DE GRENZEN VAN HET BELIJDEN
REDE VOOR HET HERVORMD-GEREFORMEERD VERBAND VAN AMBTSDRAGERS, OP DINSDAG 25 MAART 1956 TE UTRECHT.
(SLOT)
Kan men met de belijdenis zelf getuigend, vermanend en nodigend staan aan die grenzen ? De belijdenis zelf is naar haar wezen en oorsprong niet anders dan een evangelistiek stuk. Ze is geschreven als een getuigenis voor degenen, die óf heterodox zijn óf buiten staan. Het lijkt mij een zaak van eerlijkheid voor de Kerk, die ons riep tot haar dienst, en ook voor degenen, die buiten zijn, de volledige boodschap der Kerk te doen horen. Door elk getuigenis van de belijdenis, dat is door elk getuigenis van de Heilige Schrift, dat een bepaald facet voorhoudt, moet het geheel van de belijdenis doorlichten. Het vraagt dan ook grondige kennis van de belijdenis, om het geheel van de belijdenis te doen zien in elke preek, catechese, cura specialis.
Van ons wordt gevraagd in een wereld te staan als mannen Gods. Slechts één ding overwint de wereld, n.l. ons geloof. Hoe pover het ook gezegd mag zijn, hiermee kunnen wij staan in een ontkerstende wereld. En juist de onkerkelijke wereld kijkt daarnaar, of de man, die haar tegentreedt, een boodschap heeft en of die man iets bezit, waar de wereld naar hunkert. Wij mogen toch met niets minder staan, dan met de volmacht van Apostelen en Profeten. De Profeten in Israël hebben gestaan in tijden als de onze en in kerkelijke situaties als de onze. En zij hebben er gestaan met het naakte en harde Woord Gods. en tevens gloeiend van geloof in God en van ijver voor de zielen.
Nu de tweede zijde. De grenzen van het belijden zijn er niet alleen om daarbinnen te blijven en getuigend daarbin nen te staan. Zij zijn er óók, om te markeren, dat wat de Kerk mag prediken, dat waarnaar de Kerk mag handelen. Daar zijn grenzen, waar men niet buiten kan gaan, tenzij dat men buiten de Kerk treedt. Dit heeft niet te maken met een beknotting van de gewetensvrijheid. De Kerk is niet ident met de Staat. Het lidmaatschap van de Kerk is tenslotte er een naar vrije wilsbeschikking. Kan iemand in zijn geweten met de belijdenis van zijn Kerk zich niet verenigen, dan draagt hij de verantwoordelijkheid voor zijn afwijzen zelf. De Kerk treedt tenslotte in de persoonlijke verantwoordelijkheid niet.
Het kerkelijk belijden kent grenzen. Deze grenzen zijn zeer oud, vrijwel zo oud als de Christelijke Kerk is. Dat de belijdenissen in de loop der eeuwen uitgegroeid zijn, heeft aan die grenzen geen wijziging gebracht. Vanuit het oude doopsymbool is het Credo gegroeid en de latere belijdenissen zijn niet dan preciseringen van de voorgaande belijdenissen. Daar liggen niet de grenzen sinds 1618/1619. Daar liggen dezelfde grenzen vanouds af. Als Dordt de leer van de souvereiniteit doordacht en in de Dordtse Leerregels neerlegde, dan heeft voorheen de Catechismus van Geneve, die van Heidelberg, dan heeft voorheen de Ned. Geloofsbelijdenis, dan heeft voorheen Augustinus die zaak reeds aan de orde gesteld.
Als Fundamenten en Perspectieven als nieuw belijden der Kerk de grenzen wilde stellen, dan zien wij daarin slechts een mingelukte correctie. Elk belijdenisgeschrift bewijst zijn eigen kracht of zwakheid. De tijd zal leren, of heeft al geleerd, wat dit belijdenisgeschrift waard is.
Nu geeft elke locus uit de dogmatiek zijn eigen begrenzing. Wel nooit zal iemand in de Kerk in alle leerstukken afwijken. En elke tijd schuift zo zijn eigen leerstukken naar voren, zodat de dwaling van de ene tijd op een heel ander vlak ligt, dan die van een andere tijd. De zestiende eeuw bracht b.v. de sacramentenleer aan de orde, en de dwalingen, die daaromtrent waren.
Wordt dus afwijking in gevoelen geconstateerd op een bepaald punt, dan moet afgewogen worden, hoe deze dwaling staat tegenover het geheel van de belijdenis. Tucht oefenen en opzicht oefenen is een zeer précaire zaak. Wij gevoelen ons dadelijk wat onzeker als ons gevraagd wordt, daarover zelfs maar te handelen. De Kerkorde spreekt hier dan ook in lid 6 van artikel X in een zeer algemene term : , , De Kerk weert al wat haar belijden weerspreekt". Het gaat hier over de vraag, in hoeverre het geheel van het belijden weersproken en geschaad wordt. Op een andere plaats is sprake van het aantasten van de fundamenten der Kerk. Hier moet onderscheid gemaakt worden tussen geloofsartikelen van primaire en secundaire orde. Dit neemt niet weg, dat wij in een Kerk leven, van Calvinistisch Reformatorische snit. Als 'men in deze Kerk opkomt voor humanistische tendenzen en voor Lutheraanse tendenzen, dan moet erkend worden, dat de inzet tot de Reformatie bij het Humanisme ligt en dat in de eerste eeuw van de Reformatie, bijzonder in de Zuidelijke Nederlanden, Lutherse invloeden gespeeld hebben, maar dan houden wij toch vast aan dit feit, dat deze Nederlandse Kerk op Calvinistische leest geschoe'id is en dat de belijdenis van deze Kerk een Calvinistische is en dat deze Kerk twee eeuwen lang kerkordelijk 'Calvinistisch geleid is.
De moeilijkheden van deze tijd zijn juist hieruit te verklaren, dat een humanistische geest worstelt om een legitieme plaats in de Kerk. Niet zozeer zie ik deze worsteling tegen de vertegenwoordigers van de oude Calvinistische opvattingen in de Kerk, als. wel tegen de geest van die Kerk, zoals die spreekt in haar belijdenis. Het is veel moeilijker voor Humanisten om zich in deze Kerk met een goed en vrij geweten te handhaven, dan voor de Gereformeerd gezinden. Het algemene gevoelen, dat in de Kerk ondanks haar belijdenis heerst, en dat het Humanisme in het gevlei komt, kan deze gewetenspijn niet verzachten. Een opvatting over de Heilige Schrift in de zin van de belijdenis kan het Humanisme met een eerlijk gemoed niet onderschrijven. Een opvatting over de Triniteit, over de wezensgelijkheid, over de eeuwige generatie, over de maagdelijke geboorte en zoveel stukken meer, zoals die naar de belijdenis uit de Schrift verstaan en geleerd wordt, kan het met een eerlijk geweten niet aanvaarden.
Hier zal men zelf de consequentie van zijn leerstellingen moeten aanvaarden. En dan zal men moeten weten, dat men zich door zulk een geloof buiten de grenzen der Kerk plaatst. En als men dat zelf niet ingiet, dan zal de Kerk in haar opzicht over de leer, 'hier inderdaad duidelijke taal hebben te spreken, die niet voor tweeërlei uitleg vatbaar is. En de Kerk, die niet alleen opzicht, maar ook tucht heeft te oefenen, zal bij. halsstarrig vasthouden aan die meningen, die vrijwel over de hele linie van het belijden afwijken, niet hebben te schromen om consequenties te trekken, waar zij zelf nalaten die te trekken.
Het jaar 1961 komt snel nader, waarin dan blijken zal, of men inderdaad de tucht naar de in artikel X officieel genoemde belijdenis zal oefenen, of naar het officieus en niet in de Kerkorde gestelde Fundamenten en Perspectieven. Ik ga voorbij, de exclamaties van sommigen, die naar de algemene tendenzen in de Kerk, de tucht juist averechts op de belijdenisgetrouwe-belijders willen oefenen. Ik ben mij bewust, dat ook in 1961 tuchtoefening niet plotseling in volle gang gezet kan worden. Onze ogen zullen strak gericht blijven op deze éne zinsnede uit artikel X, lid 1 : „in gemeenschap met de belijdenis der vaderen".
Zal men die werkelijk beleven, of zal men daarvan afbuigen, of zal men daartegen ingaan ? De Kerk zal hebben te spreken, waar het betreft het gezag der Heilige Schrift, waar het betreft een Rooms-Katholieke of een Gereformeerde opvatting, waar het betreft de persoon en het werk van Chistus. En de Kerk zijn onder andere wij.
Mijnheer de Voorzitter, ik moge eindigen met de opmerking : Waar de grenzen zijn, daar moet de werfkracht zijn; waar de grenzen zijn, daar moet de waakzaamheid zijnj waar de grenzen zijn, daar moet de liefde zijn, die durft zegenen en vloeken.
' W. L. Tukker.
In het artikel van vorige week zijn 2 storende zetfouten geslopen. Op bladzijde 124, 1e kolom, 11e regel stond: uit de aanbidding des heils, dit moet zijn: aanbieding des heils. Op de 23e regel zelfde kolom, stond: in de verkondiging en aanbidding der genade, dit moet zijn: in de verkondiging en aanbieding der genade.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 april 1958
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 april 1958
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's