteleden zich bij spreken en handelen bewegen zullen in de weg van het belijden der Kerk.
A. Luteijn.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 april 1958
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 april 1958
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's